De eerste brief aan Timotheüs

HOOFDSTUK I. (vervolg)

Dit evangelie van de heerlijkheid des zaligen Gods was aan Paulus toevertrouwd geworden, en daarin had de souvereine genade van God zich op de treffendste en heerlijkste wijze tentoongespreid. Daaraan denkende, was Paulus' ziel vervuld met bewondering en vreugde, met dank en aanbidding; en in merkwaardige bewoordingen geeft hij aan de gevoelens zijns harten uitdrukking.

"En ik dank Christus Jezus, onzen Heer, die mij bekrachtigd heeft, dat hij mij getrouw geacht en in de bediening gesteld heeft, mij die te voren een lasteraar en vervolger en verdrukker was; doch mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het onwetende heb ge­daan in ongeloof; en de genade onzes Heeren is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is. Het woord is getrouw en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, van wie ik de voor­naamste ben. Maar mij is daarom barmhartig­heid geschied, opdat Jezus Christus aan mij, die de voornaamste ben, al zijne lankmoedigheid zou betoonen, tot een voorbeeld voor hen, die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven." (vs. 12-16.)

Onuitsprekelijk heerlijke openbaring van Gods souvereine genade! Geen grooter lasteraar van den naam van Jezus van Nazareth, geen grooter vervolger en verdrukker der heiligen dan Saulus van Tarsus. Niet alleen stemde hij in met den hardnekkigen tegenstand van den Heiligen Geest, door de overpriesters en oudsten van Israël in de steeniging van Stefanus betoond, maar hij kon niet rusten, voordat hij alle volgelingen van den gehaten Nazarener van den aardbodem had verdelgd. Dreiging en moord tegen

de discipelen des Heeren blazende, was hij niet tevreden met de vervolging der heiligen te Jeruzalem, maar ver­zocht ook brieven van den hoogepriester aan de synagoge van Damaskus, om hen ook daar te binden en naar Jeru­zalem over te brengen om gestraft te worden. “In al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft en gedwongen te lasteren;" - zoo verhaalt hij-zelf aan Agrippa - “en uitermate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, zelfs in de buitenlandsche steden." Zoodat de vijandschap der Joden, als het ware, in hem verpersoonlijkt was.

Wel had hij dit onwetende gedaan, in ongeloof; hij meende waarlijk bij zichzelven, dat hij tegen den naam van Jezus van Nazareth veel vijandigs moest doen. (Zie Hand. XXVI.) Om die reden was hem dan ook barmhartigheid geschied. Indien hij toch geweten had, wat hij eigenlijk deed; indien hij de genade des Evangelies had gekend; en hij had zich dan op zulk een wijze geopenbaard, dan zou God zich over hem niet hebben kunnen ontfermen. Hij zou dan, evenals zoovelen der schriftgeleerden en farizeërs, aan het oordeel der verharding zijn prijsgegeven. Nochtans verminderde dit geenszins zijne schuld. Diep was hij daarvan doordrongen. Omdat hij een lasteraar en vervolger en verdrukker geweest was, noemt hij zich de voornaamste der zondaren. Op den weg naar Damaskus was hem dit duidelijk geworden. Meenende Gode een dienst te bewijzen; in de overtuiging dat hij een ijveraar was, zooals weinigen, voor de voorvaderlijke godsdienst; in de meening, dat hij de beste daad zijns levens verrichtte door de discipelen van Jezus ook in de buitenlandsche steden te vervolgen; werd hij op den weg naar Damaskus ter aarde geworpen, en vernam hij uit den mond van den in den hemel verheerlijkten Heer, dat zijne woede tegen de heiligen niets anders was dan vijandschap tegen God. Met ontzetting aangegrepen, riep hij bevende uit: "Heer, wat wilt gij, dat ik doen zal?" In het diepst zijner ziel geschokt; overtuigd van zijne groote schuld en schrikkelijke zonde, kon hij drie dagen eten noch drinken; maar werd ook daarna, door de oneindige barmhartigheid Gods, van den grootsten vijand de meest overgegeven discipel; van den heftigen vervolger der gemeente de vurigste voorstander van het geloof in Jezus; en van den voornaamste der zondaren de trouwste en ijverigste prediker van het heil in Christus Jezus.

