Beschouwing over den brief aan Titus.

 

In de inleiding op de brieven aan TimotheŘs en Titus merkten wij op, dat de brief aan Titus, evenals de eerste brief aan TimotheŘs zich bezighoudt met de gemeente des Heeren in hare orde, terwijl de tweede brief aan TimotheŘs spreekt over het verval der gemeente, ĺt welk toen reeds begonnen was, en in de laatste dagen tot algeheelen afval van het christelijk geloof leiden zou. Nochtans is er onderscheid tusschen den brief aan Titus en den eersten brief aan TimotheŘs. Waar de laatste zich voornamelijk bezighoudt met de handhaving der gezonde leer, spreekt de eerste hoofdzakelijk over de beginselen, waarop de christelijke wandel gegrond is; over de orde, die in de gemeente moet worden gehandhaafd, en over de betrekking, waarin de geloovigen tot elkander staan. Dit blijkt vooral daaruit, dat Paulus in zijne brieven aan TimotheŘs zich in de eerste plaats bezig houdt met de leer, daar de vijand der zielen door allerlei dwalingen de gemeente trachtte te verderven, terwijl hij slechts in de tweede plaats over ouderlingen en diakenen handelt. In zijnen brief aan Titus daarentegen begint hij met de ouderlingen, zoodat de uitwendige orde in de gemeente hier hoofdzaak is.

Ook nog in een ander opzicht onderscheidt zich de brief aan Titus. Hoewel Titus, evenals TimotheŘs, een geliefd en getrouw dienstknecht van God was en een kind in het geloof van Paulus, zoo opent toch de Apostel zijn hart niet voor hem, gelijk hij zulks deed voor TimotheŘs. Hij maakt hem geen deelgenoot van zijne ervaringen, van zijn strijd en lijden, van zijne beproevingen en angsten - in ÚÚn woord, wij vinden hier niet zulk een vertrouwelijkheid en gemeenzaamheid als in de brieven aan TimotheŘs. Van al Paulus' medearbeiders was er geen, aan wien hij zoo zeer gehecht, en met wien hij zoo innig verbonden was, als TimotheŘs.

 

HOOFDSTUK I.

 

De inleiding van den brief aan Titus is hoogst belangrijk en merkwaardig. "Paulus, slaaf van God en apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is, in de hoop des eeuwigen levens, hetwelk God, die niet liegen kan, beloofd heeft vˇˇr de tijden der eeuwen - en te zijner tijd heeft Hij zijn woord geopenbaard door de prediking, die mij is toevertrouwd naar het bevel van God, onzen Verlosser, - aan Titus, mijn echt kind naar het gemeenschappelijk geloof: genade en vrede van God, den Vader, en Christus Jezus, onzen Verlosser." (vs. 1-4.)

In zijne bediening is Paulus een slaaf van God en een apostel van Jezus Christus. Alleen in dezen brief stelt hij zich aldus voor. In zijne brieven aan de Romeinen en de FilippiŰrs noemt hij zich een slaaf van Jezus Christus; hier alleen een slaaf van God. Hij was door God aangesteld en door Jezus Christus geroepen naar, dat is ten opzichte van, het geloof der uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is, om, namelijk, het geloof der uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is, te prediken in overeenstemming met de hoop des eeuwigen levens, hetwelk God, die niet liegen kan, beloofd heeft vˇˇr de tijden der eeuwen.

"Het geloof der uitverkorenen Gods" is een merkwaardige en beteekenisvolle uitdrukking. In IsraŰl behoorde de openlijke belijdenis der waarheid, hun toevertrouwd, aan ieder, die uit IsraŰl geboren was. Zoo kan ook het christelijk geloof, de christelijke heilswaarheid, als een stelsel worden aangenomen door duizenden, die het ware geloof missen. Daarom spreekt Paulus van het geloof der uitverkorenen. Het is niet de aanneming en de belijdenis van de leer des heils, maar het geloof des harten, gewerkt door de genade door de kracht des Heiligen Geestes, hetwelk bij de uitverkorenen de vreugde hunner ziel, het licht huns verstands en het steunpunt huns harten uitmaakt. De menschelijke natuur kan het omhelzen noch bevatten. Voor haar is het veeleer een struikelblok. En daar het den uitverkorenen gemeenschap met God schenkt, is het voor den natuurlijken mensch, al heeft hij ook de leer als een stelsel aangenomen onbegrijpelijk, en komt hem aanmatigend en ondragelijk voor.

