Zonder bloedstorting geen vergeving.

 

Aan het slot van ons artikel "Wanneer heeft Christus den toorn Gods gedragen?" zeiden wij, dat de leer, dat Jezus gedurende zijn geheele leven de zonden gedragen heeft ter onzer verzoening, de uitspraak der Schrift: zonder bloedstorting is geen vergeving, ter zijde stelt. Om het groote gewicht der zaak wenschen wij nog enkele oogenblikken hierbij stil te staan. De Schrift is op dit punt zoo beslist mogelijk. Een tal van uitspraken leert ons, dat onze verzoening en verlossing, onze rechtvaardiging en heiliging, de vergeving onzer zonden, ja, alle andere zegeningen, die ons deel zijn geworden, eenig en alleen het gevolg, de vrucht zijn van den dood van Jezus, van zijne bloedstorting aan het kruis; en daartegenover staat geen enkele uitspraak, die deze zegeningen voorstelt als de vrucht van Jezus' leven op aarde.

Eéne enkele Schriftuurplaats, die ik hier wensch aan te halen, en die al de menschelijke redeneeringen omtrent dit punt, omverwerpt, zou voldoende zijn om het bovengezegde te bewijzen. Ik bedoel Hebreën IX van het elfde vers af. Ik onderstreep de woorden, waarop het vooral aankomt. "Maar Christus, gekomen als Hoogepriester der toekomende goederen, is door den meerderen en volmaakteren tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is niet van deze schepping, noch door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed eens voor altijd ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing verworven hebbende. Want indien het bloed van bokken en stieren en de asch eener jonge koe, gesprengd op de onreinen, heiligt tot de reinheid des vleesches, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zichzelven onberispelijk Gode heeft opgeofferd, uw geweten reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen. En daarom is Hij middelaar eens nieuwen verbonds, opdat, nu de dood heeft plaats gevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. (Want waar een testament is, daar is het noodig, dat de dood des testamentmakers tusschenkomt; want een testament is van kracht, als men gestorven is, dewijl het nimmer kracht heeft, zoolang de testamentmaker leeft.) Waarom ook het eerste verbond niet zonder bloed is ingewijd…; en met bloed worden bijna alle dingen gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting is geen vergeving. Het was dan noodig, dat de zinnebeelden van de dingen, die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelsche dingen zelve door betere slachtoffers dan deze. Want Christus is niet ingegaan in het met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons, noch ook, opdat Hij zichzelven dikmaals zou opofferen, gelijk de hoogepriester alle jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed; anders had hij van de grondlegging der wereld af dikmaals moeten lijden. Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door de offerande van zichzelven. En gelijk het den menschen gezet is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, zoo zal ook Christus, eenmaal opgeofferd om veler zonden te dragen, ten tweeden male zonder zonden verschijnen aan hen, die hem verwachten tot behoudenis."

Uit deze woorden des Apostels blijkt:

1e. dat Christus, door met zijn eigen bloed eens voor altijd in te gaan in het hemelsche heiligdom, een eeuwige verlossing verworven heeft;

2e. dat het bloed van Christus ons geweten reinigt van doode werken;

3e. dat de verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond alleen is door den dood van Christus;

4e. dat er zonder bloedstorting geen vergeving is;

5e. dat de hemelsche dingen door het bloed van Christus gereinigd zijn;

6e. dat Christus door zijnen dood de zonde heeft te niet gedaan;

7e. dat Christus eenmaal geofferd is om veler zonden te dragen.

Doch wij behoeven ons bij deze woorden des Apostels, hoe afdoende die ook zijn, niet te bepalen.

Waardoor zijn wij met God verzoend geworden? "Wij, die zondaren waren, heeft Hij nu ook verzoend, in het lichaam zijns vleesches, door den dood, om ons heilig en onberispelijk en onstraffelijk voor zich te stellen." (Kol. I:22.) "Vijanden zijnde zijn wij met God verzoend geworden door den dood zijns Zoons." (Rom. V : 10.)

Waardoor zijn wij gerechtvaardigd? "Allen hebben gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd, door zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is, dien God heeft gesteld tot een genadetroon door het geloof in zijn bloed." (Rom. III:23-25.) Wij zijn "gerechtvaardigd door zijn bloed." (Rom. V: 9.)

Waardoor hebben wij de vergeving onzer zonden? De verlossing, die wij hebben door zijn bloed, is de vergeving der misdaden. (Efez. I : 7.) "Zonder bloedstorting is geen vergeving." (Hebr. IX : 12.) "Het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde." (1 Joh. I : 7.) "Hem, die ons liefheeft, en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed," zingt de Gemeente des Heeren in Openb. I : 5.