Saulus de voornaamste der zondaren. Ja, dit was hij; niet vergelijkenderwijze, maar in volstrekten zin. Ieder onzer kan in zekeren zin van zichzelven zeggen, dat hij de voornaamste der zondaren is. Want niemand dan ik-zelf weet, wat ik gedaan en gesproken heb, wat er in mijn hart is omgegaan; en bij die wetenschap, mijzelven met ieder ander vergelijkende, van wien ik alleen het uitwendige ken, zal ik mijzelven voor grooter zondaar dan alle anderen houden. Doch in dezen zin wordt het hier door Paulus niet bedoeld. Hij was werkelijk de voornaamste der zondaren. Op den ganschen aardbodem is er geen grooter zondaar geweest dan hij. En die voornaamste der zondaren is door Gods barmhartigheid gered. Door hem zoo langen tijd te verdragen in zijne woede en vijandschap, heeft God al zijne lankmoedigheid betoond, en door zich over hem te ontfermen en hem te redden, heeft de Heer zijne genade verheerlijkt. En daardoor heeft Jezus Christus hem gesteld tot een voorbeeld voor hen, die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven.

Welk een genade van God! Welk een troost voor een bekommerd gemoed! Welk een aanmoediging om tot Jezus Christus de toevlucht te nemen, en in Hem te gelooven! De voornaamste der zondaren is gered. De grootste vijand van God is bekeerd en verlost. Den las­teraar van Jezus, den vervolger en verdrukker der heiligen is barmhartigheid geschied. Zoo zien wij in hem wat Gods genade vermag. Niemand kan dus zeggen: mijne zonde is te groot dan dat zij vergeven, mijne schuld te zwaar, dan dat zij weggenomen, mijne vijandschap te hardnekkig, dan dat zij verzoend kan worden. Jezus heeft niet alleen gezegd: "komt allen tot mij, gij die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven;" maar Jezus heeft bovendien in Paulus een voorbeeld gesteld van hetgeen zijne genade vermag; zoodat ieder bekommerd en onder zijn schuld en zonde zuchtend zondaar, met het oog op de genade, die aan Paulus bewezen is, vrijmoedig de toevlucht tot Gods barmhartigheid nemen en in Christus Jezus gelooven kan.

Nemen wij dit toch ernstig ter harte, zoowel voor ons zelven als voor anderen. Gods barmhartigheid is oneindig; Gods genade is souverein; van die genade kunnen wij niet te veel verwachten. "Het woord is getrouw en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, van wie ik de voornaamste ben." Dat Evangelie is de troost en de hoop onzer ziel. Dat Evangelie prediken wij aan verloren zondaren. Dat Evangelie verdedigen wij tegen de eigengerechtigheid en de wettischgezindheid van zoovelen, die den naam van Christus belijden.

Gods souvereine genade, ja, die wordt ons hier wel in al haar schoonheid en glans voorgesteld. Die genade is grooter dan de zonde; die genade, zich openbarende in Gods onuitputtelijk geduld, is sterker dan de vijand­schap van het menschelijk hart. Deze vindt haar grens in de onmacht van den mensch; gene kent geen grens, tenzij dan in den eigen en souvereinen wil van God. Hoe schuldig de mensch ook is, zijne zonde kan nooit de on­afhankelijke werkzaamheid van Gods natuur verhinderen, noch Gods plannen veranderen. Welk een haat de Joden ook vervult tegen Jezus van Nazareth, Saulus' bekeering is een voorbeeld, door God gesteld, van zijne genade, die zich eenmaal over zijn arm en verhard volk ontfermen zal. En die bekeering strekt tevens ten voorbeeld voor alle menschen, die vijanden van God en kinderen des toorns zijn. De voornaamste, de ijverigste, de hardnekkigste vijand is de beste, de vurigste, de machtigste getuige geworden van de wondervolle waarheid, dat Gods genade de zonde overtreft, dat het werk van Jezus de zonde te niet doet.

Geen wonder dan ook, dat Paulus, na de beschrijving van deze genade, zijne knieën buigt, en vol aanbidding uitroept: "Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, onzienlijken, eenigen God zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen." (vs. 17.)

