De groote heilswaarheden des Christendoms.

 

EENIGE GEDACHTEN OVER HEBR. XI.

 

Het welbekende, heerlijke elfde Hoofdstuk uit den brief aan de Hebrers heeft ten doel om ons, door de voorstelling van de heerlijke daden der geloofshelden des Ouden Verbonds, die, hoewel zij de belofte niet verkregen, tot den einde toe volhard hebben, op te wekken en aan te moedigen tot het volhardend loopen in de loopbaan, die ons is voorgesteld. De geloovige Hebrers, aan wie deze brief geschreven is, hadden in het begin hunner christelijke loopbaan met blijdschap en vuur hun christelijk geloof beleden, zoo zelfs dat zij met vreugde de rooving hunner goederen hadden aangenomen; doch zij waren later door de langdurigheid der verdrukkingen en vervolgingen moedeloos geworden, en stonden thans in gevaar om tot hunne joodsche ceremonin terug te keeren. Om hen daarvan terug te houden schreef Paulus hun dezen brief; hij stelt daarin de voortreffelijkheid en heerlijkheid van Jezus' persoon en werk in het licht tegenover de schaduwen des Ouden Verbonds; wijst hen dan op de geloofshelden der oude bedeeling, die trots verdrukking en benauwdheid den moed niet hadden verloren, maar tot den einde toe volhardden; en roept hen eindelijk toe, dat zij, met zoo groot een wolk van getuigen om hen heen, met volharding loopen zouden den wedloop, die voor ons ligt, hunne oogen van alle dingen afwendende om ze alleen te vestigen op Jezus, den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs.

Doch behalve dit algemeene doel worden ons in dit heerlijke Hoofdstuk nog andere dingen geleerd, die wel onze aandacht verdienen. Vooral het eerste gedeelte, van vs. 1-16 is merkwaardig. De gebeurtenissen zijn daar zoo gerangschikt, dat zij ons achtereenvolgens de groote heilswaarheden, in voorbeelden uit de geschiedenis, voorstellen. Eerst vinden wij een definitie van het geloof, en daarna de voorstelling van de groote heilswaarheden des Christendoms: de schepping, de verzoening, de opneming in den hemel, het oordeel over de wereld en de bewaring der heiligen gedurende dit oordeel; en eindelijk wordt ons de plaats aangewezen, die Gods heiligen hier beneden moeten innemen. - Staan wij bij elk dezer bijzonderheden een oogenblik stil.

Allereerst hebben wij een definitie van het geloof, een verklaring van het wezen des geloofs, een antwoord op de vraag: Wat is het geloof? "Het geloof is de zekerheid van de dingen, die men hoopt, de overtuiging van de dingen, die men niet ziet." (vs. 1.) Deze verklaring splitst zich in tween: het geloof is 1e de zekerheid van de dingen, die men hoopt; en 2e de overtuiging van de dingen, die men niet ziet.

Gij hoopt in den hemel te komen, Gods heerlijkheid deelachtig te worden, in het Vaderhuis te wonen; welnu het geloof is de zekerheid daarvan. Door het geloof zegt gij: ik kom in den hemel, ik zal Gods heerlijkheid zien, het Vaderhuis is een woning ook voor mij geworden. Daarom kan Paulus in Rom. V zeggen: "Wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods." Wij roemen nog niet in de heerlijkheid, want wij zijn nog op aarde, dit zal eerst plaats vinden, als Jezus ons tot Zich genomen heeft; maar wij roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. De heerlijkheid Gods is onze hoop ; wij hopen haar deelachtig te zullen worden; en aangezien het geloof de zekerheid is van de dingen, die men hoopt, zoo roemen wij in de hoop der heerlijkheid Gods.

Doch is er meer. Het geloof is ook de overtuiging van de dingen, die men niet ziet. Gij ziet God niet; door het geloof weet gij, dat Hij is, en dat Hij een belooner is voor hen, die Hem zoeken. Gij ziet den Heer Jezus niet; door het geloof verheugt gij u, hoewel Hem niet ziende, met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde. Gij ziet den hemel en de heerlijkheid niet; door het geloof weet gij dat die bestaat, en hebt gij er reeds uw verkeer. Gij ziet alle dingen nog niet onderworpen aan Christus; door het geloof weet gij, dat God eenmaal alles onder n hoofd zal vereenigen.

