Het lijden van Christus vr en op het kruis.

 

Zekere meeningen, welke in onze dagen onder de geloovigen verbreid worden omtrent het lijden van Christus, geven mij aanleiding om de aandacht der Christenen te bepalen bij dit onderwerp, en bij enkele eenvoudige, maar belangrijke onderscheidingen, die wij behooren te maken ten opzichte van het karakter en van de natuur van dit lijden.

Het medegevoel van Christus is zoo kostelijk voor de geloovige ziel; het is zoo bemoedigend en zoo vertroostend tevens voor ons, dat Jezus aan onze smarten hier beneden, in deze wereld van zedelijke ellende, heeft deelgenomen; dat wij niet genoeg kunnen trachten om dit medegevoel in onze harten te verwezenlijken, noch ons genoeg kunnen wachten voor elke dwaling op dit punt; en dat zooveel te meer, daar het karakter van het lijden van Christus, meer of min, in verband staat met zijn persoon en zijne natuur.

Allereerst moeten wij het lijden, dat Christus van den kant der menschen heeft ondergaan, onderscheiden van het lijden, dat van Gods wege over Hem gekomen is. De oorzaak en het gevolg zijn gelijkelijk verschillend.

Christus heeft van den kant der menschen geleden. Hij werd door de menschen veracht en verworpen. Hij was een man van smarten, verzocht door lijden. De wereld vervolgde Hem met haar haat, eer zij zijne discipelen haatte. Zij haatte Hem, omdat Hij van haar getuigde, dat hare werken boos waren. Hij was het licht, en een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en gaat tot het licht niet, omdat zijne werken boos zijn. Met n woord, Christus heeft geleden om der gerechtigheid wil. Zoo ging het ten allen tijde, en in dezen zin is de geschiedenis van Abel een type van de geschiedenis van Christus. Kan stond tegen Abel op, en sloeg hem dood, omdat zijne werken boos waren, en die van zijnen broeder rechtvaardig. De liefde, welke den Heiland drong om de menschen, in deze wereld, te dienen, en om getuigenis te geven van den toestand der zonde, waarin zij zich bevonden, bracht allerlei lijden over Hem. Voor zijne liefde vond Hij haat - een haat, die steeds toenam, totdat zij in hunnen ijdelen triomf voorbij het kruis liepen en tergend uitriepen: "Ha, ha!" De gerechtigheid en de liefde, en hetgeen, feitelijk, de openbaring van de natuur en de wegen Gods was, deden den onverzoenlijken haat van het hart en van den wil des menschen te voorschijn komen. Christus leed, van den kant des menschen, om der gerechtigheid wil.

Maar Christus leed ook van Gods wege op het kruis. Het behaagde Jehovah Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt. Als zijne ziel zich tot een schuldoffer zou gesteld hebben, dan zou Hij zaad zien. Hij, die geen zonde gekend heeft, is zonde voor ons gemaakt. Toen werd Hij om onze overtredingen verwond, en om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. Toen leed Hij, Hij de rechtvaardige, voor de onrechtvaardigen. Hij leed, niet omdat Hij rechtvaardig was, maar omdat wij zondaars waren, en omdat Hij onze zonden droeg in zijn lichaam op het hout. Toen God Hem verliet, kon Hij zeggen: "Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?" Want in Hemzelven was er geen enkele beweeggrond voor dit verlaten-zijn. Wij echter, wij kunnen op deze plechtige vraag antwoorden, en zeggen: In genade leed Christus, de rechtvaardige, voor de onrechtvaardigen; Hij is zonde voor ons gemaakt geworden.

Derhalve, ik herhaal, Jezus leed in zijn leven als mensch om der gerechtigheid wil van den kant des menschen; maar als de stervende Heiland leed Hij van Gods Wege voor de zonde. De Psalmen zullen ons het resultaat van deze beide soorten van lijden voorstellen.