Waardoor hebben wij vrede met God? Christus heeft vrede gemaakt door het bloed zijns kruises. (Kol. I : 20.)

Waardoor zijn wij Gods eigendom geworden? "Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie," zoo zingt de Gemeente in den hemel. (Openb. V: 9.)

Waardoor zijn wij geheiligd? Wij zijn geheiligd door den wil van God, "door middel van de offerande des lichaams van Jezus Christus, eens voor altijd geschied." (Hebr. X: 10.) "Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden." (Hebr. XIII : 12.) "Door heiliging des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus." (1 Petr. I : 2.)

Waardoor hebben wij een gereinigd geweten? Door het bloed van Christus is ons geweten gereinigd van doode werken, om den levenden God te dienen; (Hebr. IX: 14.) en door het bloed van Christus zijn onze harten besprengd, en alzoo gereinigd van het kwaad geweten. (Hebr. X: 22.)

Waardoor is onze oude mensch of het lichaam der zonde teniet gedaan? Onze oude mensch is "met Christus gekruisigd, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan zij, opdat wij niet meer de zonde dienen… Want dat Hij gestorven is, is Hij eens voor altijd der zonde gestorven, en dat Hij leeft, leeft Hij Gode." (Rom. VI: 6, 10.) "Die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruisigd met de hartstochten en begeerten." (Gal. V : 24.)

Hoe zijn wij van de wereld verlost? Alleen door het kruis van onzen Heer Jezus Christus, door wien de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. (Gal. VI : 14.) Daarom kende de Apostel niemand meer naar het vleesch, zelfs Christus niet. Alles was een nieuwe schepping. Door den dood van Christus was het oude voorbijgegaan. (2 Kor. V: 16, 17.) En willen wij leven door de kracht des goddelijken levens, dan moeten wij altijd de dooding van Jezus in het lichaam omdragen, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar worde. (2 Kor. IV : 10.)

Op welke wijze zijn wij van den vloek en van de macht der wet bevrijd? Alleen door den dood van Christus, en in geenen deele door zijn leven of door zijne wetsvervulling. "Christus heeft, ons vrijgekocht van den vloek der wet, een vloek voor ons geworden zijnde; want er staat geschreven: "Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt." (Gal. III : 13.) "Alzoo zijt ook gij, mijne broeders! der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij eens anderen zoudt worden, van Hem, die uit de dooden is opgewekt, opdat wij Gode vrucht dragen." (Rom. VII : 4.) "Want ik ben door de wet aan de wet gestorven, opdat ik Gode leve. Ik ben met Christus gekruisigd, en ik leef niet meer ik, maar Christus leeft in mij." (Gal. II: 19, 20.)

Wat is het hoofddoel van Jezus' komst op aarde? het fondament van zijne heerlijkheid als mensch? "Wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, met heerlijkheid en eer gekroond, opdat hij door de genade Gods voor alles den dood smaken zou." (Hebr. II : 9.)

Waardoor is de macht des Satans verbroken? Dewijl dan de kinderen bloed en vleesch deelachtig zijn, zoo heeft ook hij desgelijks deel daaraan genomen, opdat hij door den dood te niet zou doen hem, die de macht des doods had, dat is den duivel, en allen verlossen zou, die door vreeze des doods, hun geheele leven door, aan de slavernij onderworpen waren." (Hebr. II : 14, 15.) De overheden en de machten ontbloot hebbende, heeft Hij hen in het openbaar tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd. (Kol. I : 15.)

Waardoor zal de reiniging en de verzoening aller dingen tot stand worden gebracht? Door het bloed van Christus. "Want het was het welbehagen der gansche volheid in Hem te wonen, en door Hem alle dingen tot zichzelve te verzoenen, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door Hem, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn." (Kol. I:20.) "Het was dan noodig, dat de zinnebeelden van de dingen, die in de hemelen zijn, hierdoor (dat is door bloed) gereinigd worden, maar de hemelsche dingen zelve door betere slachtoffers dan deze." (Hebr. IX : 23.)

Uit kracht waarvan is de groote Herder der schapen uit de dooden wedergebracht? "Door het bloed des eeuwigen verbonds." (Hebr. XIII: 20.)

Waardoor is ons de toegang verleend tot het hemelsche heiligdom? "Wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, den nieuwen en levenden weg, dien Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel heen, dat is zijn vleesch." (Hebr. X : 19, 20.) En toen Jezus gestorven was, scheurde het voorhangsel van boven naar beneden, en was de weg tot God geopend.