Een mensch, die dit geloof, dit levensbeginsel uit God, en daarom Gods gave bezit, is dus zeker van alle dingen, die God geopenbaard heeft. In deze duistere wereld bezit hij het licht. Onder al het zoeken naar waarheid van de wijzen dezer wereld kan hij zeggen: ik heb de waarheid. Te midden der bewegelijke dingen is zijn oog gevestigd op dat onbewegelijk koninkrijk daarboven. Bij al de schrikverwekkende gebeurtenissen op aarde, te midden van oorlogen en revolutin der volken, staat hij rustig pal, want de toekomst is zijn, aangezien de toekomst aan Jezus behoort.

Ditzelfde geloof was in de heiligen des Ouden Verbonds. Door dat geloof hebben de ouden getuigenis bekomen - getuigenis dat zij Gode behaagden, getuigenis, dat zij rechtvaardig waren, getuigenis van de dingen, die komen zouden. Door dat geloof zagen zij van verre de vervulling van Gods beloften, en waren daardoor in staat die machtige daden des geloofs te verrichten, die ons thans nog met bewondering vervullen.

 

Na deze verklaring van het geloof volgt de voorstelling van de groote heilswaarheden des Christendoms. En dan komt het allereerst de schepping des heelals. God begint met het begin. Het geloof in den almachtigen Schepper van hemel en aarde is het eerste punt van de christelijke geloofsleer. Dit is van meer belang, dan men gewoonlijk denkt. De heiligen des Ouden Verbonds, zoowel als de Gemeente des Heeren in de Handelingen prijzen en loven gedurig den grooten Schepper des heelals; en eenmaal zullen wij allen in den hemel, eer wij het Lam, dat geslacht is, den lof en de aanbidding toebrengen, ons neerbuigen voor den almachtigen Schepper des hemels en der aarde, en aan zijne voeten onze kronen neerwerpen, zeggende: "Gij zijt waardig, o onze Heer en onze God! te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil waren zij, en zijn zij geschapen geworden." (Openb. IV: 11.)

"Door het geloof verstaan wij, dat de werelden (het gansch heelal) door het woord Gods zijn toebereid, zoodat hetgeen men ziet, niet geworden is uit hetgeen zichtbaar is." Let wel op, dat de Apostel niet zegt: wij gelooven, dat God alles uit niet heeft voortgebracht; maar dat hij zegt: "Door het geloof verstaan wij." Dat wil zeggen: wij begrijpen het volkomen. Hoe dit gebeurd is, op welke wijze zulks plaats gevonden heeft, dat verstaan wij natuurlijk niet. Om dat te verstaan zouden wij Gode gelijk moeten zijn. Evenmin als wij God kunnen begrijpen, kunnen wij zijne werken begrijpen. Maar als wij gelooven in een almachtigen God dan is het zoo klaar als de dag, dat die God alle dingen uit niet heeft voortgebracht. Uit iets iets maken, dat kunnen wij ook. Geef een timmerman een stuk hout, en hij maakt u een tafel; maar zonder hout kan hij dit niet. Had God dus niet uit niet de wereld gemaakt, dan ware Hij ons gelijk, en geenszins de Almachtige. Daarom verstaat het geloof, dat de werelden door het woord Gods, op zijn bevel, uit niet te voorschijn gekomen zijn. Het geloof is daarvan ten volle verzekerd. Wat voor honderden geleerden nog een onopgelost raadsel is, staat voor den eenvoudigste der geloovigen volkomen vast. Hij zoekt den oorsprong aller dingen, niet in de stof of in het toeval, maar in den almachtigen God.