In Ps. XX en XXI wordt de Messias, profetisch, beschouwd als lijdende op aarde van den kant des menschen: het is "de dag der benauwdheid;" zijne vijanden hebben kwaad tegen Hem aangelegd, en een schandelijke daad bedacht, die zij evenwel niet ten uitvoer brengen kunnen. Doch Hij begeert het leven van God, en het wordt Hem geschonken: lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos; en Hij wordt bekleed met majesteit en heerlijkheid. En wat is het gevolg van deze verheerlijking van Christus door Jehovah tegenover de verachting en het geweld der goddeloozen? Het is het oordeel; want zijne hand zal al zijne vijanden vinden; Hij zal hen zetten tot een vurigen oven ter tijd zijns toorns, volgens hetgeen Hij-zelf gezegd heeft: "doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt hen hier, en slaat hen voor mij dood." Dezelfde voorstelling vinden wij in Ps. LXIX: 1-24. Het gevolg van het lijden van Christus van den kant der goddeloozen is het oordeel over dezen.

In Ps. XXII vinden wij, naast al zijn lijden van den kant des menschen, en toen dit het toppunt bereikt had, het lijden van Christus van Gods wege, toen God, zijn eenige toevlucht onder het lijden, dat de menschen Hem aandeden, Hem verliet. (vs. 1-21.) En wat is het resultaat? Hier draagt Christus de zonde, of ten minste hier is Hij onder de gevolgen van het dragen der zonde; het is het oordeel, het is de toorn, dien wij verdiend hadden. Doch Hij kwam om de zonde te niet te doen door de offerande van zichzelven; en daarom is het gevolg van dit lijden enkel genade - genade onvermengd en volkomen. Wie moest er gestraft worden, waar Jezus den beker, dien de Vader Hem te drinken gaf, geledigd had? Hij is verhoord; en God neemt het nieuwe karakter aan van Hem, die Jezus uit de dooden heeft opgewekt, en die Hem heerlijkheid gegeven heeft, omdat Jezus God volkomen verheerlijkt heeft ten opzichte van de zonde. Jezus is opgewekt uit de dooden door de heerlijkheid des Vaders. En onmiddellijk vertelt Hij den naam van zijn God en Vader aan zijne broeders: "Ik zal Uwen naam mijnen broederen vertellen." Zoo deed Hij inderdaad, toen Hij tot Maria Magdalena zeide: "Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga heen tot mijne broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God." Het getuigenis is van nu af aan genade, en Jezus leidt het lofgezang zijner verlosten. Daarna prijst gansch Isral, de groote vergadering, Jehovah; vervolgens stemmen alle einden der aarde met den lofzang in; de vetten op aarde eten en aanbidden; allen die in het stof nederdalen; en het zaad, dat geboren zal worden, wanneer die tijd des vredes zal zijn aangebroken, zal de wondervolle geschiedenis hooren van wat Christus deed, dingen waarin de engelen begeerig zijn in te zien. Het is een zuivere stroom van genade en zegen, die vloeit tot aan de einden der aarde, en die zich uitstort door alle tijden heen tot het geslacht, dat in het vrederijk zal geboren worden.

Zoodanig is de uitwerking van het kruis. Geen enkel woord over oordeel volgt op de dingen, die van het kruis ons toevloeien. Het lijden, dat wij dr aanschouwen, is het oordeel over de zonde, en tegelijkertijd de tenietdoening van de zonde. Het oordeel is gedragen; en het is door zijn voltrekking aan het slachtoffer, dat zichzelven, in genade, in de plaats der ware schuldigen had gesteld, voor altijd voorbij gegaan; en indien wij, gelijk zulks het geval zal wezen, voor den rechterstoel van Christus zullen openbaar worden, dan zullen wij verschijnen voor Hem, die onze zonden heeft weggedaan; ja, wij zullen daar staan, omdat Hij-zelf gekomen is om ons af te halen, opdat waar Hij is, ook wij zijn zouden.

