De eerste brief aan TimotheŘs

HOOFDSTUK III. (vervolg)

 

"Deze dingen schrijf ik u, hopende spoedig tot u te komen; maar zoo ik vertoef, opdat gij weet, hoe men in Gods huis verkeeren moet, 't welk de gemeente des levenden Gods is, de pilaar en grondslag der waarheid." (vs. 14, 15.) Merkwaardige woorden! Gelijk op vele andere plaatsen in de brieven van Paulus, zoo geven ook hier de omstandigheden in de gemeente hem aanleiding tot ontvouwing der waarheid. De aanwijzingen omtrent de ouderlingen en diakenen, welke voor TimotheŘs noodig waren, opdat hij weten zou, hoe hij zich in de gemeente moest gedragen, leidden den Apostel er toe om te zeggen, wat de gemeente des Heeren is. Zij is 1o. Gods huis; 2o. de gemeente des levenden Gods; 3o. de pilaar en grondslag der waarheid. Dit was zij niet alleen in die dagen van orde en rust, van vreugde en eenheid; maar dit is zij ten allen tijde. Voorzeker, het onderscheid tusschen den praktischen toestand van toen en thans is ontzachlijk groot; doch dit neemt niet weg, dat, dank zij Gods genade! de Gemeente, in Gods oog en naar Gods gedachte, ten allen tijde dezelfde is; zoodat het de roeping is van allen, die gelooven, en die dus levende leden der Gemeente zijn, om die Gemeente in haar waar karakter te erkennen en zich in overeenstemming met dat karakter te gedragen. Het verval der Gemeente, waarover wij treuren en ons verootmoedigen, verhindert ons dus niet om te handelen naar dezelfde beginselen, die in de dagen der Apostelen geldig waren. De tijden en omstandigheden kunnen die beginselen niet veranderen of wijzigen. De Heer verwacht van ieder der zijnen, dat hij in zijne Gemeente verkeert, zooals het Hem welbehagelijk en overeenkomstig zijne gedachte is. Daartoe is het van het uiterste belang te weten, wat de Gemeente is.

Welnu de Gemeente is Gods huis. Gelijk God eertijds woonde in den tempel te Jeruzalem tusschen de cherubijnen der heerlijkheid, zoo woont God nu in de Gemeente. Daarom is de Gemeente Gods huis; en wel Gods huis op aarde, want de Apostel schrijft deze dingen, opdat TimotheŘs weten zou, hoe men in Gods huis verkeeren moet. Hoedanig ook de praktische toestand der Gemeente wezen moge, zoolang de ware geloovigen nog op aarde zijn, in wie de Heilige Geest woont, blijft de Gemeente het huis van God. Eerst bij de komst van Jezus, als de geloovigen in den hemel worden opgenomen, wordt de Gemeente, volgens de Openbaring, de groote hoer en Babylon, en gaat zij haar oordeel te gemoet. Dit is van groot gewicht. Is toch de Gemeente het huis van God, dan heeft God alles over dat huis te zeggen; dan mag Hij alleen regelen stellen; dan heeft ieder in dat huis zich naar Zijnen wil te gedragen en naar Zijn woord te luisteren; en dan is het niets minder dan terzijdestelling van Zijn gezag, wanneer men in dat huis naar eigen goedvinden handelt en wandelt.

De Gemeente is, in de tweede plaats, de gemeente des levenden Gods. God, in Wien, in tegenstelling met de menschen en met de afgoden, de macht des levens is, heeft een gemeente, een vergadering, buiten deze wereld, welke Hij voor Zich heeft afgezonderd.

En in de derde plaats is de Gemeente de pilaar en grondslag der waarheid. De Gemeente is de waarheid niet; het woord van God is de waarheid. "Uw woord is de waarheid," zegt de Heer in Joh. XVII, en het geloof aan de waarheid vergadert de gemeente. Maar de Gemeente is de pilaar en grondslag der waarheid hier beneden; dat wil zeggen, zij handhaaft de waarheid op aarde. Wanneer zij in den hemel zal zijn opgenomen, zullen de menschen aan de dwaling worden overgegeven, zoodat zij allen den mensch der zonde, den zoon des verderfs, zullen aanbidden. (Zie 2 Thess. II.) De Gemeente is door God op aarde gesteld om de waarheid te handhaven en te prediken. Toen Christus hier op aarde wandelde, die in zijn eigen persoon de waarheid was en is, gelijk Hij is de weg en het leven, toen handhaafde en predikte Hij de waarheid; doch Hij is nu verborgen in God; en gedurende zijne afwezigheid is de Gemeente door God op aarde gesteld om de pilaar en grondslag der waarheid te zijn. Waar dus de waarheid niet gehandhaafd en gepredikt wordt, daar is de Gemeente niet, zooals God haar kent. Uit het Woord van God weten wij, dat er ten gevolge van dwaling en ketterij, door de list des satans en de zonde der menschen, ten slotte slechts een klein overblijfsel zal gevonden worden, 't welk het Woord des Heeren zal bewaren en zijnen naam niet zal verloochenen: 't welk derhalve de waarheid zal handhaven en voorstellen, en daarom door den Heer zal worden gekroond, beloond en verlost; zoodat het in de ure der verzoeking, die over het geheele aardrijk komen zal, in de hemelsche heerlijkheid zal wonen. Dat overblijfsel, de kleine kudde, in Filadelfia profetisch voorgesteld, is dan naar Gods gedachte de Gemeente, die de pilaar en grondslag der waarheid is. Al de anderen, die wel den naam van getuigen dragen, maar het tegenovergestelde zijn, worden uit den mond des Heeren gespuwd.