Merkwaardig zijn deze woorden. Nergens elders wordt in het Nieuwe Testament op deze wijze van God gesproken. Alleen hier en in Hoofdst. VI : 15 wordt God Koning genoemd, overal elders is Christus de Koning; en uitsluitend hier wordt van God gezegd, dat Hij is "de Koning der eeuwen." Dit wil zeggen: dat Hij, gelijk een koning de teugels des bewinds in handen heeft, in zijne handen houdt de ontwikkeling van alle eeuwen overeenkomstig zijne eeuwige raadsbesluiten. - God is de "onverderfelijke," omdat Hij alleen onsterfelijkheid bezit; de "onzienlijke," omdat Hij een ontoegankelijk licht bewoont; (zie hoofdst. VI : 16.) de "eenige", omdat er buiten Hem geen ander is, en alle goden afgoden zijn.

 

Na deze uitwijding over Gods souvereine genade vat de Apostel den in vs. 12 afgebroken draad weer op, en richt zich tot Timotheüs, om hem in bijzonderheden mede te deelen, hoe hij zijne bediening onder de Efeziërs te vervullen had. "Dit gebod draag ik u op, mijn kind Timotheüs!" namelijk het gebod of de opdracht om te Efeze te blijven, en aldaar de geloovigen in de gezonde leer te bevestigen en tegen de dwaalleeraren te waarschuwen. Deze opdracht had Paulus hem gegeven met apostolisch gezag, nochtans niet uit eigen beweging, maar "naar de voorafgegane profetieën" over Timotheüs, waardoor hij tot het werk der bediening was aangewezen. Deze profetieën waren echter niet alleen de grond voor Paulus' opdracht aan Timotheüs, maar waren tevens, het middel om Timotheüs in den strijd, die hem op zijn post wachtte, te versterken; "opdat gij door dezelve den goeden strijd strijdt." (vs. 19.) In den strijd, die hem wachtte, kon hij altijd denken aan de roeping, waarmede hij op bijzondere, bovennatuurlijke wijze geroepen was geworden, en daardoor volharden in zijn moeielijken werkkring; "behoudende het geloof en een goed geweten.''

Dat waren de middelen, door welke hij de overwinning behalen kon. Timotheüs moest in Efeze de waarheid, de christelijke heilsleer, handhaven en verdedigen. Daartoe moest hij natuurlijk zelf "het geloof", dat is hier de leer des Christendoms, behouden. Week hij‑zelf daarvan af, al was het in nog zoo geringe mate, dan kon hij natuurlijk die bij de anderen niet verdedigen. Men merke hierbij wel op, dat die geloofsleer, die leer des Christendoms, niet bloot in ons verstand moet worden opgenomen, maar dat onze ziel haar moet hebben aangenomen als de waarheid van God, waardoor licht verspreid wordt over alle dingen en waardoor wijzelven als kinderen des lichts in gemeenschap met God, die licht is, gebracht zijn, aangezien het de waarheid is, die vrij maakt.

Doch om in gemeenschap met God te kunnen leven, moet het geweten goed en rein zijn; daarom zegt Paulus: "behoudende het geloof en een goed geweten." Zonder een goed geweten geen gemeenschap met God, en zonder gemeenschap met God geen kracht om het geloof te behouden. Een bezoedeld geweten opent satan de deur, omdat het ons van de gemeenschap met God berooft. Het eigen-ik komt dan op den troon. Hoogmoed, eigenwaan en betweterij zijn daarvan het noodzakelijk gevolg. De menschelijke geest komt onder den invloed van den duivel, en wordt langzamerhand afgevoerd. IJdele bespiegelingen en valsche stellingen komen in de plaats van de waarheid die uit God is; en ten slotte vervalt men tot ketterij, tot openlijken tegenstand van het Woord Gods. Kleine dingen hebben soms groote gevolgen. Als wij de oorzaak van de afdwalingen der geloovigen kenden, dan zouden wij die zeker vinden in de een of andere zedelijke afwijking van Gods geboden; want nooit zal de Heer toelaten, dat iemand, die met Hem wandelt, tot dwaling vervalt. Het is geenszins noodig de dwaling te kennen om er voor bewaard te blijven; als wij de waarheid maar kennen, en bovenal Hem, die de waarheid is, dan zijn wij voor de dwaling gevrijwaard. Is ons oog eenvoudig, dan is ons geheele lichaam verlicht. Een eenvoudige ziel, die met den Heer wandelt, zal beter de waarheid verstaan, dan de grootste geleerde; en iemand, die in gemeenschap met God leeft, zal, al moge hij ook in menig opzicht onkundig zijn, toch voor dwaling bewaard worden; terwijl een in de waarheid goed onderwezen Christen tot de grofste dwaling vervallen kan, indien zijn geweten bezoedeld wordt, en hij de gemeenschap des Heeren verlaat.