Dit geloof der uitverkorenen Gods, hetwelk de ziel in gemeenschap met God brengt, hetwelk rust in Hem, en hun de kennis geeft van Gods eeuwige raadsbesluiten - van die goddelijke liefde, welke de uitverkorenen maakt tot de voorwerpen dier raadsbesluiten, was het doel van Paulus' bediening. Het bracht hen tot de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is. Niet slechts tot het geloof aan de waarheid; niet alleen tot het aannemen van een leerstelsel; maar tot de kennis der waarheid door den Heiligen Geest, zoodat de ziel in de waarheid leeft en door de waarheid gevoed wordt, en daardoor bekwaam wordt om in overeenstemming met de godzaligheid zich in de wereld te openbaren. Want het geloof des harten, de kennis, die de ziel van de waarheid Gods verkregen heeft, moet zich naar buiten openbaren in een getuigenis en een wandel, die God verheerlijkt en de wereld aantrekt.

Dit geloof der uitverkorenen Gods is in overeenstemming met de hoop des eeuwigen levens. Geen aardsche voorspoed, geen talrijke nakomelingschap, geen zegening hier beneden was de hoop hunner ziel, maar het eeuwige leven, hetwelk God, die niet liegen kan, beloofd heeft vˇˇr de tijden der eeuwen, doch nu geschonken heeft in Christus aan een iegelijk, die gelooft, en door de prediking des evangelies heeft bekend gemaakt. Vˇˇr de tijden der eeuwen, derhalve vˇˇr de grondlegging der wereld, vˇˇr Genesis I vs. 1, heeft God de Vader aan zijnen Zoon beloofd het eeuwige leven als het deel der uitverkorenen Gods en dit eeuwige leven is in Christus geopenbaard en in Christus ons geschonken. (Zie 2 Tim. I : 9) "Wij hebben gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij den Vader was, en ons geopenbaard is," zegt Johannes. Christus is het leven - het eeuwige leven, dat bij den Vader was. Die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven. Wie Hem heeft, heeft het leven, omdat Hij het leven is. Dit leven is de natuur van God. Daarom zegt Petrus dat wij deelgenooten der goddelijke natuur geworden zijn; terwijl Johannes alles te zamen vat in deze heerlijke woorden: "En wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij den Waarachtige kennen, en wij zijn in den Waarachtige, in zijnen Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven."

Wie zou er woorden kunnen vinden om het geluk uit te spreken van hen, die het eeuwige leven bezitten, die deelgenooten der goddelijke natuur geworden zijn! Hoe meer wij er over nadenken hoe meer wij de mededeelingen des Heiligen Geestes daarover bepeinzen, des te meer vervult bewondering en aanbidding onze ziel. Vooral wanneer wij dan, gelijk hier, toegelaten worden in de eeuwigheid, en mogen vernemen, welke besluiten er genomen, welke plannen er gevormd zijn door den Vader en den Zoon, en welke beloften de Vader aan zijnen Zoon gegeven heeft ten opzichte van het deel der uitverkorenen Gods. Wonderbare liefde, die niet alleen van eeuwigheid aan ons heeft gedacht en ons tot deelgenooten des eeuwigen levens heeft bestemd, maar die er ook behagen in gehad heeft om ons de gedachten zijns harten mede te deelen en ons in kennis te stellen met de vreugde, die Hem vervulde over ons geluk in Christus!

Hebben wij dit begrepen, dan wordt ons Gods Woord onuitsprekelijk dierbaar; want het is in dat woord, dat ons Gods gedachten en besluiten worden medegedeeld. Het Woord is de mededeeling in den tijd van Gods eeuwige raadsbesluiten in Christus. In het Oude Testament hebben wij de voorbereiding in typen en schaduwen, van welke Christus de geest, de inhoud is; maar eerst na Christus' verheerlijking aan Gods rechterhand is de waarheid onomwonden geopenbaard, en zijn Gods gedachten en plannen ons in al hunne uitgestrektheid medegedeeld. "En te zijner tijd heeft Hij zijn Woord geopenbaard door de prediking, die mij is toevertrouwd door het bevel van God, onzen Verlosser." Paulus heeft de mededeeling der raadsbesluiten en plannen Gods in Christus door openbaring rechtstreeks ontvangen, en op bevel van God, onzen Verlosser, door de prediking aan Gods uitverkorenen medegedeeld, mondeling en schriftelijk, zoodat zij, zijn Woord geloovende, de zekerheid hebben van het bezit des eeuwigen levens en van al de zegeningen, die in Christus Jezus geschonken zijn. Zij zijn daardoor tevens in staat de typen en schaduwen des Ouden Verbonds, door welke God de toekomende goederen had voorgebeeld, die door de heiligen vˇˇr ons niet of slechts zeer gedeeltelijk konden begrepen worden, te verstaan en te genieten.

