Iets over tegensprekers.

De lust om tegenwerpingen te maken is een van de slechtste zedelijke verschijnselen, die bestaan kunnen. Het is zeer goed tegenwerpingen te overwegen, en toe te zien, dat men wel bevestigd is in hetgeen, waarop de ziel bouwt. Doch er ligt zedelijk bewijs in de kracht, die een voorwerp uitoefent om - waar de ziel gevoelig daarvoor is - genegenheden te voorschijn te roepen, die in rechtgeaarden geest de zedelijke terugkaatsing zijn van het voorwerp zelf, en die, als gevolg van kracht, het bewijs van het bestaan dier kracht leveren. Waar nu deze kracht, van het voorwerp uitgaande, behoorlijk in werking is daar levert de lust tot het maken van tegenwerpingen alleen het bewijs, dat men ongevoelig is voor de kracht, die de ziel aantrekt en boeit. Er blijkt zedelijk onvermogen uit om hetgeen uitnemend is te waardeeren. De eigenschappen, tentoongespreid in het voorwerp, kunnen den geest van aanmerking maken, niet tot overtuiging of stilzwijgen brengen. Waarom niet? Omdat het hart onbekwaam is door zijn eigene gevoelens deze eigenschappen op prijs te stellen; - misschien heeft het wel een afkeer van de meerdere voortreffelijkheid dezer eigenschappen. Dit is ongeloovigheid.

Een oprecht gemoed heeft liefde voor hetgeen uitnemend is, omdat het in staat is dit te waardeeren of althans te onderscheiden; het verblijdt zich in deszelfs voortreffelijkheid, wijl het, uit kracht van de liefde tot dit uitnemende, gevoelt, dat het recht heeft op dezen rang der meerderheid. Zulk een oprecht gemoed verlangt, dat hetgeen uitnemend is, deze plaats der meerderheid zal innemen.