Beschouwing over den brief aan Titus.

 

HOOFDSTUK III.

 

Nadat de Apostel in het tweede Hoofdstuk over de verhouding der geloovigen onder elkander gesproken heeft, komt hij in dit Hoofdstuk tot hunne verhouding en hun gedrag tegenover de overheid en de wereld.

"Maak hen indachtig, aan overheden en machten onderdanig te zijn, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid te zijn, niemand te lasteren, niet twistziek te zijn, maar bescheiden, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen." (vs. 1, 2.) De genade Gods verbiedt allen opstand en verzet, en leert ons aan overheden en machten onderdanig en gehoorzaam te zijn. Zij onderdrukt den eigen wil, die altijd zijn recht tegenover anderen wil doen gelden. Door de genade gaat de Christen, die zijn deel en erfenis niet in deze wereld heeft, rustig en onderworpen zijn weg, en beijvert zich tot het volbrengen van goede werken. Zelfs wanneer hij door de overheden en de machten onderdrukt of kwalijk bejegend wordt, dan leert de genade hem, niet te lasteren, niet twistziek te zijn, en derhalve zich niet te verzetten, maar integendeel bescheiden te zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen.

Dit is zeer zeker niet gemakkelijk, want door onderdrukking en ongerechtigheid worden wij licht boos en komen in opstand; doch de gedachte aan hetgeen wij vroeger zelf waren, en aan hetgeen de genade Gods ons geschonken heeft, maakt ons rustig en geduldig. Zoodra wij bedenken, dat opstand en verzet voortkomen uit onze booze natuur, naar welke wij vroeger leefden, en dat wij door de genade daarvan verlost zijn, dan zullen wij elke neiging daartoe streng veroordeelen en met alle beslistheid onderdrukken. En als wij bedenken, met welk een goedertierenheid en liefde God jegens ons gehandeld heeft, dan zullen wij evenzoo handelen jegens hen, die nog in denzelfden toestand, waarin wij eertijds waren, verkeeren. Het onderscheid tusschen ons en hen ligt niet daarin, dat wij van nature beter zijn dan zij, en dat wij ons beroemen kunnen op onze vroomheid en heiligheid, ach neen! wij waren eertijds, evenals zij nu nog, onverstandig, ongehoorzaam, dwalende, aan menigerlei begeerlijkheden en wellusten verslaafd, in boosheid en nijd levende, hatelijk, elkander hatende. (vs. 3.)

Maar het onderscheid ligt hierin, dat wij de goedertierenheid en liefde van God hebben leeren kennen, waardoor een algeheele verandering in ons heeft plaats gevonden, en wij dientengevolge met barmhartigheid en liefde jegens anderen vervuld zijn. Het gevoel van hetgeen wij eertijds waren, en van de wijze, waarop God jegens ons gehandeld heeft, bestuurt ons in ons gedrag jegens anderen. In onze dagen van opstand en verzet tegen de overheid is het van groot belang, dat de Christenen zich in alles onderwerpen, en zich laten leiden door deze genade van God. De geest dezer eeuw oefent zoo licht invloed uit op hunne gedachten en oordeelvellingen; en daardoor worden zij soms verleid om deel te nemen aan maatregelen, welke het gezag der overheid ondermijnen. Bedenken wij wel, dat het een kenmerk der laatste dagen is, om de heerschappij te verwerpen en de heerlijkheden te lasteren.

Schrikkelijk is de beschrijving, welke ons hier van den natuurlijken toestand des menschen gegeven wordt. Allen, die nog droomen van een goed beginsel, dat in den mensch overgebleven is, mogen deze beschrijving wel ernstig overwegen. Wij zijn van nature toch niet alleen onverstandig, ongehoorzaam en dwalende, aan allerlei wellusten verslaafd, en levende in boosheid en nijd, maar ook hatelijk en elkander hatende. De bron, waaruit alles voortkomt, is geheel bedorven.

Het spreekt vanzelf, dat alleen de wedergeboorte en de vernieuwing des Heiligen Geestes hierin verandering brengen kan. De oude natuur kan niet anders dan haten en hatelijk zijn; daarom moet een nieuwe natuur worden medegedeeld, waardoor wij in de sfeer van een nieuw leven worden overgeplaatst, en dientengevolge andere, nieuwe, Gode waardige en Gode welgevallige gevoelens, neigingen en gezindheden in ons ontstaan.