 

Na deze merkwaardige inleiding komt Paulus dadelijk tot het hoofddoel van zijn schrijven. "Ik heb u daarom op Creta gelaten, opdat gij het ontbrekende zoudt in orde brengen, en in elke stad ouderlingen aanstellen, gelijk ik u bevolen heb." (vs. 5.) Door deze, opdracht van Paulus aan Titus wordt de juistheid bevestigd van onze opmerkingen over 1 TimotheŘs III. (zie vorigen jaargang, blz. 52-55.) De ouderlingen werden aangesteld door de Apostelen of door hunne afgezanten, en geenszins door de gemeente. In Hand. XIV lezen wij, dat de Apostelen Paulus en Barnabas in elke gemeente ouderlingen verkoren, en hier vinden wij, dat Paulus Titus op Creta had achtergelaten met de opdracht om in elke stad ouderlingen aan te stellen. De gemeente was dus daartoe onbevoegd. Ware het de roeping der gemeente geweest om in haar midden ouderlingen te kiezen of aan te stellen, dan had Paulus een brief aan de gemeente op Creta moeten schrijven, en haar het bevel daartoe moeten geven, met de aanwijzing van de wijze, waarop zij zulks doen moest. Doch nu hij in plaats daarvan Titus op Creta achterlaat, met het bevel om in zijne plaats ouderlingen aan te stellen, en nu hij aan Titus schrijft, hoe die ouderlingen wezen moeten, verklaart hij de gemeente onbevoegd tot het aanstellen van ouderlingen, gelijk trouwens uit den aard der zaak zelve volgt. Evenals in den Staat alle macht van God is, en elke volksregeering een omkeering is van de orde Gods, en in den grond der zaak opstand tegen God, zoo moet ook in de gemeente de macht van Boven komen. Ouderlingen zijn opzieners over de gemeente, die de gemeente moeten besturen en leiden, en die daarom niet door de gemeente, maar door God aangesteld moeten worden. Als middel daartoe gebruikte God de Apostelen, met zijn gezag bekleed, en waar dezen het niet doen konden, droegen zij dit op aan anderen, die dan in dit geval met apostolisch gezag bekleed waren.

Belangrijk is het op te merken, dat Paulus nimmer in zijne brieven aan de gemeenten over ouderlingen schrijft, en haar geen enkele aanwijzing daaromtrent geeft. Evenmin vinden wij die in de brieven der andere Apostelen. Ware dit zoo, dan zou de gemeente al heel licht er toe kunnen komen om zelve daarin te voorzien. Doch God heeft er voor gezorgd, dat er in zijn Woord geen enkele aanleiding daartoe te vinden is. Alleen in de brieven aan bijzondere personen, die een bepaalde opdracht van God ontvangen hadden, komen deze aanwijzingen voor, daar niemand anders dan zij gemachtigd waren om ouderlingen aan te stellen. Noch Apollos, noch Silas had die opdracht ontvangen, slechts aan Titus en TimotheŘs was zij gegeven.

Hieruit volgt, dat wij thans geen ouderlingen hebben kunnen. Waar zijn de Apostelen, die ze aanstelden? Waar zijn de apostolische afgezanten, die de opdracht tot hunne aanstelling ontvingen? Zij zijn er niet. Niemand kan ze aanwijzen. Het is daarom niets dan aanmatiging hen te kiezen en aan te stellen en het is onderwerping aan Gods Woord en wil, indien wij onze onbekwaamheid en onbevoegdheid erkennen, en ons van elke aanstelling onthouden. Vraagt men, waarom de Heer thans geen mannen verwekt - zooals Hij natuurlijk bij machte is te doen - met gezag bekleed om ouderlingen aan te stellen, dan is ons antwoord, dat de gemeente in verval is; dat het grootste gedeelte harer leden uit ongeloovige, goddelooze menschen bestaat, en dit zij in allerlei partijen en secten verdeeld is; zoodat de Heer, door ouderlingen te geven, dien toestand zou erkennen en die partijen zou wettigen. En waar de menschen in hunne hand nemen, wat niet aan hunne zorg is toevertrouwd, daar leveren zij, zooals ieder onbevooroordeelde tasten kan, een spotbeeld van hetgeen God in een ouderling verlangt.

