Correspondentie.

 

8. L.B. te Sneek. - Uit Kol. II : 11 en 12 blijkt, dat de doop geenszins in plaats van de besnijdenis gekomen is. Paulus leert ons, dat wij, die gelooven, door den dood van Christus op het kruis, in werkelijkheid, deelachtig zijn, wat door de besnijdenis in IsraŽl was voorafgeschaduwd. De besnijdenis stelde voor de wegneming van het booze vleesch; en Paulus zegt, dat wij besneden zijn met een besnijdenis, niet met handen verricht, in de uittrekking van het lichaam des vleesches, door de besnijdenis van Christus. Wie in Christus gelooft, is dus besneden met een besnijdenis, die zonder handen is verricht, daar Christus op het kruis het lichaam des vleesches, dat is de in het vleesch wonende zonde, heeft te niet gedaan. Aan het kruis werd Hij tot zonde gemaakt, en door God in onze plaats geoordeeld. Wie door het geloof in Christus daaraan deel gekregen heeft, wordt gedoopt, en is in den doop met Christus begraven, en mede opgewekt door het geloof in de werking Gods, die Hem uit de dooden opgewekt heeft.

De doop is dus niet in plaats van de besnijdenis gekomen, maar wij, die gelooven, zijn besneden door de besnijdenis van Christus op het kruis, in de uittrekking van het lichaam des vleesches, en wij worden daarna in den doop, als met Christus gestorvenen, met Christus begraven. Uit de Handelingen der Apostelen en uit de brieven van Paulus blijkt trouwens duidelijk, dat de eerste Christenen geenszins den doop als in plaats der besnijdenis gekomen beschouwden. De geloovigen uit de Joden, hoewel gedoopt, lieten hunne kinderen besnijden; en Paulus liet zelfs TimotheŁs besnijden, hoewel hij gedoopt was. En tot de Christenen uit de heidenen in GalatiŽ, die door de joodschgezinde leeraren in verwarring werden gebracht, zegt de Apostel niet: gij zijt gedoopt, en gij behoeft u niet te laten besnijden, want de doop is in de plaats der besnijdenis gekomen; maar: wanneer gij meent, dat het geloof in Christus niet voldoende is om zalig te worden, en gij nog besneden moet worden om voor God te kunnen bestaan, dan is Christus u niet nut, en zijt gij van de genade vervallen.


9. C. B. te Zaandam. - Hoewel het woord "verbond" meermalen in de Schrift, figuurlijk en vergelijkenderwijze, gebruikt wordt, evenals het woord "wet", dat menigwerf gebezigd wordt voor het geheele Woord van God, (zie b.v. Rom. III : 19.) zoo zijn er, naar de uitspraken der Schrift, strikt genomen, slechts twee verbonden - het oude en het nieuwe, het eerste en het tweede verbond. Het eerste werd gesloten bij den berg SinaÔ. Het tweede zal gesloten worden met het huis van IsraŽl en het huis van Juda, als de Heer wederkomt. Dit nieuwe verbond, waarvan Jezus de Middelaar is, is gegrond in zijn bloed. Verlost van de overtredingen onder het eerste verbond, wordt Gods wet in hunne harten geschreven, en zijn zij in staat, door Christus, in het verbond te blijven. (Zie Hebr. IX en VIII.)

Uit Ex. XIX blijkt, dat het verbond, door God met IsraŽl gesloten, een overeenkomst was op door God gestelde en door IsraŽl aangenomen voorwaarden. "Indien gij naarstiglijk mijner stem zult gehoorzamen en mijn verbond houden, zoo zult gij mijn eigendom zijn." (vs. 5.) Zoo liet God door Mozes tot IsraŽl zeggen. En het volk antwoordde: "Al wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen." (vs. 8.) Het volk nam dus de door God gestelde voorwaarde aan, en trad in het verbond. "En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den Heer," zoo lezen wij in vs. 8. Dit verbond werd door IsraŽl gebroken, nog eer de tafelen der wet in het leger gekomen waren. En zoo moest het gaan; want elke overeenkomst, die de mensch met God sluit, wordt door den mensch, die een zondaar is, verbroken. God blijft getrouw, maar de mensch is steeds ontrouw. In zijne genade zal God evenwel een nieuw verbond met zijn volk sluiten; doch dat verbond zal niet zijn naar het verbond, dat Hij met hunne vaderen maakte; want dit verbond is gegrond in het bloed van Christus, door hetwelk de overtredingen zijn uitgewischt en de weg ten leven is geopend.