Er waren toen reeds enkele leden der Gemeente in dezen strik des satans verward geraakt. Door een goed geweten van zich te stooten, hadden sommigen aangaande het geloof schipbreuk geleden onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik aan den satan heb overgegeven, opdat zij leeren niet te lasteren." (vs.20.) Wij hebben hier een merkwaardig geval van apostolische tucht. Paulus, naar de macht, die hem door God gegeven was, verwijderde deze dwaalleeraren uit de gemeente. Door apostolisch gezag deed hij hier hetzelfde, als waartoe hij de korinthische gemeente ten opzichte van den man, die met zijns vaders vrouw leefde, vermaande. Zij moesten denzulken aan den satan overgeven, tot verderf des vleesches, opdat de geest behouden zou worden in den dag des Heeren Jezus; en deze dwaalleeraren worden door Paulus aan den satan overgegeven, opdat zij leeren zouden niet te lasteren. De uitoefening en het doel der tucht was dus in beide gevallen hetzelfde; het onderscheid ligt alleen hierin, dat in het ééne geval de gemeente en in het andere geval Paulus door apostolisch gezag de tucht uitoefende.

De Gemeente van Christus is het huis Gods op aarde, waarin de Heilige Geest woont. Daarbuiten is de wereld, die onder de heerschappij van den satan staat. Wie dus buiten de Gemeente gesloten wordt is weer teruggeworpen op het gebied van den satan, en derhalve aan den satan overgegeven. Hymeneüs en Alexander hadden naar den duivel geluisterd en waren zijne werktuigen geworden. Van God afgeweken, hadden zij de waarheid verworpen en de dwaling gepredikt. Zij moesten daarom gevoelen, aan wien zij het oor geleend hadden. Paulus gaf hen aan den duivel over, opdat zij leeren zouden niet meer te lasteren. De duivel, die hen eerst verleid had, plaagde hen nu met angsten der ziel of met kwalen des lichaams; (beiden kan het geweest zijn) en God gebruikte deze boosheid des satans tot hun heil, opdat hun eigen wil zou worden gebroken en zij tot Hem zouden terugkeeren. Dit is altoos het doel der tucht. Zij is de uitoefening van Gods gerechtigheid; doch zij komt voort uit het liefdevolle hart van God, die de ziel van de macht des satans bevrijden en tot Hem terugbrengen wil.

 

HOOFDSTUK II.

 

Het beginsel, dat in dezen brief op den voorgrond geplaatst wordt, is, gelijk wij reeds in den aanvang opmerkten, de souvereine genade van God, onzen Heiland, die zich uitstrekt tot alle menschen, en niet alleen tot de Joden. Deze genade ligt ook ten grondslag aan de vermaningen der Apostels in het begin van dit hoofdstuk. De wettische geest der Joden beschouwde de heidensche vorsten als vijanden, en de volken, in het algemeen, als der goddelijke gunst onwaardig. En de vervolgingen, waaraan de Christenen van de zijde dier vorsten en volken blootstonden, konden zeer licht verkeerde en Gode onwaardige gevoelens ten hunnen opzichte in hen opwekken. Doch de genade verheft zich boven deze, overigens heel natuurlijke, gevoelens des harten. Zij wil, dat wij aan alle menschen in liefde zullen gedenken, daar wij verbonden zijn met een God, die in het evangelie als Heiland tot alle menschen komt.

"Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen, voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, opdat wij een rustig en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Want dit is goed en aangenaam voor God, onzen Heiland, die wil, dat alle menschen behouden worden en tot kennis der waarheid komen." (vs. 1-4.)