De Apostel deelt ons dit op de volgende merkwaardige wijze mede: "Doch toen de goedertierenheid en menschenliefde van God, onzen Verlosser, verschenen is, heeft Hij ons behouden, niet uit werken der gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, dien Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onzen Verlosser; opdat wij, door zijne genade gerechtvaardigd, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwigen levens." (vs. 4-7.) Staan wij bij deze heerlijke en merkwaardige woorden eenige oogenblikken stil.

De goedertierenheid en menschenliefde van God,onzen Verlosser, is verschenen. De heilige en rechtvaardige God, die zich in de oude bedeeling in gerechtigheid en gericht openbaarde, is onze Verlosser geworden. Dezen naam van Verlosser of Heiland draagt God bijzonderlijk in de brieven aan Timotheüs en Titus. Zijne goedertierenheid en menschenliefde is thans verschenen. Hoe liefelijk en heerlijk zijn deze karaktertrekken Gods, als ik mij zoo mag uitdrukken! Niet meer tot één volk strekt Hij zijne handen uit, maar tot alle menschen komt zijne liefde, en over alle menschen ontfermt Hij zich in zijne groote goedertierenheid. Bedenken wij wel, dat die menschen zijn hatelijk en elkander hatende! Geen aantrekkingskracht, ook geen aantrekkingspunt in hen; integendeel al wat afkeerwekkend en afschuwelijk is. De beweegkracht der goedertierenheid Gods is alleen zijne eeuwige liefde.

Deze goedertierenheid en menschenliefde van God heeft ons behouden door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Wij waren geheel verloren en totaal bedorven; er was niets goeds van ons te maken of te verwachten, en daarom moesten wij behouden worden, en dat wel door het bad der wedergeboorte en de vernieuwing des Heiligen Geestes, waardoor wij nieuwe menschen geworden zijn, een nieuwe natuur, een nieuw leven ons is medegedeeld, 't welk zich in een nieuwe gezindheid openbaart. Het spreekt vanzelf, dat dit geheel zonder ons toedoen is tot stand gebracht. Wie kan levend maken? Wie kan een nieuw leven, een nieuwe natuur mededeelen? Natuurlijk God alleen. En omdat Hij daartoe in geenen deele verplicht is, kan Hij dit alleen doen naar zijne barmhartigheid. Daarom zegt de Apostel: "Hij heeft ons behouden, niet uit werken der gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar zijne barmhartigheid."

Het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes drukken het tweeledige karakter van het werk Gods in ons uit. Beide punten werden reeds door den Heer in zijn gesprek met Nicodemus aangegeven. Die niet geboren wordt uit water en Geest, kan in het koninkrijk Gods niet ingaan; want hetgeen uit het vleesch geboren is, is vleesch, en hetgeen uit den Geest geboren is, is geest. Wij worden gewasschen, dat is gereinigd, in practischen zin, van onze vorige gewoonten, gedachten en begeerten. Daarom zegt de Apostel tot de Korinthiërs, nadat hij al de zonden had opgesomd, waarin zij vroeger leefden: "Maar dit waren sommigen uwer; maar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den naam des Heeren Jezus, en door den Geest onzes Gods." En in den brief aan de Efeziërs wordt gezegd, dat Christus de Gemeente heeft liefgehad en zichzelven voor haar heeft overgegeven, opdat bij haar heiligde, haar reinigende door de wassching des waters door het woord. En hier wordt gezegd, dat God ons behouden heeft door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. De mensch toch is van natuur, naar zijn inwendig en uitwendig leven, boos en verontreinigd. God kan ons daarom op geen andere wijze behouden dan door ons te reinigen, want wij moeten rein zijn om met God in betrekking, in gemeenschap te kunnen treden. Die reiniging nu bestaat niet in een reiniging, van den buitenkant van het vat, maar in een reiniging die doordringt tot het binnenste - een reiniging door de wedergeboorte. Het nieuwe leven, ‘t welk ons door de wedergeboorte wordt medegedeeld, reinigt ons van onze vroegere gewoonten en gedachten, en is in ons de bron van nieuwe gedachten in overeenstemming met de nieuwe schepping, waarin wij overgebracht zijn, en waardoor wij in staat zijn gesteld om in de tegenwoordigheid Gods te verkeeren en het licht van Gods aangezicht te genieten.