Van de schepping der wereld komen wij tot de verzoening. "Door het geloof offerde Abel Gode een beter slachtoffer dan Kan, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, daar God over zijne gave getuigenis gaf; en door hetzelve spreekt hij nog, nadat hij gestorven is." (vs. 4.) De val des menschen wordt hier niet vermeld, daar die in een opsomming van de geloofsdaden der heiligen geen plaats vinden kon; doch hij wordt voorondersteld; want ware de mensch niet gevallen, dan zou er geen verzoening noodig zijn geweest.

Abel's offer gaf uitdrukking aan de overtuiging zijner ziel, dat hij zonder bloedstorting, zonder verzoening niet naderen kon tot God. Door zijne offerande betuigde hij: "Ik heb den dood rechtvaardig verdiend, ik kan voor Uw aangezicht niet verschijnen, o Heer! tenzij dat Gij genadiglijk verzoening doet over mijne zonde. Wilt Gij in mijne plaats den dood van dit slachtoffer aannemen, en mij dan op grond dier offerande in uwe tegenwoordigheid toelaten?" Terwijl Kan kwam als een priester om Gode zijn dankoffer te brengen, verscheen Abel als een zondaar met een zoenoffer voor het aangezicht des Heeren. Daarom was Abel's offer beter dan het slachtoffer van Kan. Daarom werd Abel's offer aangenomen en dat van Kan verworpen. De Heer wil door een zondaar niet gediend worden. Zulke offeranden zijn Hem een gruwel. Maar waar Abel met de erkentenis van zijn schuld en van de rechtvaardigheid des oordeels voor Gods aangezicht verschijnt, daar neemt de Heer genadiglijk dit offer aan, en geeft hem het getuigenis in zijne ziel, dat hij rechtvaardig was.

Het was door het geloof, dat Abel aldus handelde door het geloof aan zijne schuldigheid en verlorenheid en aan Gods vergevende genade. Door het geloof had hij leeren verstaan, in welk een toestand de mensch door de zonde gekomen was, en door het geloof had hij de paradijsbelofte aangegrepen, en volgde hij het voorbeeld na, door God gegeven in het maken van schorten van beestenvellen voor Adam en Eva. En door dat geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. Want Abel's offer is een type van de offerande van Christus. Door die offerande is een volkomene en eeuwige verzoening teweeggebracht. Zonder bloedstorting is er geen vergeving, maar het bloed van Jezus Christus, Gods zoon, reinigt ons van alle zonde. God heeft dit offer aangenomen. Nadat Jezus aan het kruis zich als het offer voor de zonde overgegeven en onze zonden gedragen had, heeft Hij als de groote Hoogepriester het bloed der verzoening, zijn eigen bloed - gedragen in het hemelsch heiligdom voor den troon des rechtvaardigen en heiligen Gods, en is door God aan zijne rechterhand geplaatst en met eer en heerlijkheid gekroond. De heilige en rechtvaardige God, onze Rechter, heeft dus genoegen genomen met dit offer zijns Zoons, en heeft verklaard, dat zijne gerechtigheid en heiligheid volkomen bevredigd zijn door het volbrachte werk van Christus.

Wie nu als een verloren, schuldig en doemwaardig zondaar voor God treedt met de offerande van Christus, die bekomt de getuigenis, dat hij rechtvaardig is, daar God getuigenis gegeven heeft over die offerande, evenals Hij getuigenis gaf over de gaven, die Abel bracht. Niet over Abel, maar over de gave, die Abel bracht, gaf de Heere God getuigenis. Wanneer God over Abel getuigenis had moeten geven, dan had Hij niets anders kunnen zeggen, dan dat Abel, evenals Kan, een arm, verloren, schuldig zondaar was. Maar God gaf over zijne gave getuigenis. Hij nam Abel's offer aan ter verzoening. Hij verklaarde zich tevreden met deze plaatsvervanging. En zoo heeft God getuigenis gegeven over de offerande van Christus, want God heeft zijnen Zoon opgewekt uit de dooden en Hem met eer en heerlijkheid gekroond aan zijne rechterhand in den hemel. Wie dus met de offerande van Christus voor God treedt, die heeft de getuigenis, dat hij rechtvaardig is. "Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om Onze rechtvaardiging. Die geen zonde gekend heeft, dien heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in hem. Door ne offerande heeft Hij voor altijd volmaakt degenen, die geheiligd worden."