Derhalve, Christus leed op het kruis van Gods wege, en lijden van Gods wege is lijden voor de zonde, niet voor de gerechtigheid. De uitwerking van dit lijden is enkel genade, - een genade, die thans vrijelijk ons kan toestroomen. Christus is gedoopt met den doop, waarmede Hij gedoopt moest worden; en Hij is voortaan niet meer belemmerd in de verkondiging en mededeeling zijner liefde. Toen daarentegen Christus leed van den kant des menschen, gedurende zijn gansche loopbaan hier beneden tot aan zijnen dood toe, leed Hij voor de gerechtigheid; want Hij had in zich geen zonde, waarvoor Hij had kunnen lijden. Hij was in de oogen der menschen geen plaatsvervangend offer. Het gevolg van dit lijden door de macht van den mensch is het oordeel, dat bij zijne wederkomst zal worden uitgevoerd - een oordeel, dat reeds, naar Gods voorzienig bestuur, gekomen is in de verwoesting van Jeruzalem, doch dat ten volle zal komen, als Christus wederkomt.

Doch er is nog een andere tegenstelling, die even belangrijk voor ons is. Christus leed voor de zonde, opdat wij nimmermeer voor de zonde zouden behoeven te lijden. Wij zijn genezen door zijne wonden, maar wij deelen ze niet met Hem. De toorn, dien Christus gedragen heeft, toen Hij door God verlaten werd, heeft Hij alleen gedragen, en dat juist daarom, opdat wij nooit een enkelen droppel van dien schrikkelijken, bitteren, voor ons ondragelijken beker zouden smaken. Zouden wij dien beker drinken, dan moest het zijn als verdoemde zondaren. Maar aan het lijden van Christus om der gerechtigheid wil, en aan het lijden, dat het gevolg was van zijne liefde voor ons, kunnen wij deelnemen, hoe zwak en arm ons geloof ook zijn moge. Het is ons gegeven, niet alleen in Hem te gelooven, maar ook voor Hem te lijden; indien wij met Hem lijden, zoo zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden. Lijden wij voor de gerechtigheid, zoo zijn wij welgelukzalig; en nog gelukkiger, als wij lijden voor zijnen Naam. Dan rust de Geest der heerlijkheid en van God op ons. Wij kunnen er ons over verheugen, dat, indien wij deel hebben aan het lijden van Christus, wij ons ook, als zijne heerlijkheid zal geopenbaard worden, zullen verblijden met een onuitsprekelijke vreugde. Dit lijden voor de gerechtigheid en voor Christus wordt onderscheiden door den Heer zelven in Matth. V : 10, 11, en door Petrus in zijnen eersten brief, hfd. III : 17 en IV : 14.

Het beginsel van dit lijden voor de gerechtigheid en voor Christus is hetzelfde, in zooverre het staat tegenover het lijden voor de zonde en voor het kwaad. Het onderscheid tusschen lijden voor het goede en voor het kwade wordt op een merkwaardige wijze door Petrus uiteengezet, daar beiden door Christus zijn doorgestaan, en wij voor het laatste gewaarschuwd worden. In zijnen eersten brief (Hfd. II : 19-23.) stelt Petrus ons den lijdenden Christus ten voorbeeld; in vs. 23 spreekt hij over de beleedigingen en mishandelingen, welke de menschen Hem aangedaan hebben; en in vs. 24 voegt hij daaraan toe: "Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout," daardoor aantoonende, dat Christus, alzoo lijdende, dit deed, opdat wij der zonden afgestorven zouden zijn, en niet meer voor de zonden zouden behoeven te lijden. Doch dit wordt, gelijk ik zeide, op een merkwaardige wijze voorgesteld in het derde hoofdstuk van denzelfden brief, in de verzen 17 en 18. In vs. 14 had de Apostel gesproken van het lijden om der gerechtigheid wil. Daarna voegt hij er bij, dat het beter is, indien het de wil van God eischt, goeddoende te lijden dan kwaaddoende; want, zegt hij, ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden; dat wil zeggen; dit is niet uw deel in het lijden; Hij heeft eenmaal aldus geleden voor allen. Wij kunnen waardig geacht worden om der gerechtigheid wil te lijden; maar te lijden voor de zonde is, voor wat den Christen aangaat, het deel geweest van Christus alleen.