Laat mij hier bijvoegen, dat, hoewel wij , bij gebrek aan apostolisch gezag, geen ambt van ouderlingen kunnen hebben, wij nochtans, door Gods' genade en goedheid, hier en daar personen in de gemeente vinden, die het werk van een ouderling verrichten. De Heer verwekt ook thans mannen in ons midden, die een hart hebben voor het heil der geloovigen, die over de zielen waken en hunne belangen voorstaan en wij behooren die, om huns werks wil, met dankbaarheid als Gods gave aan ons te erkennen en lief te hebben. Op deze wijze voorziet de Heer in onze behoeften, en op hen is toepasselijk, wat Paulus in Hebr. XIII : 17 zegt.

Zooals wij vroeger reeds opmerkten, (zie vorigen jaarg. blz. 54) blijkt hier, dat "ouderling" (presbuteros) en "opziener" (episcopos, vandaar "bisschop") hetzelfde ambt is. Paulus heeft Titus op Creta gelaten, om in elke stad ouderlingen aan te stellen, en geeft dan aan, hoe die ouderlingen wezen moeten, en zegt dan: "Want de opziener moet onberispelijk zijn."

Wat de Apostel hier zegt omtrent de eigenschappen, die een onderling hebben moet, komt bijna woordelijk overeen met hetgeen hij in zijnen eersten brief aan TimotheŘs gezegd had; en wij zullen er dus hier niet opnieuw bij stilstaan. Alleen merke men op, dat hij er hier aan toevoegt, dat een ouderling zuiver moet zijn in de leer, en tevens bekwaam om met die leer te vermanen en te wederleggen. "Die vasthoudt aan het getrouwe woord naar de leer, opdat hij in staat zij, zoowel om met de gezonde leer te vermanen als om de tegensprekers te wederleggen." Hij zegt dit met het oog op den toestand der gemeenten op Creta. Er waren daar, gelijk op andere plaatsen, "vele en halsstarrige klappers en bedriegers, vooral die uit de besnijdenis." Het was noodig, dezen den mond te stoppen, daar zij "geheele huizen omkeeren, door te leeren, wat niet behoort, om vuil gewins wil." (vs. 10, 11.) Op listige wijze maakten zij gebruik van het volkskarakter der Cretensers. Een uit hen, hun eigen profeet, had gezegd: De Cretensers zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken. En dit getuigenis is waar, zegt Paulus. Het spreekt vanzelf, dat deze verkeerde leeraren van de slechte eigenschappen der Cretensers gebruik maakten, om daardoor hunne dwalingen en kwade praktijken ingang te verschaffen. Het is toch een steeds doorgaande ondervinding, dat het volkskarakter ook op de Christenen invloed uitoefent, en dat het soms geruimen tijd duurt, eer het zedelijk bewustzijn zoo ver ontwikkeld is, dat de begrippen, die men van jongs af heeft ingezogen, veroordeeld, en de ondeugden, waaraan men schuldig stond, verafschuwd worden. De vijand onzer ziel weet met veel bekwaamheid van dit alles gebruik te maken, en is er, helaas! menigmaal in geslaagd om het getuigenis voor Christus grootelijks te schaden. "Om deze reden", zoo roept de Apostel Titus toe, "om deze reden bestraf hen gestreng opdat zij gezond zijn in het geloof, en zich niet houden aan joodsche fabelen en geboden van menschen, die zich van de waarheid afwenden." (vs. 13.)

