"De waarachtige genade Gods, in welke gij staat."

 

God is ons geopenbaard als de "God van alle genade," en de positie, waarin wij gesteld zijn, is die van "te smaken, dat de Heer goedertieren is." Hoe moeielijk valt het ons dit te gelooven - dat de Heer genadig is. Het natuurlijk gevoel van ons hart is: "Ik weet, dat gij een hard mensch zijt." Van natuur missen wij allen het verstand van de genade Gods.

Somtijds wordt er gedacht, dat genade wil zeggen, dat God de zonde niet in aanmerking neemt; maar, neen! de genade vooronderstelt, dat de zonde iets zoo afschuwelijk slecht is, dat God ze niet dulden kan. Stond het in 's menschen macht, na onrechtvaardig en boos geweest te zijn, zijn wegen te veranderen en zichzelven te verbeteren, zoodat hij voor God bestaan kon, dan ware er geen behoefte aan genade. Het feit zelf, dat de Heer genadig is, bewijst, dat de zonde iets zoo slecht is, dat, nu de mensch een zondaar is, zijn toestand gansch verdorven en hopeloos is, en alleen vrije genade hem helpen en zijn nood vervullen kan.

Wij moeten leeren, wat God voor ons is, niet uit onze eigen gedachten, maar uit hetgeen Hijzelf geopenbaard heeft, dat Hij is, namelijk "de God van alle genade." Op het oogenblik, dat ik versta een zondig mensch te zijn, en dat nochtans God, wetende hoever mijne zonde zich uitstrekte, en hoe hatelijk die zonde was, tot mij kwam, versta ik wat genade is. Het geloof doet mij zien, dat God grooter is dan mijne zonde, en dat niet mijne zonde grooter is dan God.

De Heer, van Wien ik weet, dat Hij zijn leven voor mij heeft afgelegd, is dezelfde Heer, met Wien ik elken dag van mijn leven te doen heb, en al zijne handelingen met mij gaan uit van hetzelfde beginsel van genade. Het groote geheim om op te wassen is op te zien tot den Heer als de genadige God. Hoe kostelijk, hoe versterkend is het te weten, dat Jezus op dit oogenblik dezelfde liefde jegens mij gevoelt en oefent, als toen Hij voor mij stierf aan het kruis.

Dit is een waarheid, die door ons toegepast behoort te worden in de meest gewone alledaagsche omstandigheden des levens. Vooronderstel, bij voorbeeld, dat ik bij mijzelven een boos humeur ontdek, 't welk ik moeielijk kan overwinnen; laat ik het dan brengen tot Jezus als mijn Vriend - en er gaat kracht van Hem uit, naar ik ze behoef. Het geloof moet altijd in werking gebracht worden tegen de verzoekingen; niet mijn eigen pogen, want dat is altijd ontoereikend. De bron van ware kracht ligt in het bewustzijn, dat de Heer genadig is. De natuurlijke mensch in ons gelooft nooit, dat Christus de eenige bron van kracht en van allen zegen is. Vooronderstel dat mijne ziel uit de gemeenschap is, dan zegt het natuurlijke hart: "ik moet de oorzaak hiervan verbeteren, alvorens ik tot Christus komen kan;" maar Hij is genadig, en dit wetende, moet ik onmiddellijk tot Hem wederkeeren, juist zooals ik ben, en daarna mijzelven diep voor Hem verootmoedigen. Het is alleen in Hem en door Hem, dat wij zullen vinden hetgeen onze zielen herstellen zal. Verootmoediging in zijne tegenwoordigheid is de eenig ware verootmoediging. Indien wij voor Hem erkennen, dat wij zijn juist zooals wij zijn, dan zullen wij vinden, dat Hij ons niets zal bewijzen dan alleen genade