Ik moet thans wijzen op twee andere soorten van lijden van onzen Heer. Vooreerst, zijn hart, dat liefde was, moest noodzakelijkerwijze lijden door het ongeloof van den mensch en door zijne verwerping door het joodsche volk. Wij lezen van zijn zuchten, toen Hij de ooren van den doove opende, en de tong van den stomme losmaakte. (Mark. VII : 34.) Wij vernemen van zijn diep zuchten in zijnen geest, toen de farizen een teeken begeerden. (Mark. VIII : 12.) En bij het graf van Lazarus zien wij Jezus weenen en heftig bewogen worden in den geest, op het zien van de macht, die de dood had over den geest des menschen, en van de onbekwaamheid om er zich van te bevrijden. (Joh. XI.) Hij weende ook over Jeruzalem, toen Hij zag, hoe de geliefde stad op het punt stond Hem te verwerpen, die in genade tot haar gekomen was. (Luk. XIX: 41.) Dit alles was het lijden van een volmaakte liefde, die zich bewoog te midden van een tooneel van ellende en verderf, waarin de eigen wil en de ongevoeligheid des harten zich van alle kanten tegen deze liefde en haar ijverig werken verzette. Hoewel er gezegende oogenblikken waren, waarin de ziel van Jezus, gelukkig in de uitoefening zijner liefde, zich verheugde in de velden wit om te oogsten, zoo was toch zijn dienst een voortdurende bron van smart. Deze smart en deze vreugde, welke de smart verlicht, is, Gode zij dank! ook ons gegeven, in onze geringe mate, met Hem te deelen. Het is het lijden van de liefde zelve.

Doch ik twijfel er niet aan, of nog een andere last drukte dikwerf op onzen Heer gedurende zijn verblijf hier beneden; en dit moest zoo zijn, alhoewel ook dan zijne volmaaktheid schitterde in een volkomene onderwerping aan den goddelijken wil. De last, dien ik bedoel, was het vooruit gevoelen, (toen de tijd daartoe gekomen was,) van het lijden des kruises in al zijn schrikkelijk gewicht. Hoe menigmaal zijn wij niet gedrukt en geperst door de gedachte aan lijden, dat ons wacht - en wat is ons lijden in vergelijking met het Zijne! Op zijn pad des levens moest Hij den dood tegengaan. Hij kon zich niet vereenigen met de uitnemenden der aarde (het overblijfsel); Hij kon hen niet invoeren in de ware, eeuwige gelukzaligheid, zonder door den dood te gaan, en wel door den dood als de bezoldiging der zonde - want zij waren zondaars. Indien het tarwegraan niet in de aarde valt en sterft, blijft het alleen. Op dezen weg kon niemand Hem volgen, zoomin zijne discipelen als de Joden, gelijk Hij-zelf zeide. En de dood was voor Hem de dood, de algeheele zwakheid des menschen, het toppunt van de macht des Satans, de rechtvaardige gramschap van God; en Hij stond alleen, zonder dat iemand met Hem medeleed, verlaten van allen, die Hij liefhad, terwijl al de anderen zijne vijanden waren! De Messias, overgeleverd aan de heidenen, is ter neder geworpen; (zie Ps CII.) de rechter, den onschuldige veroordeelende, wascht de handen in onschuld; en de priesters, in plaats van te pleiten voor den schuldige, treden tegen den onschuldige op. Alles is duisternis, zonder een enkelen straal van licht, zelfs van de zijde Gods. Hier was volmaakte gehoorzaamheid noodzakelijk, en Gode zij dank! zij was er. Maar wij kunnen eenigermate begrijpen, wat het vooruitzicht van dit lijden moet geweest zijn voor een ziel, die het aanzag met de gevoelens van een mensch, die volmaakt was in gedachte en begrip door het goddelijk licht, dat in Hem was.

