Slechts een aarden vat.

De hovenier des hemels
Stond in zijn bloemengaard;
De gaarde, die Zijn liefde
Geplant had en bewaard.

Hij zag zijn schoone bloemen
Met droefheid in het oog;
Hun kopjes hingen neder,
Hun blaadjes waren droog.

"Mijn bloemen," sprak de Meester,
"Verwelken in de zon;
"Doch waarme zal ik t water
"Toch scheppen uit de bron?"

Dicht bij zijn voeten lag daar
Op 't pad een aarden vat;
't Was broos en klein, en ledig;
't Lag nutt'loos op het pad.

De Meester zag 't en beurde 't
Uit 't stof waarin 't lag,
En zei: "Dit kan mij dienen
"In 't werk van dezen dag."

"Al is het slechts van aarde,
" 't Ligt mij zoo dicht nabij;
"Al is het klein, 't is ledig,
"Dat is genoeg voor mij."

Hij nam het met zich mede,
En vulde 't aan de bron.
Wat was dat vaatje blijde,
Nu het Hem dienen kon!

Hij goot van 't levend water
Op al de bloemen ner,
En was het vaatje ledig
Dan vulde Hij het weer.

De bloemen hieven spoedig
De kopjes weer omhoog;
En stille reine vreugde
Blonk in des Meesters oog.

Ofschoon Zijn hand de bloemen
Hun bloei hergeven had,
Het middel in die handen
Was toch: het aarden vat.

En 't fluisterde in zich zelven,
Toen Hij 't ter zijde lag:
"Ik blijf slechts in Zijn wegen,
"Juist als op dezen dag."

"Dicht blijf ik bij den Meester,
"en ledig wil ik zijn;
"Misschien kan ik dan nogmaals
"Hem zoo ten dienste zijn."

 

Vorig gedicht

Volgend gedicht