Joodsche fabelen en geboden van menschen zijn van den beginne af de groote plaag voor de gemeente Gods geweest. Zij verwekken God tot jaloerschheid, daar zij den mensch verheffen en Gods genade verduisteren. Sommige dingen houden zij voor onrein; anderen verbieden zij eenvoudig, omdat zij ze verbieden willen; doch de Heer wordt hierdoor niet gediend: Hij maakt aanspraak op het hart en op de geheele toewijding van onzen persoon. "Alle dingen zijn rein den reinen", zegt Paulus, maar den besmetten en ongeloovigen is niets rein, maar zoowel hun verstand als hun geweten is besmet." Voor dezulken is het niet noodig om iets onreins buiten zichzelven te zoeken; al wat in hen is, hun verstand en hun geweten, is besmet. Al eten zij ook met gewasschen handen en uit reine bekers en schotels, al verwerpen zij ook allerlei spijzen, die God geschapen heeft tot gebruik voor zijne kinderen; uit hun hart komen allerlei boosheden voort, waardoor zij steeds verontreinigd zijn. Al deze fabelen en geboden van menschen strekken slechts om hen te doen vergeten hetgeen in hen woont, en hen in den waan te brengen, dat zij beter zijn dan anderen en Gode welbehagelijk leven. Het tegendeel is waar. "Zij belijden God te kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, daar zij verfoeielijk en ongehoorzaam zijn en tot alle goed werk ongeschikt." (vs. 14-16.)

Denken wij ernstig na over hetgeen de Apostel hier leert. De ware christelijke vrijheid leidt tot een heiligen, Gode waardigen wandel; tot een geheele toewijding van al onze krachten en gaven aan Hem, die ons liefheeft, ons vrijkocht, en ons in gemeenschap bracht met Zichzelven. Booze menschen hebben de vrijheid misbruikt tot een oorzaak voor het vleesch; doch wanneer men, om dit te voorkomen, de toevlucht neemt tot de wet en tot allerlei geboden van menschen, dan verkracht men de heerlijke vrijheid, met welke Christus ons heeft vrijgemaakt, en streeft, soms met de beste bedoelingen, zijn doel voorbij. De wet toch kan alleen toorn werken, brengt onder den vloek, kan nimmer het leven, en dus ook geen kracht schenken. Op die manier wordt de kracht en de werking des Geestes gebannen; en alleen waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid in elk opzicht; daar is de vreugde en het genot van de betrekking waarin wij tot God gebracht zijn, en de bekwaamheid om te wandelen naar Gods Woord en gedachten. Alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, is ons geschonken door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door heerlijkheid en deugd.

 

HOOFDSTUK II.

 

De christelijke vrijheid gaat gepaard met de handhaving van de orde Gods in deze wereld. De Geest Gods erkent elke betrekking, waarin God ons op aarde gesteld heeft. Ouden en jongen, mannen en vrouwen, ouders en kinderen, slaven en meesters moeten allen tegenover elkander de ware, door God gewilde plaats innemen, en de gezindheid aankweeken, die de Heer in hen zien wil. Titus moest in dit opzicht spreken hetgeen met de gezonde leer overeenkomt. Hij moest in de gemeente leeren, "dat de oude mannen nuchter moeten zijn, eerbaar, ingetogen, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding;" (vs. 2.) zoodat zij een goed voorbeeld zijn voor de anderen. Dit is van het uiterste gewicht, want het spreekt vanzelf, dat de jongeren op hen zien, en zich door hen laten leiden. Wat is treuriger in de gevolgen dan de lichtzinnigheid van een oud man en zijne afwijking van het geloof en van den rechten weg des Heeren! ľ "De oude vrouwen desgelijks moeten in haar gedrag zich openbaren, gelijk het heiligen betaamt, niet kwaadsprekend, niet aan den wijn verslaafd, leeraressen van het goede, opdat zij de jonge vrouwen inscherpen, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben, ingetogen te zijn, kuisch, huishoudelijk, goed, haren eigenen mannen onderdanig, opdat het woord Gods niet gelasterd worde." (vs. 3-5.) Welk een schoone roeping voor de moeders in Christus! Wat zou er veel anders zijn in de gemeente des Heeren, indien er naar deze vermaningen geluisterd werd! Waarlijk, het woord Gods wordt gelasterd, indien het onordelijk toegaat in de huizen der geloovigen; indien er geen ware godzaligheid wordt beoefend ook in de dingen van het dagelijksch leven, in de betrekkingen, waarin wij tot elkander staan.