Twee merkwaardige voorbeelden van dit zielelijden des Heeren worden ons gegeven in Johannes XII en in Gethsman. Hoewel bij het laatste lijden geen ander dan het kruis zelf te vergelijken is, zoo sluiten deze voorbeelden geenszins de gedachte uit, dat onze Heer nog door andere uren van angst is heengegaan, en doen zij ons ook niet zien, wat Hij ondervond, toen Hij in volkomene kalmte tot zijne discipelen over zijn aanstaand lijden sprak. In Joh. XII lezen wij: "Nu is mijne ziel ontroerd; en wat zal ik zeggen? Vader! verlos mij uit deze ure." De komst der Grieken opende voor zijnen blik het tooneel van den verworpen Christus, gaande in de veel grootere heerlijkheid van den Zoon des menschen; doch daartoe moest het tarwegraan in de aarde vallen en sterven. Zoo staat dan de werkelijke en noodzakelijke weg tot zijne heerlijkheid - de dood - in zijn volle beteekenis en in al zijn gevolgen voor zijne ziel - en Hij ziet uit naar verlossing: "Vader! verlos mij uit deze ure." Hij kon onmogelijk begeeren; Hij kon niet anders dan vreezen, van God verlaten te worden en den beker des doods te drinken. Maar Hij gaf zich over. Dit was de ware godsvrucht in het gezicht van zulk een weg, als thans voor zijne ziel stond. Hij is verhoord geworden om zijne godsvrucht. (Hebr. V.)

In Gethsman, toen de ure nog nader gekomen was, bereikte dit lijden, deze beproeving of verzoeking, zijn toppunt: de ziel des Heeren was geheel bedroefd tot den dood toe; de beker werd Hem, om zoo te spreken, aan de lippen gezet, hoewel Hij dien nog niet dronk, want Hij wilde dien alleen uit de hand zijns Vaders aannemen. De verzoeker, die bij den aanvang van Jezus' dienstwerk den Heer verzocht had in de woestijn en op de tinne des tempels door de dingen, die voor het vleesch aangenaam zijn, en die daarna, gedurende Jezus' leven, gebonden en van zijne goederen beroofd was geworden, kwam nu weder om den Heer te verzoeken met alles, wat de ziel eens menschen moest verschrikken, en inzonderheid de ziel van Jezus, indien Hij namelijk tot den einde toe in zijne gehoorzaamheid en in zijn werk wilde volharden. Een macht, die in staat was om den mensch van de heerschappij des vijands te verlossen, was geopenbaard geworden, maar de mensch had den Verlosser niet gewild. Wilde de Heer nochtans volharden ten behoeve van zulk een schuldig en verloren geslacht, dan moest Hij niet een machtige en levende Verlosser, maar een stervende Heiland zijn. Dat was het pad der gehoorzaamheid en der liefde. "De overste der wereld komt, en heeft in mij niets. Maar opdat de wereld erkenne, dat ik den Vader liefheb; en gelijk mij de Vader geboden heeft, alzoo doe ik." (Joh. XIV.)

