De tweede komst des Heeren.

Luk. XII.

Ik wensch eenige woorden te zeggen over de tweede komst des Heeren, en enkele Schriftuurplaatsen na te gaan, die over die komst spreken, niet als profetie, maar als de door Christus zelf aan de geloovigen voorgestelde hoop. Ik wensch er over te spreken op een praktische wijze, met toepassing op onzen christelijken wandel.

In den eersten brief aan de Thessalonikers wordt, aan het einde van ieder hoofdstuk, de komst des Heeren voor ons geplaatst. De Christenen van Thessalonika waren pas bekeerd, en zij waren bekeerd geworden om den Zoon van God uit de hemelen te verwachten. (1: 9, 10.) Het was een deel van hun Christendom, van hunne roeping als geloovigen om den Zoon van God uit de hemelen te verwachten, "dien Hij uit de dooden heeft opgewekt." Het was de vreugde van Paulus om ten aanzien van de vruchten zijner bediening te zien op de kroon des roems, die hij zou hebben in de tegenwoordigheid van den Heer Jezus, bij zijne komst. - Was er sprake van den wandel der Thessalonikers, ook die staat in betrekking tot de komst des Heeren; (III: 13.) hunne harten moesten onberispelijk bewaard worden in heiligheid voor God, onzen Vader, bij de komst van den Heer Jezus. Indien de sluier voor een oogenblik werd opgeheven, en wij den Zoon des menschen, die in heerlijkheid komt, en onze plaats in Hem, konden zien, hoe gerust zouden wij wandelen, en hoe heilig zouden onze wegen in deze wereld zijn!

De hoop zijner komst bewerkt altoos heiligheid in den wandel. "Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is." (1 Joh. III: 3.) De Thessalonikers vergisten zich ten aanzien van hunne vrienden, die gestorven waren. (IV : 13, enz.) Zij vreesden, dat deze daardoor beroofd zouden zijn van al de zegeningen, die de komst des Heeren zou aanbrengen. De Apostel zegt hun, dat dit niet het geval zal zijn: "Wij willen u niet onkundig laten, broeders! aangaande hen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, evenals de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij gelooven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zoo zal ook God hen, die door Jezus ontslapen zijn, met hem brengen. Wij, de levenden, die overblijven tot de komst des Heeren zullen niet voorkomen hen, die ontslapen zijn, enz." Zij, die ontslapen waren, zouden het voorrecht hebben eerst op te staan. Zoowel tot vertroosting in de ure der droefheid, als tot ondersteuning in de beproeving of tot kracht tot de dienst, is het altoos: "Vertroost elkander met deze woorden." "De God nu des vredes zelf heilige u gansch en al; en geheel uw geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard bij de komst onzes Heeren Jezus Christus." (V: 23.)

Dit is het karakter van de morgenster. Den Heer te verwachten, dringt tot een heiligen wandel. Toen de Heer deze wereld verliet, scheen het, alsof Hij zijne discipelen aan henzelven overliet; maar het was juist het tegendeel. (Joh. XIV : 2, 3, 16.) In het begin van de Handelingen der Apostelen is van zijne verschijning sprake; terwijl de Heer in het XIVe hoofdstuk van Johannes van zijne komst voor de zijnen spreekt; doch Hij zal niet wederkomen, voordat al zijne mede-erfgenamen zijn vergaderd geworden. In het derde hoofdstuk van den brief aan de Filippiërs zegt Paulus, dat onze wandel, ons burgerschap in de hemelen is. Dit wil zeggen, dat vóór de komst des Heeren ons leven, als opgestanen met Hem, boven is; "vanwaar wij ook als Heiland den Heer Jezus Christus verwachten, die het lichaam onzer vernedering veranderen zal tot gelijkvormigheid aan het lichaam zijner heerlijkheid." Aan het einde van de Openbaring wordt de morgenster voorgesteld als onze hoop: "Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster." Van de morgenster wordt slechts driemaal in de Schrift gewag gemaakt, en telkenmale in betrekking tot de komst van Jezus voor de Gemeente, niet voor de wereld, noch voor het duizendjarig rijk. Wanneer de zon der gerechtigheid zal opgaan, zal het zijn ten oordeel. De Morgenster wordt gezien door hen, die waken; door hen, die gedurende de duisternis van den nacht den dag verwachten. "De Geest en de bruid zeggen: Kom!" De Geest, de Christen, de Gemeente zeggen: Kom! Ik heb den Geest, en ik heb het water des levens, maar ik heb nog niet de Morgenster, en daarom zegt de Bruid: Kom! Het eerste hoofdstuk der Openbaring gaat al den tijd, die er verloopt tusschen de eerste komst des Heeren en zijne wederkomst, met stilzwijgen voorbij. De heiligen zeggen: Hem, die ons liefheeft, en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk," enz.; doch met Hem te regeeren is niet de grootste heerlijkheid. Indien die Koning onze bruidegom is, zou het dan zijn koningschap zijn, 't welk mijn hart boven alles zal aantrekken? Neen, de Gemeente is zijne bruid; en de belofte van te heerschen met Hem zal nimmer zulk een uitwerking op onze harten hebben als het bewustzijn, dat wij zijne bruid zijn. De belofte van met Hem te heerschen is niet te vergelijken met de wetenschap, dat het onze bruidegom is, die regeert. "Ik kom haastelijk," dat is de belofte, die het hart van den Christen met vreugde vervult. De Heer zegt tot het overblijfsel te Thyatire: "En die overwint, en mijne werken tot het einde bewaart, ik zal hem macht geven over de volken." Dat is de heerlijkheid. Maar is dat alles? Neen. "En ik zal hem de morgenster geven." O! Hij - zelf is het, die voor ons komt. "Wij hebben het profetische woord, dat bevestigd geworden is," enz. De profetie is een lamp, die schijnt in deze duistere wereld, maar als gij geniet van de persoonlijke kennis zijner komst, dan is het verlangen uws harten voldaan. Het eigenaardige van den Christen, hetgeen het meest met zijn standpunt overeenkomt, is: den Zoon van God uit de hemelen te verwachten. De Thessalonikers waren bekeerd geworden om den levenden en waarachtigen God te dienen, en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten.