Hoe is Jezus geworden het aantrekkingspunt voor de zijnen? "En ik, wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal allen tot mij trekken," zoo sprak Jezus. "En dit zeide hij, aanduidende, welk een dood hij sterven zou," voegt Johannes er bij. (Joh. XII: 32, 33.) "Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, blijft het alleen, maar indien het sterft draagt het veel vrucht" (vs. 24.) Geen vereeniging met Christus dan in de opstanding, en dus geen vereeniging met Hem dan door zijnen dood henen.

Waardoor is de middelmuur der omtuining verbroken, en tusschen Joden en Heidenen vrede gemaakt? Alleen door zijn kruis. "Want hij is onze vrede, die beiden één gemaakt en den middelmuur der omtuining verbroken heeft, toen hij in zijn vleesch de vijandschap, de wet der geboden, bestaande in inzettingen, te niet gedaan had, opdat hij die twee in zichzelven tot éénen nieuwen mensch zou scheppen, vrede makende, en beiden in één lichaam met God verzoenen zou door het kruis, de vijandschap door hetzelve gedood hebbende." (Efez. II:14.)

En slaan wij nu nog ten slotte onzen blik op de beide instellingen, door den Heer aan zijne Gemeente gegeven, waarin het geheele werk van Christus wordt afgebeeld - op den doop en het avondmaal.

Door den doop belijden wij met Christus te zijn gestorven, van de wereld afscheid genomen te hebben, om voortaan in nieuwheid des levens te wandelen. "Wij zijn dan met Hem begraven door den doop tot den dood, opdat, gelijk Christus uit de dooden opgewekt is door de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij zouden wandelen in nieuwheid des levens." (Rom. VI:1.) "Zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook mede opgewekt zijt door het geloof in de werking Gods, die hem uit de dooden heeft opgewekt." (Kol. II:12.)

En aan het avondmaal, 't welk Jezus instelde ter zijner gedachtenis, gaf Hij in brood en drinkbeker de zinnebeeldige voorstelling van zijn voor ons overgegeven lichaam en van zijn voor ons vergoten bloed. Wij verklaren daar aan dien gezegenden disch, dat wij gemeenschap hebben aan het lichaam en aan het bloed van Christus; en wij verkondigen daar, zoo dikwijls wij dat brood eten, en den drinkbeker drinken, den dood des Heeren, totdat Hij komt. (1 Kor. X: 16, XI: 28.) Toen Jezus aan den avond van den dag zijner opstanding in het midden zijner discipelen verscheen, zeide Hij: "Vrede zij ulieden", en toonde hun daarbij de teekenen in zijne handen en zijne zijde, als wilde Hij zeggen: "Vrede door het bloed mijns kruises." En in den hemel, als wij den troon van God omringen, en onze lofzangen den Heere brengen zullen, is in het midden van den troon: een Lam, staande als geslacht, tot wiens eer de heiligen zingen: "Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie."

 

Derhalve zijn al de zegeningen, die het deel der verlosten geworden zijn, een gevolg van den dood en de bloedstorting van Christus. Onze rechtvaardiging en heiliging, onze verzoening en verlossing, de vergeving onzer zonden en den vrede met God, onze vereeniging met Christus en het bezit van het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid, en zoovele andere zegeningen, als ons deel geworden zijn - zij zijn alleen ons deel geworden door den dood van Christus. En evenzeer is het teniet doen der zonde, de overwinning over den duivel, de verzoening des heelals, de heerlijkheid van Christus als koning Israëls en der volken eenig en alleen het gevolg van Jezus' lijden en sterven aan het kruis. Hoe belangrijk en noodzakelijk het leven van Christus ook geweest is gelijk wij in ons vorig nummer aantoonden - zoo heeft dit leven ons de verzoening en verlossing, de reiniging en de vergeving niet aangebracht. Het kon dit niet doen. De Heere Jezus zou geheel alleen gebleven zijn; niemand zou ooit met Hem zijn verbonden geworden; niemand had ooit deel gekregen aan de heerlijkheid, indien Hij niet gestorven ware. Zijn leven - van het begin tot aan het einde - was een liefelijke reuk voor God; zijne gehoorzaamheid verheerlijkte God; zijne wetsvervulling rechtvaardigde de eischen van God; maar dit alles kon in geen enkel opzicht onze zonden verzoenen, onze schuld bedekken, den vloek der wet van ons wegnemen; daartoe was zijn dood noodzakelijk. Zijn heilig leven veroordeelde ons des te meer. Maar nu Hij, die geen zonde gekend of gedaan heeft, zich in onze plaats in den dood overgaf, en zoo doende de door ons verdiende straf onderging; nu Hij, die de wet geheel vervulde en hare eischen verheerlijkte, een vloek werd voor ons door aan een kruis te sterven, - nu zijn wij vrij van de straf en de zonde en den vloek.