Gedurende deze twee soorten van lijden evenwel, bij welke wij stilstonden, vinden wij den Heer altijd in gemeenschap met zijnen Vader, hoewel sprekende met Hem over den beker, dien Hij ledigen moest; en zijne gehoorzaamheid straalt ons in al hare volmaaktheid tegen. Jezus is nog niet door God verlaten, hoewel Hij met zijnen Vader spreekt over den beker, waarvan het kenmerkende was, dat Hij van God verlaten zou worden. "Vader! verlos mij uit deze ure. Maar daarom ben ik in deze ure gekomen. Vader! verheerlijk uwen naam!" (Joh. XII: 27.) Op zijne gehoorzaamheid tot in den dood, als het oordeel over de zonde, ontvangt Jezus hier het antwoord eener wezenlijke en volkomene overwinning, en van de heerlijke openbaring der liefde Gods, hoewel de wereld tegelijkertijd geoordeeld wordt. In Gethsman gaat het evenwel verder. Daar was de macht der duisternis; daar was de angst des Heeren veel grooter; zij trad naar buiten in de weinige woorden, die Hij uitriep, en in het zweet, dat gelijk groote droppelen bloeds op de aarde viel. (Luk. XXII: 41-44.) Nochtans was zijne gehoorzaamheid volmaakt. De verzoeker is volkomen overwonnen, en de bloote naam van Jezus is voldoende om al zijn vijanden achterwaarts te doen gaan en ter aarde te doen vallen. (Joh. XVIII : 6.) Wat hun betreft, en wat de macht des Satans aangaat, is Jezus vrij. Maar de Vader had Hem den beker te drinken gegeven, en Hij biedt zichzelven vrijwillig aan om dien te ledigen, tegelijkertijd zijne onverzwakte macht toonende, opdat Hij geen van degenen, die Hem gegeven waren, zou verliezen. Wondervol tooneel van gehoorzaamheid en liefde! Doch hoe groot dit lijden ook moge geweest zijn - en wie zou het kunnen uitspreken? - het was toch altijd de vrije beweging van het hart eens menschen in genade, van een mensch volmaakt in gehoorzaamheid aan God. "Den drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?" (Joh. XVIII : 11.) De ongelukkige werktuigen van de macht des boozen verdwijnen hier geheel en al uit het gezicht voor de opoffering van Christus van Zichzelven in gehoorzaamheid en liefde! De macht des doods, zoowel als die des vijands, heeft Hij doorgestaan met zijnen Vader; zij is voorbijgegaan; en thans neemt Hij, in een gezegende en vrijwillige gehoorzaamheid, den schrikkelijken drinkbeker uit de hand des Vaders aan. Nooit kunnen wij genoeg den weg, dien Christus hier heeft bewandeld, bepeinzen. Wij kunnen daar leeren, wat geen ander tooneel ons leeren kan - een volmaaktheid, zooals zij alleen bij Hem gevonden wordt, en van Hem te leeren is.

Doch ik moet nog stilstaan bij andere smarten, welke onze Heer geleden heeft. De zonde zelve moet een voortdurende bron van lijden voor Hem geweest zijn. Indien Lot, die in zijn wandel zoo ver van God verwijderd was, zijne rechtvaardige ziel gekweld heeft door het zien en hooren van de goddeloosheden der inwoners van Sodom, hoeveel meer heeft dan niet de Heer moeten lijden, toen Hij door deze wereld ging! Ongetwijfeld was de Heer, daar Hij steeds de plaats innam, welke God Hem aanwees, niet alleen in zekere mate, maar door den aard zijner gevoelens, veel kalmer dan de rechtvaardige man in Sodom; maar toch werd Hij door de zonde om Hem heen bedroefd. "Hij zag hen rondom met toorn aan, bedroefd zijnde over de verharding huns harten." (Mark. III : 5.) Zijne volmaakte liefde gaf ongetwijfeld verlichting aan zijne ziel, doch die liefde nam de smart niet weg. Als Hij op de woorden: "O ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal ik bij u zijn en u verdragen?" laat volgen: "Breng uwen zoon hier," (Luk. IX: 41.) dan werd daarom hunne ongeloovigheid niet minder door Hem gevoeld. Hij was in een dor en dorstig land, waar geen water was, en Hij gevoelde dit diep, al werd ook zijne ziel met smeer en vettigheid verzadigd. Juist omdat Hij heilig was, en volmaakt liefhad, was de zonde zoo schrikkelijk voor Hem - de zonde, waarin zijn volk wandelde "als schapen, die geen herder hebben."