De Heer spreekt nooit over zijne komst, als zou die plaats hebben na het leven van hen, tot wie Hij spreekt. Zoo gaan dezelfde maagden, die uitgaan den bruidegom te gemoet, ook in tot de bruiloft. Het is waar, dat de Heer Petrus bekend gemaakt heeft, dat hij zijn aardschen tabernakel zou afleggen maar dat is een uitzondering, en gelijk men weet, de uitzondering bevestigt den regel. Derhalve is het onze roeping den Heer te verwachten; dat is de regel voor ons; voor den Christen is de dood een uitzondering. Sterven is niet de hoop van den Christen; zijne hoop is den Heer te gemoet te gaan in de lucht. Sterven wij, dan zullen wij uit het lichaam uitwonen en bij den Heer inwonen; en als Hij verschijnen zal, dan zullen wij met Hem verschijnen. Wij zullen den Heer zien van aangezicht tot aangezicht; wij zullen Hem gelijk zijn dat is de vreugde van den Christen. De Heer komt ten tweeden male, zonder zonde, zonder lijden. Hij heeft geleden; en wij kunnen de diepten van dat lijden niet peilen; niemand kan dit dan de Vader; zelfs de eeuwigheid zal onvoldoende zijn, om dat lijden in al zijn uitgestrektheid te leeren kennen. Welnu, Hem, die zooveel geleden heeft, zal ik zien. Heb ik iemand lief, dan verlang ik hem te zien. Vooronderstel, dat alle menschen in deze stad den Heer Jezus van den hemel verwachtten, welk een verandering zou dat teweegbrengen! Sterven is niet hetzelfde; de menschen weten, dat zij sterven moeten; zij zijn er aan gewoon te zien sterven; maar den Heer dagelijks te verwachten zou den loop der dingen in deze wereld geheel veranderen. Waren wij van deze wereld, dan zou de gedachte aan zijne komst een einde maken aan al onze voornemens; doch de Christen weet, dat hij aan het beeld van Gods Zoon niet volmaakt gelijkvormig zal zijn, eer Jezus wederkomen zal; en daarom verlangt hij naar deze komst. Een Christen is iemand, die zich bevindt tusschen de eerste en de tweede komst van Christus. Hij is met Christus verbonden; hij dient en verwacht Hem; en hij waakt, Hem verwachtende. Gaan wij door den dood, dan zullen wij bij Hem wachten.

"Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn." (Luk. XXII : 34.) Er is in dezen tekst een vermaning en een belofte. Uw voorwerp is niet de wereld; doch het is uwe verantwoordelijkheid om Christus aan de wereld voor te stellen. Dat uwe lendenen omgord en uwe lampen brandende zijn." Houd u met de hemelsche dingen bezig, dan zult gij al, wat daarmede in strijd is, oordeelen. Wij moeten natuurlijk in deze wereld werken, om ons op eerlijke wijze voedsel en deksel te verschaffen. De Heer heeft gearbeid. Hij was niet alleen de zoon van den timmerman, maar Hij wordt zelf timmerman genoemd. Doch dit was zijn voorwerp niet. Zijn hart bevond zich niet in deze dingen. Weinig weten wij van de dertig eerste jaren zijns levens, maar wat wij er van weten, is, dat de wil van God reeds op twaalfjarigen leeftijd zijn voorwerp was. "Wist gij niet, dat ik zijn moest in de dingen mijns Vaders?" zeide Hij tot Jozef en Maria. Hij was altoos de gehoorzame mensch, steeds wachtende op een woord des Vaders. Ik moet "mijne lendenen omgord" hebben met de waarheid, en "mijne lamp brandende," en zijn gelijk degenen, die op hunnen heer wachten, gaande door deze wereld als iemand, wiens burgerrecht in den hemel is. Mijn gedrag moet zijn als van iemand, die zijnen heer verwacht. Zoodanig is het karakter, dat God bij een Christen wil zien. Het standpunt van den Christen is den Zoon van God uit de hemelen te verwachten. De booze dienstknecht zeide geenszins, dat zijn meester niet komen zou, maar dat hij vertoefde te komen; en alzoo komt bij er toe om zijne medeknechten te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden. Hij jaagde zijne eigene begeerten na. Een Christen moet zijn Heer verwachten, zonder het oogenblik van zijne komst te weten. Welgelukzalig die knechten, welke de Heer, als Hij komt, wakende zal vinden. De Heer verwacht van mij, dat mijn hart alzoo gesteld is. Is mijn hart met Christus vervuld, dan zal ik Hem verwachten. Mijne vreugde is het dan er gedurig aan te denken, dat Hij zal komen om mij tot Zich op te nemen, om bij Hem te zijn, waar niet één heilige zal gevonden worden, die niet uit- en inwendig aan Hem zal gelijk zijn. Maria Magdalena, uit wie Hij zeven duivelen geworpen had, en de moordenaar, die aan het kruis hing, zullen met Hem zijn, Hem gelijk, gelijkvormig aan zijn beeld.

"Die ons te voren verordineerd heeft tot het zoonschap door Jezus Christus voor zichzelven, naar het welbehagen van zijnen wil, tot lof der heerlijkheid zijner genade." (Ef. 1 : 5, 6.) God wil ons in de hoogste hemelen hebben, in de heerlijkheid met zijnen Zoon. Doch Christus is voor altoos dienstknecht geworden. (Ex. XXI.) Hij heeft ons lief gehad tot den dood, tot den dood des kruises, en Hij zegt: "Als ik in den hemel zal zijn, dan zal ik u nog dienen." Hij heeft geen twaalf legioenen engelen willen hebben, neen! het was zijne vreugde te dienen; de liefde schept genoegen in dienen. (Joh. XIII.) Aan zijn dienen komt geen einde; wanneer Hij mij in den hemel zal hebben, dan zal het zijn lust zijn te dienen. "Ik zal hen doen aanzitten, en ik zal hen dienen," dat is de gedachte des Heeren ten opzichte der zijnen. Als ik denk, dat de Zoon van God van den hemel is neêrgedaald; dat hij mensch is geworden om voor mij te sterven; dan kan ik mij over niets meer verwonderen; dan kan ik alles verwachten. In den hemel zullen onze lendenen niet omgord zijn; o neen! Hij zal ons doen aanzitten, en Hij zelf zal ons dienen. Bij Hem te zijn is reeds zulk een groote zegen; maar dan aan te zitten en door Hem gediend te worden! Het is volstrekt niet moeielijk om te gelooven, dat Hij alles voor ons zijn zal, als wij weten, dat Hij de heerlijkheid verlaten heeft en mensch geworden is om ons te dienen. De verborgen wil van Gods hart is om mij gelijkvormig aan het beeld zijns Zoons te maken - daartoe ben ik verordineerd, en Christus zal de vrucht van den arbeid zijner ziel niet zien, voordat Hij ieder lid zijns lichaams in zijne heerlijkheid doet deelen, aan Hem volmaakt gelijk. Wij zullen met Hem heerschen, maar dat is niet het hoogste; er is een veel grootere vreugde voor de getrouwe bruid. Zij weet, dat, als Hij heerscht, zij met Hem heerschen zal, maar hare vreugde is het te kunnen zeggen: Hij, die heerscht, is onze bruidegom. Welnu, ik zal met Hem heerschen, maar dat komt eerst in de tweede plaats - het Vaderhuis overtreft alle heerlijkheid van het koninkrijk, en Christus heeft gezegd: "Ik ga heen om u plaats te bereiden." Christus kan zich niet van ons verwijderd houden. Hij heeft ons deze wereld niet gegeven; maar Hij geeft ons, wat de Vader Hem gegeven heeft. De heerlijkheid, waarin Hij als Zoon des menschen is ingegaan, ziedaar de heerlijkheid, welke Hij ons geeft. Gelooft gij, dat God u liefheeft, gelijk Hij zijnen Zoon liefheeft? Indien Hij zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, wat zal Hij ons dan niet met Hem schenken! God gaat altoos uit van hetgeen Hij in Zichzelven is; wij beginnen altijd met onszelven; wij gaan van beneden naar boven; het beste zou zijn, te doen zooals God wil. Indien ik op den Heer zie, indien ik Hem verwacht, dan zal mijne lende omgord en mijne lamp brandende zijn. Ik geloof, dat Hij weldra komen zal; zijne komst is mijn verlangen; en indien ik naar zijne komst verlang, dan zal ik wachten en waken; en "welgelukzalig die dienstknecht, welken de Heer, als hij komt, zal vinden alzoo doende."