"Vermaan de jonge mannen desgelijks ingetogen te zijn", en daar Titus zelf nog jong was, zoo moest hij vooral voor jonge mannen een voorbeeld zijn in alles; en daarom voegt Paulus er aan toe: "betoon u in alles een voorbeeld van goede werken." Maar bovenal was het noodig om tegenover de tegenstanders zˇˇ te spreken en zˇˇ te handelen, dat zij geen aanleiding vonden om iets kwaads te zeggen. Titus moest "in de leer onvervalschtheid" beoefenen. Daarop komt alles aan. Is een prediker des evangelies niet meer zuiver in de leer - spreekt hij niet meer de gezonde woorden Gods; heeft hij zijne eigene gedachten er bij gevoegd; dan is de ware grond van vrede, rust en heiligmaking ondermijnd, en moet het gevolg noodzakelijk, al is dit dan ook niet altijd direct te zien, treurig zijn. Daarom komt Paulus in zijne brieven aan TimotheŘs en Titus zoo dikwijls daarop terug, en dringt hij zoo zeer aan op zuiverheid en onvervalschtheid in de leer. Daarmede moet evenwel gepaard gaan: "waardigheid" en "een gezond, onverwerpelijk woord", zoodat er niet alleen geen aanmerking op de leer, maar ook geen aanmerking op de wijze van voorstelling kan gemaakt worden.

"Vermaan de slaven aan hunne eigene meesters onderdanig te zijn." Het lot dier arme slaven was zoo hard, en de christelijke slaaf, die de ongerechtigheden zijns meesters beoordeelen kon en verafschuwen moest, kon er zoo licht toe komen om zich te verzetten, of ook om weg te loopen; en daarom was de vermaning zoo noodig, dat zij aan hunne meesters onderdanig moesten zijn. Doch met onderdanigheid alleen was de Heer niet tevreden; neen! de christelijke slaaf moest trachten door het welzijn van zijnen meester te zoeken "in alles welbehagelijk te zijn, niet ontvreemdende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Verlosser, in alles versieren." Welk een heerlijke drijfveer! Welk een ernstige drangreden! De leer van God, onzen Verlosser, die ons gered heeft uit deze tegenwoordige booze wereld, die ons, hoe arm en ellendig wij ook zijn op maatschappelijk gebied, rijk gemaakt en gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelsche gewesten in Christus, in alles te versieren, dat is wel der moeite waardig; dat is wel heerlijk en gelukkig. En naarmate de plaats, die wij innemen, moeielijk is, naar die mate is het voorrecht grooter om op die plaats onzen God te dienen en te verheerlijken.

De leer nu van God, onzen Verlosser, die wij in alles moeten versieren, wordt dan door den Apostel in de volgende verzen voorgesteld. Wij vinden hier een merkwaardige beschrijving van het Christendom, niet van zijne leerstellingen zoozeer, als wel van zijne praktische beteekenis voor alle menschen, en van den invloed, dien het in deze wereld uitoefent. Die beschrijving omvat het verledene, het tegenwoordige en het toekomende. Het Christendom verlost ons van deze booze, goddelooze wereld; het maakt ons tot een volk des Heeren, Hem alleen toegewijd; en het bereidt ons voor de eeuwige heerlijkheid met Christus. Staan wij een weinig hierbij stil.

"Want de genade Gods, die voor alle menschen heil aanbrengt, is verschenen, en onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, ingetogen en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige eeuw, verwachtende de gelukzalige hoop en verschijning der heerlijkheid van onzen grooten God en Verlosser Jezus Christus, die zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons van alle ongerechtigheid verlossen zou, en zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken." (vs. 11-14.)

De genade Gods is verschenen. Nadat de mensch op alle mogelijke wijze op de proef gesteld, en het gebleken was, dat hij ten eenenmale onbekwaam was om Gods geboden te onderhouden, al moest hij ook de rechtvaardigheid van Gods eischen toestemmen; nadat God in gerechtigheid den mensch op verschillende wijzen had gestraft en geoordeeld; nadat de Heer zich door de wet een volk had afgezonderd om Zijnen Naam te bewaren, en dit volk zich meer verdorven had dan alle andere volken; is in Christus de genade Gods verschenen. Want hoewel God in de oude bedeeling menigmaal in genade gehandeld heeft, zoo was het toen toch de tijd der gerechtigheid en der wet, en is eerst thans in Christus de genade Gods verschenen. Die genade beperkt zich niet tot een bepaald volk, maar strekt zich uit tot alle menschen. Is de geheele wereld verdoemelijk voor God, en heeft dus elk nationaal voorrecht opgehouden, dan moet de genade, als zij verschijnt, zich uitstrekken tot alle menschen. Allen hebben gezondigd; allen derven de heerlijkheid Gods; en daarom moeten ook allen om niet gerechtvaardigd worden door zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. De genade, die verschenen is, brengt voor alle menschen heil aan, geen tijdelijke zegeningen en aardsche voorrechten, maar eeuwig heil in Christus - een volkomene verlossing van deze tegenwoordige booze wereld.