Ook droeg Hij de smarten der menschen. "Onze krankheden heeft hij op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen." Geen enkele smart, geen enkele droefheid heeft Hij op zijnen weg ontmoet, die Hij niet als de zijne op zijn hart gedragen heeft. "In al hunne benauwdheid was Hij benauwd." Hij nam het niet licht op, wanneer Hij, in zijn leven op aarde, het geneesmiddel aanbracht. Hij droeg, in liefde, in zijne ziel al, wat Hij door zijne macht wegnam; want alles in den mensch was een gevolg van de zonde. Hij droeg ook de zonde, maar dit vond, zooals wij gezien hebben, plaats op het kruis. Dat was gehoorzaamheid, maar geen medegevoel. God maakte Hem, die geen zonde gekend heeft, zonde voor ons. Al het andere was het medegevoel der liefde, niettegenstaande het lijden was. Zijne liefde tot zondaren bracht Jezus op het kruis; maar zijn lijden op dat kruis ging niet gepaard met de vreugde van een dienst der liefde. Want Hij had dr niet te doen met den mensch; Hij leed daar, in gehoorzaamheid, in de plaats van en voor den mensch van Gods wege. Dientengevolge was dat lijden onvermengd en zonder verzachting; aan het kruis was Hij van God verlaten. Al de smarten evenwel, die Hij ondervond in zijne wegen met de menschen, waren de rechtstreeksche vrucht van de liefde, die zijne ziel vervulde. Hij gevoelde voor anderen omtrent anderen. In een zondige wereld kan dit gevoel niet anders dan lijden veroorzaken, maar het gevoel ontstond uit de liefde. O, mochten onze harten er de kostelijkheid van smaken!

Een ander lijden, dat misschien meer menschelijk, maar daarom niet minder wezenlijk was, bestond in de beleediging van elk fijn gevoel, 't welk een ziel gelijk de zijne, waarin alles harmonie was, hevig moest aandoen. "Zij schouwen het aan, zij zien op mij." (Ps. XXII: 18.) Beleediging, beschimping, misleiding, voortdurende pogingen om Hem in zijne woorden te vangen, grofheid en wreede spotternij moest zijne gevoelvolle, hoewel goddelijk geduldige ziel elken dag verdragen. Ik spreek hier niet van het verraad van Judas, van de verloochening van Petrus, van de vlucht der discipelen: "ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden;" (Ps. LXIX : 2.) ik spreek alleen van hetgeen loodzwaar gedrukt heeft op de gevoelige ziel van Jezus. Het verwijt brak zijn hart. Hij was het voorwerp van het gezang der dronkaards. Ongetwijfeld kende Jehovah zijne schande en zijne oneer; "al mijne vijanden zijn voor Uw aangezicht;" maar Hij moest toch door dit alles heengaan. Ik geloof niet, dat er n enkel menschelijk gevoel bestaat, dat niet in Christus beleedigd werd; en in Hem waren al de gevoelens en gewaarwordingen van een volmaakte ziel.

Voorzeker, dit alles had niets te beteekenen bij het dragen van Gods toorn; want onder het gewicht van dien toorn werden de menschen en hunne daden vergeten; maar daarom was het lijden toch niet minder wezenlijk. Zelfs toen Hij, den beker van Gods toorn voor zich ziende, begeerde, dat zijne meest vertrouwde discipelen met Hem zouden waken, vond Hij hen slapende. Alles was lijden, maar het was de tentoonspreiding der liefde; en het was die liefde, welke Hem ten slotte gehoorzaam deed zijn tot in den dood waar de toorn van God sterker was dan de haat en de boosheid der menschen. Dit lijden van Christus ging al het andere te boven. Al zijne smarten concentreerden zich in zijnen dood, toen noch de troost eener werkzame liefde, noch de gemeenschap met zijnen Vader eenige verlichting konden aanbrengen bij het drinken van dien schrikkelijken beker des toorns. Dit lijden van Christus ging al het andere te boven. De diepte van dat lijden is niet te doorgronden. Geen mensch is in staat om in woorden te brengen, wat het voor onzen Heer geweest is, den beker van Gods toorn te drinken; want in de menschelijke taal drukken wij slechts ons gevoel uit. Met dit lijden is niets te vergelijken. Het is een eenig feit in de wereldgeschiedenis, dat de goddelijke toorn tegen de zonde in al haar kracht en werkelijkheid gevoeld werd in de ziel van Hem, die, door zijne volmaakte heiligheid, door zijne liefde tot God, alleen weten kon, wat die goddelijke toorn was, en wat het was om tot zonde gemaakt te worden voor God; en die, uit kracht van zijn eigen Persoon, alleen in staat was om dien toorn te dragen. Hoe schrikkelijk ook het vooruit gevoelen van dit lijden moge geweest zijn, zoo was toch die voorsmaak de werkelijkheid niet. Ja, niet eens de dood op zichzelf, hoe ontzettend die ook geweest is voor den Vorst des levens, kan vergeleken worden met het dragen van Gods toorn.