"De overheid is Gods dienares, u ten goede," zegt Paulus in Rom. XII, "zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem, die kwaad doet." Zij moet dus van Gods wege het gezag hier beneden handhaven, de boozen straffen en de goeden beschermen. Zij kan evenwel van de haar verleende macht een zeer verkeerd gebruik maken, door de goeden te vervolgen en de kwaden hun gang te laten gaan en te beschermen. Hoe menigwerf heeft zij op schrikkelijke wijze van hare macht misbruik gemaakt, en is daardoor de oorzaak geworden, dat de geloovigen geen rustig en stil leven konden leiden, en de prediking des evangelies gehinderd, zoo niet onmogelijk gemaakt werd. Daarom moeten de geloovigen voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, bidden, opdat God hunne harten zóó bewerke, dat wij een rustig en stil leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, en opdat zoo doende het evangelie zijnen vrijen loop hebbe. Wij moeten ook voor de bekeering van koningen en overheden bidden, evenals voor de bekeering van alle menschen, doch dit is niet de beweegreden , die hier wordt opgegeven voor onze gebeden. De beweegreden hier is: dat wij een stil en gerust leven mogen leiden; daarom moeten wij God bidden, dat Hij de overheden zóó besture, dat zij naar zijnen wil, als zijne dienaren, in rechtvaardigheid regeeren en de prediking des evangelies geen hinderpalen  in den weg leggen.

God, onze Heiland, wil, dat alle menschen behouden worden en tot kennis der waarheid komen. Hier is natuurlijk geen spraak van Gods raadsbesluiten, maar van Gods wegen ten aanzien van de menschen onder het evangelie. God handelt in genade. Het is nu de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Zijn liefdevol hart strekt zich uit tot alle menschen. Door het bloed van Christus staat de deur wijd open, en aan allen, die komen, wordt vergeving van zonden en vrede verzekerd. Het werk der verzoening is volbracht en God is ten opzichte van de zonde volkomen verheerlijkt; zoodat Hij op grond van dit werk, naar de liefde zijns harten, alle menschen de blijde boodschap des heils kan doen verkondigen, en allen kan uitnoodigen om aan het heil in Christus deel te nemen. Wie niet hooren wil, heeft zijne verdoemenis alleen aan zichzelven te wijten. De vijandschap van den mensch tegen het evangelie is de eenige hinderpaal voor zijne behoudenis. Van Gods zijde is alles gedaan om hem van het verderf te kunnen redden. Dat God niettegenstaande deze vijandschap en dezen boozen wil toch zijne raadsbesluiten vervult, en redt allen, die Hij vóór de grond­legging der wereld heeft uitverkoren, verandert niets aan zijne wegen van liefde en genade en niets aan de verant­woordelijkheid des menschen. Eenmaal zal het allen duidelijk worden bewezen, dat zij door hunne eigene schuld en door hunnen hardnekkigen tegenstand van het evangelie zijn verloren gegaan.

Wij, die gelooven, kennen deze liefde van God, en daarom prediken wij het evangelie aan allen, en bidden voor alle menschen. Het onderscheid tusschen Joden en heidenen heeft opgehouden te bestaan. Gods liefde strekt zich nu uit tot alle menschen, zonder onderscheid. "Want er is één God en één Middelaar tusschen God en menschen: de mensch Christus Jezus, die zichzelven gegeven heeft tot een losprijs voor allen, de getuigenis te zijner tijd." (vs. 5,6.)

Er is één God. Deze openbaring was reeds aan Israël gegeven. Zij moesten daarvan getuigenis geven in deze wereld, die in het veelgodendom verzonken lag. Doch deze eeuwige en onveranderlijke waarheid was niet voldoende om den mensch met God in gemeenschap te brengen. God bleef achter het voorhangsel verborgen. Niemand kon tot Hem naderen. Doch het Christendom brengt ons de volle waarheid. Het stelt niet alleen de eenheid van het goddelijk wezen in nog helderder licht dan zulks in het Oude Testament mogelijk was maar het predikt ons tevens, dat het voorhangsel gescheurd is, en de weg tot God openstaat, omdat er “een Middelaar is tusschen God en menschen." Het evangelie predikt ons, dat er een middelaar is, en dat er slechts één is. Zoo waarachtig als er maar één God is, zoo waarachtig is er ook maar één Middelaar tusschen God en menschen. Dit is de kenmerkende waarheid in het Christendom. Op den door God bepaalden tijd is de getuigenis daarvan in het Evangelie tot ons gekomen.

