Hoe kan ik den wil van God weten?

Vele Christenen zouden gaarne een aangenaam en gemakkelijk middel kennen, om den wil van God te weten, ongeveer zooals men een recept voor een drankje ontvangt. Doch er is geen middel, dat niet in direkte betrekking staat tot den toestand onzer ziel. Ook vragen wij dikwijls naar den wil van God en naar zijne leiding in omstandigheden, waarin wij ons niet bevinden zouden, indien wij zijnen wil opgevolgd hadden. Ware ons geweten waarlijk in een gezonden staat, dan zou de eerste werking stellig zijn, dat wij uit deze omstandigheden trachten uit te komen. Onze eigenwil heeft er ons in gebracht, en desniettegenstaande zouden wij gaarne den troost van de leiding Gods genieten op een pad, dat wij ons zelf gekozen hebben. Helaas! dit is maar al te dikwijls het geval.

Wij kunnen er van verzekerd zijn, dat het ons niet moeielijk zal vallen om den wil van God te weten, indien wij ons dicht genoeg bij Hem bevinden. In een lang en werkzaam leven kan het zeker voorkomen, dat God in zijne liefde ons niet altijd dadelijk zijn wil openbaart, opdat wij onze afhankelijkheid van Hem zouden gevoelen, vooral dan wanneer iemand een bijzondere geneigdheid heeft, naar zijn eigenen wil te handelen. "Maar als uw oog eenvoudig is, dan zal uw gansche lichaam verlicht zijn." Daaruit volgt, dat wanneer het lichaam niet verlicht is, het oog ook niet eenvoudig is. Misschien zal men zeggen: "Dat is een slechte troost!" Maar ik antwoord: Het is een rijke troost voor al diegenen, wier eenige begeerte het is, een eenvoudig oog te hebben en met God te wandelen; natuurlijk geen troost voor dezulken, die gaarne van het zoeken naar zijnen wil verlost zijn.

"Indien iemand in den dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet; maar indien iemand in den nacht wandelt, stoot hij zich, omdat het licht in hem niet is." (Joh. XI: 9, 10.) Het grondbeginsel blijft hetzelfde: "Die mij navolgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben." (Joh. VIII : 12.)

Aan deze zedelijke wet des Christendoms kan men zich niet onttrekken. Daarom bidt de Apostel in Kolosse I : 9, 10: "Dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, om te wandelen den Heere waardig tot alle welbehagen, in alle goed werk vrucht dragende en opwassende door de kennis van God." De wederzijdsche verbinding dezer dingen is van ontzachlijke waarde voor onze ziel. Als iemand den Heere waardig wandelen wil, dan moet hij den Heer ook kennen; en op dezen weg wassen wij wederom op in de kennis van den wil van God. "En dit bid ik, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in kennis en alle inzicht, opdat gij beproeft wat het beste is, zoodat gij zuiver en zonder aanstoot zijt tegen den dag van Christus." (Fil. I: 9, 10.) Eindelijk staat er geschreven: dat de geestelijke mensch alle dingen beoordeelt; hij zelf echter wordt door niemand beoordeeld.

Wij zullen derhalve slechts dan bekwaam zijn om den wil van God, dezen dierbaren wil, te onderscheiden, naarmate onze geestelijke toestand een goede is. Wat wij te doen hebben, is, ons dicht bij den Heer te houden. God zou niet goedertieren jegens ons zijn, indien Hij ons veroorloofde zijnen wil te kennen, zonder een wandel in zijne gemeenschap. Wie derhalve dezen wil zoekt te verstaan terwijl hij in meerdere of mindere mate van God verwijderd is, die zoekt zulks op een verkeerde wijze, en zal nimmer tot het kennen van Gods wil komen maar steeds in het duister blijven rondtasten.