En die offerande van Christus is z algenoegzaam; dat bloed van Christus heeft zulk een algenoegzame kracht, dat ieder zondaar, die daardoor verzoend en gereinigd is geworden, terstond bekwaam is om in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God, in het licht zijns aanschijns, in het hemelsche heiligdom te verschijnen. Treffend wordt dit in het licht gesteld in deze voorstelling der groote heilswaarheden des Christendoms. Na de verzoening toch komt direct de hemelvaart. Henoch's hemelvaart is het voorbeeld van de hemelvaart der Gemeente. Voordat Jezus verschijnen zal op deze aarde om de wereld te oordeelen en zijn heerlijk koninkrijk op te richten; ja, voordat de ure der verzoeking komt over deze aarde, en Gods oordeelen zullen worden uitgestort over de ongeloovige en Christus vijandige menschheid, komt de hemelsche Bruidegom in de lucht, om zijne geliefde Bruid tot zich op te nemen en haar te brengen in het heerlijk Vaderhuis, waar Hij haar plaats bereidde. Dan worden de ontslapenen opgewekt en die levend overbleven veranderd; dan ontvangen allen een nieuw, onsterfelijk, onverderfelijk lichaam, gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van Jezus, en worden allen gezamenlijk den Heer te gemoet in de lucht opgenomen, om voor altijd bij den Heer te zijn. (Zie 1 Kor. XV ; Tit. II; 1 Thess. IV.)

Na de verzoening komt de hemelvaart. Van de woestijnreis is hier geen sprake. Er is een reis door de woestijn, gelijk wij straks zien zullen, maar die reis door de woestijn heeft geenszins ten doel om ons voor den hemel geschikt te maken. Zoodra wij door de offerande van Christus met God verzoend zijn en van onze zonden zijn gereinigd geworden, zijn wij voor den hemel geschikt, en bekwaam om in Gods tegenwoordigheid te verschijnen. Wie in Christus gelooft, is door zijne offerande in eeuwigheid volmaakt, en kan terstond in den hemel worden opgenomen; en al blijft hij ook nog vijftig jaren hier beneden rondwandelen, dan zal hij daardoor wel veelmeer de liefde en genade zijns Gods en de algenoegzaamheid van het werk van Christus leeren verstaan, maar geenszins geschikter worden voor de tegenwoordigheid des Heeren. Het kind in de genade is evenzeer en even volkomen toebereid voor den hemel en voor de heerlijkheid Gods, als de jongeling en de vader in Christus. Niet door onze ervaringen van Gods trouw en liefde; niet door een heiligen wandel en door de oefeningen des geloofs, maar uitsluitend door het volbrachte werk van Christus worden wij bekwaam gemaakt voor het wandelen in het licht voor het ingaan in het hemelsch heiligdom.

De heerlijke geschiedenis van den moordenaar aan het kruis strekt daarvoor ten bewijze. Des morgens nog een lasteraar van Jezus ging hij, eer de avond gedaald was, met Jezus naar het hemelsch paradijs. En dit kan met ieder geloovige plaats vinden. God vindt het goed om de zijnen als zijne getuigen hier beneden te laten, maar indien Hij het wilde, dan kon ieder direct na zijne bekeering den hemel binnengaan. Als Jezus wederkomt om ons op te nemen in het Vaderhuis, dan zal dit op heerlijke wijze blijken. Denk er maar over na, en gij zult het mij gereedelijk toestemmen. Stel u voor, dat de Heer van avond wederkomt; zal Hij dan niet de zijnen op aarde in allerlei toestanden aantreffen? Zullen er dan niet zijn kinderen en jongelingen en vaders, zwakken en sterken, pasbekeerden en vergevorderden? En zullen zij niet allen te zamen, in n oogenblik, zonder andere voorbereiding dan de verandering huns lichaams, in den hemel worden opgenomen? Zullen er bij die duizenden geen gevonden worden, die een dag, ja een uur van te voren tot God bekeerd werden? Dit is ontwijfelbaar zeker. Zoo zijn dus allen bereid voor den hemel. Ja, wij kunnen nog verder gaan, en zeggen volgens de Schrift, dat ieder geloovige reeds hier beneden, hoewel hij nog in zwakheid verkeert, door het geloof vrijmoedigheid heeft om in te gaan in het hemelsch heiligdom op een nieuwen en levenden weg, dien de Heer heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is zijn vleesch; zoodat de Apostel ons vermaant, om met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, toe te gaan en als priesters te treden voor Gods aangezicht, aangezien ons hart besprengd is met het bloed van Christus, en alzoo gereinigd is geworden van het kwaad geweten, en het lichaam gewasschen is met rein water.