Deze genade, die voor alle menschen heil aanbrengt onderwijst ons, die dit heil zijn deelachtig geworden, ten opzichte van onzen wandel in deze wereld; en dat wel met betrekking tot onszelven, tot andere menschen en tot God. Alle goddeloosheid en alle begeerlijkheden, die hunne bevrediging in de wereld vinden, verzakende, moeten wij den wil des vleesches in elk opzicht in toom houden en ingetogen leven; wij moeten de rechten van anderen erkennen, en "rechtvaardig" handelen: en wij moeten Gods rechten over onze harten erkennen en dus "godzaligheid" beoefenen.

Doch niet alleen dit; de genade Gods onderwijst ons om onzen blik te vestigen op de gelukzalige hoop en verschijning van onzen grooten God en Verlosser Jezus Christus. Door de genade verwachten wij deze gelukzalige hoop en verschijning der heerlijkheid van Jezus Christus. Door de volkomene verlossing die voor ons is aangebracht, zijn wij niet alleen bekwaam gemaakt om in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, maar zullen wij bij de verschijning der heerlijkheid van Jezus Christus in die heerlijkheid deelen. Het vooruitzicht daarvan vervult onze zielen met zalige blijdschap. God is niet voornemens om de wereld steeds in hare goddeloosheid te doen voortgaan; Hij zal zijne vijanden met een machtige hand terneer vellen. Hij zal niet toelaten, dat zijne uitverkorenen altijd blootgesteld blijven aan de list des Satans en aan de boosheid van den mensch. Christus zal in heerlijkheid verschijnen en wij met Hem.

De heerlijkheid, die verschijnen zal, is de heerlijkheid van onzen grooten God en Verlosser Jezus Christus. De Heer Jezus Christus is zoowel onze groote God als onze Verlosser. Zijne vernedering als mensch bracht Hem in omstandigheden, in welke zijne goddelijke heerlijkheid verborgen was; en waaruit de vijandige mensch, en vooral de Satan, die groote en machtige tegenstander van Gods Zoon, partij trokken, om zijne heerlijkheid te loochenen en zijne genade te verachten. Daarom wordt in de Brieven, zoowel als in de EvangeliŰn, steeds met heilige jaloerschheid gewaakt over die heerlijkheid van Christus; en wanneer er over zijne vernedering wordt gesproken, steeds aangetoond, dat Hij, die beneden de engelen afdaalde, die als mensch onder de zondige menschen woonde, die de menschelijke natuur aannam, en onder de menschen de minste plaats innam, was en bleef onze groote God - de waarachtige God en het eeuwige leven.

Hoe heerlijk is Hij! Vol aanbidding buigen wij ons voor Hem neer. Maar bovenal, wat is zijne liefde groot! Hij heeft zichzelven voor ons gegeven. Niet slechts word Hij mensch; niet alleen onderwierp Hij zich aan al het menschelijk leed en aan al de ellende dezer aarde ; maar Hij gaf zichzelven over in den schandelijken dood des kruises, "opdat Hij ons van alle ongerechtigheid verlossen zou, en zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken." Door zijn lijden en sterven in onze plaats heeft Hij ons van alle ongerechtigheid verlost, en ons daarna voor zichzelven tot een volk afgezonderd, dat ijverig is in goede werken. Welk een genade! In onze ongerechtigheid waren wij verre van God, onder Gods toorn, met de eeuwige verdoemenis als rechtvaardige straf voor ons; thans, van alle ongerechtigheid verlost, zijn wij een volk voor Hem, een volk dat Hem toebehoort, dat Hij zijn volk noemt, te midden waarvan Hij komt, en zegt: "Ik schaam mij niet hen broeders te noemen. Zie, ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft." En terwijl wij vroeger in de ongerechtigheid leefden, en in de zonde ons vermaak hadden, zijn wij nu een volk, dat ijverig is in goede werken. Mochten wij het recht verstaan! Het is, indien wij het recht verstaan, onze grootste vreugde en ons heerlijkst voorrecht. God haat de zonde - wij ook. God heeft behagen in goede werken - wij ook. Van de zonde vrijgemaakt, zijn wij slaven der gerechtigheid geworden; en zijn van harte gehoorzaam aan den inhoud der leer, waarin wij onderwezen zijn.