De Heilige Geest brengt deze wedergeboorte tot stand. Het is de vernieuwing des Heiligen Geestes. Wij worden geboren uit water en Geest. De Geest is het, die levend maakt. Hij is van den beginne af de werkmeester in ons. Het woord Gods, 't welk het zaad der wedergeboorte is, is het middel, waarvan Hij zich bedient. Dit woord, 't welk levend en krachtig is, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, dringt door tot de verdeeling der ziel en des mergs, en is een oordeelaar der gedachten en der overleggingen des harten.

Doch niet alleen dit. De Heilige Geest is tevens de goddelijk werkende kracht in den geloovige. Hij werkt niet alleen de wedergeboorte; Hij brengt niet alleen deze vernieuwing tot stand; Hij schenkt niet slechts een nieuw leven en maakt ons deelgenooten eener nieuwe schepping; maar Hij wordt ook daarna in ons de bron van nieuwe gedachten en van een nieuwe gezindheid in overeenstemming met God - de bron van al wat tot het nieuwe leven, tot de nieuwe schepping behoort. God heeft door Jezus Christus, onzen Verlosser, den Heiligen Geest rijkelijk over ons uitgestort. De Heilige Geest wordt uitgestort over hen, die reeds door den Heiligen Geest wedergeboren en vernieuwd zijn. En deze uitstorting des Heiligen Geestes heeft plaats door Jezus Christus, onzen Verlosser; omdat God Hem als vrucht van zijn verlossingswerk den Heiligen Geest beloofd heeft om dien aan de zijnen te schenken. (Zie Lukas XXIV : 49.)

Hieruit volgt, dat dit werk des Heiligen Geestes een voortdurend werk is. Want hoewel Hij ons het leven medegedeeld en voor eeuwig in een nieuwe schepping overgebracht heeft, zoo is Hij steeds bezig om ons de dingen dier nieuwe wereld, in welke Hij ons ingevoerd heeft, te toonen en te doen genieten. Hij neemt de dingen van Christus, aan Wien alles toebehoort, wat de Vader heeft, en toont ze ons. Hij vervult onze harten voortdurend met de dingen, die boven zijn, waar Christus is, en vernieuwt zoo doende den nieuwen mensch naar het beeld desgenen die hem geschapen heeft. (Zie Kol. III : 10.)

God heeft ons behouden door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, opdat wij, door zijne genade gerechtvaardigd, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwigen levens. Om de gave des eeuwigen levens en de gave des Heiligen Geestes deelachtig te kunnen worden, moesten wij door de genade van Christus gerechtvaardigd worden, dat is, vrijgesproken van de zonden en vrijgemaakt van de macht der zonde. Zoo doende zijn wij erfgenamen geworden naar de hoop des eeuwigen levens. Ons erfdeel is in de onvergankelijke vreugde des eeuwigen levens.

Door de rijke gave des Heiligen Geestes is Gods macht aan ons betoond in de wedergeboorte, bezitten wij de kracht des Geestes, die ons verheft boven de dingen hier beneden, en ons het genot schenkt van de dingen, die boven zijn, en is ons oog gericht op dat eeuwige leven, waar wij de onvergankelijke vreugde en al de geestelijke zegeningen in Christus Jezus ongestoord zullen smaken.

De Apostel wenscht, dat Titus zich met deze dingen zal bezighouden en ze den geloovigen zal voorstellen. "Het woord is getrouw, en ik wil, dat gij op deze dingen aandringt, opdat zij, die God gelooven, zorg dragen om goede werken voor te staan; deze dingen zijn goed en nuttig voor de menschen." Gods genade in Christus alleen kan ons bewegen om den Heere welbehagelijk te wandelen. Het bewustzijn van de betrekking, waarin wij tot God staan, en van de gemeenschap, die wij met God hebben, vervult ons met liefde en begeerte om goede werken voor te staan, om ons leven den Heere toe te wijden. Is dit bewustzijn flauw; heeft twijfel onze ziel vervuld; of genieten wij niet de gemeenschap des Heeren; dan zijn wij niet alleen niet in staat om goede werken voor te staan, maar dan hebben wij er zelfs geen lust in. Daarom moet een dienstknecht des Heeren telkens weer de goedertierenheid en menschenliefde van God, onzen Verlosser, die zulke heerlijke gevolgen heeft, en waardoor wij in zulk een nauwe en innige gemeenschap met God gekomen zijn, prediken. Dat is de weg tot waarachtig geluk en het eenige middel tot ware heiligmaking.