Daarom vinden wij dan ook in Psalm XXII Christus geheel alleen. Hij spreekt over het geweld en de boosheid der menschen; Hij drukt het gevoel zijner eigene zwakheid uit; maar Hij stelt hier tegenover het feit, dat God zich verre van Hem houdt; en dat overtreft in schrikkelijkheid al het andere. Hij verklaart, dat, waar alle anderen uit hunne nooden door God gered waren, Hij door God verlaten is. Het resultaat, dat er uit voortvloeit, is, gelijk wij reeds aantoonden, een genade zonder grenzen, niets dan genade en zegening. Dat lijden werd niet door den mensch Hem aangedaan; het was geen gevolg van zijn komen in deze wereld; neen! het werd door God over Hem gebracht; het was de toorn van God. En waar zijn lijden door de vijandschap der menschen het oordeel Gods over die menschen brengt, daar bewerkt dit lijden onder de hand Gods de verzoening. Daarom wordt Christus in dezen Psalm als geheel alleen, als geheel verlaten voorgesteld, en dat wel in tegenstelling met degenen, die door God werden geholpen. De vaders hebben op God vertrouwd, en zij zijn uitgeholpen; maar Hij was verlaten, en kreeg geen antwoord, toen Hij riep. Wij kunnen door diep en zwaar lijden gaan, door angst en droefheid, zelfs tengevolge van de zonde; wij kunnen lijden, zelfs tot in den dood, met al de macht, die de dood op de ziel des menschen heeft; doch dit alles bereikt zijn grens; en wat er geheel aan ontbreekt, dat is de toorn en het verlaten zijn van God. Hoe schrikkelijk al dat lijden ook wezen moge, het gaat nooit buiten den kring der menschelijke smarten; al die smarten verdwijnen in het niet bij het lijden van een gansch andere soort: namelijk het dragen van Gods toorn.

En het is van het uiterste belang om met alle beslistheid, als een onwankelbaar fondament der eeuwige waarheid, vast te houden aan het feit, dat Christus, toen Hij tot zonde gemaakt was, waarachtig den toorn van God gedragen heeft; dat Hij, ter oorzake van de zonde, dien toorn in zijne ziel gevoeld heeft, en werkelijk door God verlaten was; zoodat Hij die noodzakelijke en door ons verdiende gramschap in haar gansche uitgestrektheid heeft doorgestaan. Iedere door God onderwezen ziel zal dit lijden weten te onderscheiden van alle andere smarten, welke onze Heiland gedurende zijn leven op aarde heeft ondergaan. Onder al die smarten kon Hij tot God zeggen: "Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o Heere! er is een tijd des welbehagens;" (Ps. LXIX: 14.) doch aan het kruis, door God verlaten, moest Hij uitroepen: "Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet." In dit lijden van Gods wege, in dit dragen van den toorn Gods tegen de zonde, ligt al ons heil. Een eeuwige verzoening, een volkomene verlossing, een genade zonder grenzen is er het heerlijk en godverheerlijkend gevolg van. Aanbiddend buigen wij ons neer voor Hem, die dat lijden onderging, en dien beker ledigde in onze plaats.

J. N. D.