Wie dit verstaan heeft door de kracht des Heiligen Geestes, die heeft ware rust en voortdurenden vrede voor zijne ziel. Die kan zeggen: "Hij, in wien God zelf kan rusten, is het rustpunt ook voor mij." Die wordt niet meer heen en weer bewogen door de veranderlijke stemming zijns gemoeds, en evenmin door de aanwezigheid van de booze, bedorvene natuur, van het vleesch, dat vijandschap is tegen God, en zich aan Gods wet niet onderwerpt en niet onderwerpen kan. Die staat in de genade, tot welke hij altijd den vrijen toegang heeft, en roemt in de hoop der heerlijkheid Gods. Hebt gij dit begrepen, mijn broeder? Rust uwe ziel in dit volbrachte werk van Christus? Zijt gij verzekerd van uwe gemeenschap met God? Ziet gij uwe plaats in den hemel aan de rechterhand Gods? En gaat gij als een priester des Heeren het heiligdom binnen om daar de offeranden van lof, dank en aanbidding den Heere te brengen? God geve het. Daardoor alleen wordt zijn Naam op de rechte wijze verheerlijkt, en daardoor alleen kunt gij uwe reis met blijdschap voortzetten.

 

Doch gaan wij verder met de overdenking van ons Hoofdstuk. Na de hemelvaart der Gemeente volgt het oordeel over de wereld en de bewaring der heiligen, die dan leven. De zondvloed is het voorbeeld van het oordeel, dat bij de komst des Heeren Jezus op aarde de ongeloovige, goddelooze wereld treffen zal. De Heer zelf heeft de dagen, die aan zijne wederkomst voorafgaan, vergeleken bij de dagen van Noach en Lot. Gelijk de tijdgenooten van Noach aten en dronken, trouwden en ten huwelijk uitgaven, alsof er geen zondvloed komen zou, zoo zal het zijn in de dagen van den Zoon des menschen. Vrede, vrede en geen gevaar! zal de ongeloovige wereld roepen, totdat plotseling door de komst van Christus een haastig verderf over haar komen zal. Maar evenals Noach en de zijnen, door het oordeel heen, gered werden om een nieuwe aarde te bewonen, zoo zal er, na de opname der Gemeente (Henoch) een overblijfsel uit Isral en de volken zijn, dat aan de algemeene goddeloosheid geen deel neemt, en de aanbidding van den Antichrist en zijn beeld weigert, en daarom door den Heer zal worden gespaard, om deel te ontvangen aan zijn heerlijk koninkrijk en om te wonen op de door het oordeel gereinigde aarde.

In de eerste zeven verzen van Hebr. XI vinden wij derhalve ten eerste een definitie van het geloof, en daarna achtereenvolgens de groote heilswaarheden des Christendoms: de schepping des heelals, de verzoening, de hemelvaart der Gemeente, het oordeel der wereld en de bewaring der heiligen gedurende dat oordeel. Op deze schoone en merkwaardige typische voorstelling volgt dan de beschrijving van het standpunt, 'twelk de geloovigen in Christus in dezen tijd, in de bedeeling des Heiligen Geestes, hebben in te nemen.