Gedrongen door de liefde Gods in Christus is het onze vreugde goede werken voor te staan. Niet om ons aangenaam voor God te maken, maar omdat wij in Christus aangenaam voor Hem zijn, onderhouden wij Gods geboden; en deze geboden zijn geheel in overeenstemming met de nieuwe natuur, die wij ontvingen en met de gezindheid van ons hart. Dit is het tegenovergestelde van het wettische beginsel, 't welk bestaat in de poging om door het onderhouden van geboden zich aangenaam bij God te maken.

Dit wettische beginsel leidt steeds tot twist en tweedracht, tot scheuring en boozen handel. Daarom voegt de Apostel hier bij: "Maar onttrek u aan dwaze strijdvragen en geslachtrekeningen, en twisten en geschillen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel." (vs. 9.) De joodschgezinde leeraars gingen in die dagen overal rond in de gemeenten uit de volken om hunne meeningen omtrent de wet en hunne voorrechten naar het vleesch te verbreiden en voor te staan; en daardoor richtten zij veel onheil aan. De brieven aan de Romeinen, de Galatiërs en Kolossers bewijzen, hoeveel twist en ellende er door hen in die gemeenten gekomen was, en hoezeer de zielen afgetrokken werden van de eenvoudigheid des geloofs, en hun vrede en blijdschap in Christus en zijn werk verloren hadden. En waarlijk, het staat in onze dagen er niet beter bij. Eigenlijk is het slimmer. Want wat toen nog maar hier en daar ingang gevonden had, is thans tot een bepaald stelsel gemaakt, waaronder, meer of minder, alle Christenen lijden.

Doch niet alleen twist en tweedracht, ook scheuring is een vrucht van dit wettisch drijven. Scheurmaking is een groot kwaad, en moet met alle beslistheid worden tegengestaan. Indien iemand zijne eigene meeningen wil doordrijven, en daardoor partijen in de gemeente tracht te vormen, dan moet hij na de eerste en tweede vermaning worden verworpen of afgewezen, als een wiens geloof verkeerd is, en die zondigt, omdat hij bij zichzelven veroordeeld is. (vs. 10, 11.) De zoodanige is niet tevreden met de gemeente Gods en met de waarheid Gods; maar wil zijne eigene waarheid prediken en die ingang verschaffen. Maar waarom is hij een Christen geworden, indien het Christendom, zooals God het gegeven heeft, hem niet bevalt of niet voldoende is? Vormt hij dus een partij voor zichzelven, dan veroordeelt hij zichzelven, en zondigt. Verwerp daarom een sektarisch mensch na de eerste en tweede vermaning.

Aan het slot van dezen brief vernemen wij enkele beschikkingen des Apostels omtrent eenige arbeiders in het evangelie, waaruit wij zien, hoe het heil der Gemeente en ook het welzijn der arbeiders hem op het harte lag. Paulus wenschte, dat Titus te Nicopolis tot hem zou komen, omdat hij besloten had aldaar te overwinteren; doch hij wilde niet, dat de gemeenten op Creta alleen zouden worden gelaten, en daarom moest Titus zoo lang blijven, totdat Paulus Artemas of Tychicus gezonden had om in zijne plaats in de gemeente te arbeiden, (vs. 12.) Ook verblijdde hij er zich over, wanneer er andere, trouwe arbeiders, zooals Zenas, de wetgeleerde, en Apollos, kwamen om met de gaven te dienen, welke de Heer hun geschonken had. Van jaloerschheid was in de verte geen spraak. Alleen het heil der gemeente en hare opbouwing in het geloof woog hem. En hoe liefderijk zorgt hij voor de belangen dezer arbeiders! "Geleid hen zorgvuldig, opdat hun niets ontbreke," zoo beveelt hij Titus. En dan voegt hij er als een algemeene vermaning de voor ons allen zoo belangrijke woorden aan toe: "En dat ook de onzen leeren goede werken voor te staan voor de noodige behoeften, opdat zij niet onvruchtbaar zijn." (vs. 14.) In de behoeften van de arbeiders in het evangelie te voorzien; te zorgen, dat hun niets ontbreke; dat zijn de goede werken, waartoe de heiligen moesten worden opgewekt, en die als vruchten des geloofs en der liefde door den Heer zouden worden beloond.