De tegenwoordigheid van den levenden God en de belijdenis der waarheid zijn derhalve de ware kenmerken van het huis Gods. Daar waar de vergadering des levenden Gods, daar waar de waarheid is, daar is dat huis. Om derhalve te kunnen beoordeelen, wat de Gemeente is, moeten wij den levenden God kennen en de waarheid kunnen onderscheiden. De Heer verlangt van iederen waren aanbidder, dat hij aanbidt in Geest en in waarheid.

De Apostel ontvouwt nu, in verband met dit derde en belangrijke karakter van de Gemeente, de waarheid, tot welker handhaving zij geroepen is. Het spreekt vanzelf, dat hij hier de waarheid niet ontwikkelt in al hare deelen; dit zou in dezen brief de plaats niet zijn, en is trouwens ook onmogelijk, want wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele; maar hij stelt ons hier het levende middelpunt der waarheid voor oogen, den persoon onzes Heeren Jezus Christus, gelijk Hij gekomen is om den mensch tot God en God tot den mensch te brengen. Het geheele gebouw der waarheid is op Hem gegrond en van Hem doortrokken. De Gemeente is gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is. Niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. Daarom verderft elke dwaling omtrent zijn persoon en werk de gemeente Gods; en wie den tempel Gods verderft, dien zal God verderven. (Zie Efez. II en 1 Kor. III.) Het is dan ook hoogst merkwaardig, dat de Apostel, Christus, het levende middelpunt der waarheid, voorstellende, spreekt over de verborgenheid der godzaligheid; daar de loochening van Christus als God en Mensch, als Verlosser en Heer, haar eind en haar toppunt zal vinden in de verborgenheid der wetteloosheid, die nu wel reeds werkt, maar die verpersoonlijkt zal optreden in den Antichrist, den mensch der zonde, aan wien de heele wereld goddelijke eer zal bewijzen.

"En ongetwijfeld de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, gerechtvaardigd in den Geest, gezien door de engelen, gepredikt onder de volken, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid." (vs. 16.)

Voorwaar, deze verborgenheid is wel groot! Wie zal ze bevatten? Wie ze doorgronden? God is geopenbaard in het vleesch. Het Woord, dat in den beginne was, het Woord dat bij God en God was, door hetwelk alle dingen, die bestaan, zijn geworden, - dat Woord is geopenbaard in het vleesch, en heeft onder ons gewoond. De Schepper van hemel en aarde, voor Wien de engelen zich bogen, heeft zich zˇˇ diep vernederd, dat Hij gekomen is in de natuur van hem, die door de zonde geheel bedorven was, en door wien Gods schoone schepping in verwarring gekomen is. Welk een wijsheid! God, die liefde is, heeft den weg gevonden om den verloren, schuldigen mensch met Zich te verzoenen en aan zijne heerlijkheid deel te geven; daartoe daalde Hij neder op aarde, te midden van het kwaad en de zwakheid, in de menschelijke natuur; zoo doende toonende, dat de liefde sterker is dan alles, sterker dan zonde en dood.

God is geopenbaard in het vleesch. In alles is Christus den broederen gelijk geworden, aan vleesch en bloed heeft Hij deelgenomen, met onze zwakheden kan Hij medelijden hebben, omdat Hij in alle dingen verzocht is, gelijk wij. Was er dan zonde in Hem, die zich aldus heeft geopenbaard? Was Hij, evenals wij, onderworpen aan de slavernij der zonde? Neen, geenszins! Hij is in alle dingen verzocht gelijk wij, uitgenomen de zonde. Er was geen zonde in Hem. Hij deed niet alleen geen zonde, maar Hij kende de zonde niet. De Heilige Geest draagt er met de meeste nauwgezetheid zorg voor, dat, waar de vernedering van Gods Zoon wordt voorgesteld, de heerlijkheid zijns Persoons op den voorgrond treedt. Zoo ook hier. "God is geopenbaard in het vleesch" - ziedaar zijne vernedering. "Gerechtvaardigd in den Geest" - ziedaar zijne heerlijkheid. De kracht des Heiligen Geestes openbaarde zich gedurende zijn geheele leven, blonk schitterend uit in zijn sterven, en heeft Hem als Gods Zoon in kracht verklaard door de opstanding der dooden. In dezelfde omstandigheden, waarin wij verkeeren, heeft Hij getoond boven het kwaad verheven te zijn niet alleen, maar volmaakt te zijn in al wat goed is; zoodat de afwezigheid van elke zonde gedurende zijn geheele leven openbaar werd voor de gewetens der menschen, gelijk zij met kracht is geopenbaard in zijne opstanding.

Hij is "gezien door de engelen." Deze heilige wezens, deze boden Gods, die zich in den hemel met bedekking hunner aangezichten voor den eeuwigen Zoon neerbogen, daalden op aarde, toen hun Schepper en Heer, in doeken gewonden, nederlag in de kribbe van Bethlehem, en vertelden toen en later zijnen lof. Op den Zoon des menschen zouden Gods engelen opklimmen en nederdalen. Hoewel zelven geen voorwerpen van Gods heilgeheim, sloegen zij vol bewondering en aanbidding het groote mysterie der menschwording gade, en verheugden zich in de onuitsprekelijke genade, den menschen wedervaren.

Hij is "gepredikt onder de volken," want God is niet slechts een God der Joden, maar een Heiland van alle menschen. Hij is "geloofd in de wereld," in plaats van, gelijk later gebeuren zal, gezien in heerlijkheid, heerschende in gerechtigheid op zijnen troon. Hij is "opgenomen in heerlijkheid," daar waar Hij vroeger was, en waar Hij voor allen, die in Hem gelooven, een plaats bereidde.