Hier komt dus de woestijnreis. Merken wij wel op, dat die reis door de woestijn eerst thans, en niet vroeger, komt. Niet tusschen de verzoening en de hemelvaart, waar zij praktisch thuis behoort, want nadat wij verzoend zijn en vrdat wij in den hemel worden opgenomen, reizen wij door deze wereld; maar na de voorstelling van de groote heilswaarheden. Die woestijnreis, hoe belangrijk overigens, maakt dus geen deel uit van de heilswaarheid, en behoort niet tot het werk van Christus, ter onzer verzoening en verlossing volbracht, en evenmin tot de volvoering van Gods raadsbesluiten ten opzichte van den hemel en de aarde. Wie dit niet inziet, komt noodzakelijk tot het verwarren van Gods raadsbesluiten met Gods wegen, en kan, gelijk wij reeds opmerkten, onmogelijk een ongestoorden vrede smaken. De ware beteekenis van de woestijnreis kunnen wij eerst verstaan, als wij ten volle verzekerd zijn van ons heil in Christus, en met alle vrijmoedigheid in Gods tegenwoordigheid treden kunnen. De gedachte, alsof wij hier beneden zijn achtergelaten om voor den hemel toebereid te worden, is dan verre van ons, en wij nemen in het midden eener booze, vijandige wereld, onze plaats in als getuigen voor Christus.

Christus heeft ons uit de wereld uitverkoren; (Joh. XIV : 16, 19.) Hij zeide van zijne discipelen tot den Vader: "Zij zijn niet van de wereld, gelijk ik van de wereld niet ben. Heilig hen door de waarheid; uw woord is de waarheid. Gelijk Gij mij gezonden hebt in de wereld, zoo heb ook ik hen in de wereld gezonden." (Joh. XVII : 16-18.) Ziedaar dus ons standpunt hier beneden. Uit de wereld uitverkoren, niet tot de wereld, maar tot den hemel behoorende, zijn wij in de wereld gezonden om daar getuigen van Christus te zijn. Ons vaderland is de hemel; ons tehuis is daarboven; onze woning is het Vaderhuis, waar Jezus ons plaats bereidde. Hier beneden zijn wij vreemdelingen en bijwoners, gelijk Abraham zulks was in het land der belofte. Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende; en daarom vertoeven wij, evenals Abraham, door het geloof als vreemdeling in een vreemd land, en zoeken hier geen rust en geen gemak, geen heerschappij en geen naam; want ons oog is gevestigd op de stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is, en ons hart verlangt naar het eind van de reis, naar onze hemelsche woning, waar eeuwige heerlijkheid ons deel wezen zal.

Gedurende die reis door de woestijn, in onze vreemdelingschap hier beneden, valt er veel te leeren en veel te genieten. Wij leeren onszelven kennen, wij worden gewaar wat er woont in het vleesch. Wij leeren God kennen als de Almachtige, als Jehovah, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, als onze Vader in Christus. Wij ondervinden zijne goedheid en trouw; wij aanschouwen zijne macht en hulp; wij genieten zijn medegevoel en zijne gemeenschap. Ons geloof wordt beproefd, maar door die beproeving gesterkt. Evenals het goud door het vuur gelouterd wordt, en als fijn goud uit de smeltkroes te voorschijn komt, zoo wordt van het geloof, dat goddelijk levensbeginsel in onze ziel, al wat schadelijk en onrein en aardsch is, afgezonderd, zoodat het ten slotte als louter geloof schitterend te voorschijn treedt. Abraham's geschiedenis is daarvan een treffend en heerlijk bewijs. Jaren lang beproefd, leerde hij door het geloof te volharden, zoodat hij aan Gods beloften nimmer twijfelde door ongeloof, en eindelijk in staat werd om de grootste geloofsbeproeving, welke ooit aan een sterfelijk mensch werd opgelegd, schitterend te doorstaan, en te worden de vader der geloovigen. De verdrukking werkt volharding, en de volharding bevinding, ervaring van Gods trouw en goedheid, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons gegeven is.

Wel is derhalve de woestijnreis belangrijk. Indien wij maar ons waar christelijk standpunt innemen, en als vreemdelingen hier vertoeven, dan is er veel te leeren en veel te genieten; en eenmaal zullen wij in het heerlijk licht des Heeren, waarin alle raadselen worden opgelost, ons verblijden over al de wegen des Heeren, en Hem danken voor zijne genade, ons bewezen.