Het is Jezus, die blijvende rust schenkt aan onze zielen, niet wat wij aangaande onszelven denken. Het geloof denkt nooit aan hetgeen in onszelven is als grond van rust; het ontvangt, heeft lief en begrijpt, wat God geopenbaard heeft, en wat Gods gedachten zijn aangaande Jezus, in wien God zelf zijne rust heeft. Jezus kennende als den schat onzer zielen, oog en hart met Hem vervuld, is het onmogelijk ingenomen te worden met de ijdelheid en de zonde om ons heen; en zoo doende hebben wij ook kracht tegen de zonde en het bederf van ons eigen hart. Wat ik in mijzelven zie, dat niet is in Hem, is zonde; maar dan zal niet het denken aan mijn eigen zonde en eigen boosheid, en het bezig zijn daarmee, mij tot verootmoediging brengen. Daartoe kom ik alleen door te denken aan den Heer Jezus en het zien op de uitnemendheid, die in Hem is. Het is goed afgedaan te hebben met onszelven, en vervuld te zijn met Jezus. Wij hebben het recht onszelven en onze zonden te vergeten; wij hebben het recht alles te vergeten - behalve Jezus.

Er is niets zoo moeielijk voor onze harten als te blijven in het gevoel van genade, praktisch het bewustzijn te bewaren, dat wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade. Het is door genade, dat het hart "bevestigd" wordt; maar dan is niets zwaarder voor ons dan werkelijk te begrijpen de volheid der genade, die "genade Gods, in welke wij staan," en te wandelen in de kracht en het genot daarvan… Het is alleen in de tegenwoordigheid Gods, dat wij ze kunnen kennen, en het is ons voorrecht in die tegenwoordigheid te zijn. Zoodra wij uit de tegenwoordigheid Gods geraken, zullen onze eigene gedachten binnen in ons gaan werken, en onze eigene gedachten kunnen zich nooit verheffen tot de hoogte der gedachten Gods omtrent ons, tot de hoogte der "genade van God."

Het allerminste, wat ik recht had te verwachten, was reine, vrije genade, was "de genade van God." Het is alleen in gemeenschap met Hem, dat wij in staat zijn alles te beoordeelen volgens Zijne genade. Het is onmogelijk, wanneer wij blijven in het gevoel van Gods tegenwoordigheid, dat iets, wat het ook zijn moge, zelfs de toestand van de Gemeente, ons zou schokken; want wij rekenen op God, en dan wordt alles een kring en een plaats voor de werking Zijner genade.

Het hebben van zeer eenvoudige denkbeelden omtrent de genade is de ware bron onzer kracht als Christenen; en het blijven voor God in het bewustzijn der genade is het gansche geheim van heiligheid, vrede en gemoedsrust.

De genade Gods is zoo onbeperkt, zoo vol, zoo volmaakt, dat, als wij voor een oogenblik uit de tegenwoordigheid Gods geraken, wij het ware bewustzijn der genade missen en geen kracht hebben om ze te bevatten. Indien wij pogen ze te kennen buiten zijne tegenwoordigheid, zullen wij ze slechts verkeeren in ontuchtigheid. Als wij zien op de eenvoudige werkelijkheid van wat de genade is, dan is zij onbegrensd, zonder perken. Wij mogen zijn wat wij zijn (en het is niet mogelijk slechter te wezen dan wij zijn) in spijt van dit alles, hetgeen God is jegens ons, is Liefde. Noch onze vreugde, noch onze vrede hangen af van wat wij zijn voor God, maar van wat Hij is voor ons, en dat is: genade.

Genade vooronderstelt al de zonde en boosheid, die in ons is, en bestaat in de openbaring, dat door Jezus al die zonde en boosheid is weggedaan. Een enkele zonde is afgrijselijker voor God dan duizend zonden, ja, dan al de zonden der wereld zijn voor ons - en toch behaagt het God met de volledigste kennis van wat wij zijn, jegens ons niets anders te zijn dan Liefde.

In Rom. VII wordt de toestand beschreven van iemand, die is levend gemaakt, maar wiens geheele stelsel van redeneeringen het eigen ik tot middelpunt heeft… hij houdt geen rekening met de genade, met het eenvoudig feit, dat, hoe ook zijn toestand is, laat hem zoo slecht zijn als hij kan, God Liefde is en alleen liefde jegens hem. In plaats van op God te zien, is het alles "Ik", "Ik", "Ik". Het geloof ziet op God, zooals Hij zich geopenbaard heeft in genade. Mag ik u vragen: "Is het eigen-ik of mijn toestand het voorwerp des geloofs?" Neen, het geloof maakt nooit zijn voorwerp van hetgeen in mijn hart is, maar van Gods openbaring van Zichzelven in genade…

De genade heeft betrekking op hetgeen God is, en niet op hetgeen wij zijn, uitgenomen echter dat juist de grootheid onzer zonden slechts de uitgebreidheid der "genade Gods" verheerlijkt.

Terzelfdertijd moeten wij ons herinneren, dat het doel en de noodzakelijke uitwerking der genade is: onze zielen in gemeenschap te brengen met God - ons te heiligen door de ziel tot de kennis van God te voeren en tot het liefhebben van Hem. Daarom is de kennis der genade de ware bron van heiligmaking.

De zegepraal der genade wordt hierin gezien, dat, toen 's menschen vijandschap Jezus van de aarde had verworpen, Gods liefde door middel van diezelfde handeling verlossing had aangebracht, en tusschen getreden was om verzoening te doen voor de zonde dergenen, die Hem hadden verworpen. In het aangezicht van de volledigste ontwikkeling van 's menschen zonde, ziet het geloof de volkomenste ontvouwing van Gods genade. Ik ben van de genade afgegaan, indien ik den geringsten twijfel of de minste aarzeling heb omtrent Gods liefde. Ik zal dan spreken: "Ik ben ongelukkig, wijl ik niet ben, wat ik zou wenschen te zijn." Daarover loopt echter de vraag niet; maar hierover: of God is, wat wij wenschen zouden, dat Hij was; of Jezus alles is, wat wij zouden kunnen wenschen. Indien het bewustzijn van ons bestaan, van wat wij in onszelven vinden, eenige andere uitwerking heeft dan, bij zelfverootmoediging, ons te doen toenemen in aanbidding van hetgeen God is, dan hebben wij het terrein der genade alleen verlaten. Is er droefheid en wantrouwen in uw gemoed, zie of het niet is, omdat gij altijd roept: "Ik", "Ik", en Gods genade uit het oog verliest.

Het is beter te denken aan hetgeen God is dan aan hetgeen wij zijn. Dit zien op onszelven is in den grond werkelijke hoogmoed, gemis aan besliste overtuiging, dat wij nergens toe deugen. Zoolang wij dit niet zien, wenden wij nooit geheel den blik van onszelven af op God. Op Christus ziende, is het ons voorrecht onszelven te vergeten. De ware ootmoed bestaat niet zoozeer in het hebben van slechte gedachten over onszelven, als in het in 't geheel niet denken aan onszelven. Ik ben te slecht om waard te zijn, dat aan mij gedacht worde. Wat ik noodig heb, is mijzelven te vergeten en te zien op God, die inderdaad al mijne gedachten waardig is. Als het noodig is ootmoedig gestemd te worden omtrent mijzelven, wees er zeker van, dat dit de weg daartoe is.

Geliefden, indien wij zeggen kunnen, gelijk in Rom. VII: "In mij, dat is in mijn vleesch, woont geen goed," dan hebben wij juist lang genoeg over onszelven gedacht. Laat ons nu voortaan denken aan Hem, die jegens ons gedachten gehad heeft ten goede en niet ten kwade, lang vóór wij eenige gedachte over onszelven hadden gemaakt. Laat ons zien, wat zijne gedachten van genade omtrent ons zijn, en de woorden des geloofs tot de onze maken. "Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?"

 

J.N.D.