Twee dingen worden ons hier van dien Middelaar gezegd: Hij is mensch, en Hij heeft zichzelven gegeven tot een losprijs voor allen. Welk een onuitsprekelijk heerlijke waarheid! Er is een Middelaar tusschen God en ons, en die Middelaar is mensch, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Wij waren schuldig; wij waren onbekwaam om tot God te naderen; God, die te rein van oogen is, dan dat Hij het kwaad kan aanschouwen, moest zich voor ons verbergen en aan ons onttrekken; om tot God te kunnen naderen, om met God in gemeenschap te kunnen treden, hadden wij een middelaar noodig, die, de heerlijkheid van God handhavende en zijne gerechtigheid verheerlijkende, ons passend maakte voor de tegenwoordigheid van God. Christus is die Middelaar. Hij heeft zichzelven gegeven tot een losprijs voor allen. Wie in Hem gelooft, is gerechtvaardigd van de zonde. Daar God is verheerlijkt geworden door de overgave van Christus in den dood des kruises, als de rechtvaardige straf voor de zonde, kan een iegelijk, die in Christus gelooft, en dientengevolge deel heeft aan zijn werk, naar Gods gerechtigheid, treden in de onmiddellijke tegenwoordigheid des Heiligen. "De genade heerscht, door gerechtigheid, tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heer."

Doch om voor menschen te kunnen lijden, en om menschen bij God te kunnen vertegenwoordigen, moest de Middelaar mensch zijn. En Hij is mensch geworden, waarachtig mensch, aan alle menschelijke zwakheden onderworpen. Hij is geworden uit een vrouw. Vleesch en bloed was Hij deelachtig, ons in alles gelijk, uitge­nomen de zonde. Doch dit is niet alles. Er ligt meer opgesloten in die heerlijke waarheid: “Er is één Middelaar tusschen God en menschen: de mensch Christus Jezus." Laat mij hier de schoone woorden van een ander aanhalen:

“Wij zijn te zwak om de openbaring van God op deze aarde, waar wij ons bevinden, te kunnen bevatten; en hoewel onze schuld is uitgewischt, zoo zijn wij nochtans zwak in ons toevlucht nemen tot God en in onze gemeenschap met Hem. Christus heeft God geopenbaard in zijn eigen persoon, en in al de omstandigheden, waarin de mensch hulp noodig had, hetzij voor zijn lichaam, hetzij voor zijne ziel. Hij heeft zich ten diepste vernederd, opdat er geen mensch, al ware het de ellendigste, in deze wereld zou zijn, die niet gevoelde: God is bij mij in goedheid, geheel toegankelijk voor mij, tot mij gekomen. Gods liefde, geopenbaard in Christus, heeft in de ellende des menschen de aanleiding gevonden om zich op volmaakte wijze te openbaren, en om te toonen, dat er geen enkele behoefte is, waaraan Hij niet beantwoordt; geen enkele menschelijke ellende, waaraan Hij zich onttrekt geen ellendige, dien Hij afwijst. Hij is op aarde gekomen om met de ellende van den mensch in aanraking te zijn. En nu Hij in den hemel verhoogd is, is Hij niet veranderd. Hij vergeet zijne menschelijke ondervindingen niet; zij zijn voor eeuwig door zijne goddelijke macht gegraveerd in de medelijdende gevoelens zijner menschelijke natuur, naar de kracht van die goddelijke liefde, welke de bron en de beweegreden dezer gevoelens was. Hij is steeds mensch in de heerlijkheid, en dat wel in goddelijke volmaaktheid. De godheid verleent de kracht zijner liefde aan de menschheid des Heeren, maar zet deze geenszins ter zijde. Welk een Middelaar! Niets kan vergeleken worden bij zijne teederheid, bij zijne kennis van het menschelijk hart, bij zijn medegevoel, bij zijne ondervinding van onze behoeften. Zonder het oneindige der Godheid te verliezen, en in de kracht zijner liefde, kwam Hij hier beneden, nam deel in de menschelijke natuur aan al het lijden der menschheid, en onderwierp zich aan al de omstandigheden, in welke het hart van den mensch gewond, geperst en ontmoedigd, of aan het kwaad onderworpen kan worden. Er is geen menschelijk hart, dat zóó goed begrijpt, en zóó goed gevoelen kan elken last, die ons drukt, als zijn hart. De mensch Christus Jezus is onze Middelaar; niemand is ons zóó nabij; niemand heeft zich zóó vernederd; niemand is met goddelijke kracht afgedaald tot de behoeften, en tot al de behoeften van den mensch. Het geweten is gereinigd door zijn werk, het hart wordt getroost door hetgeen Hij was en hetgeen Hij is tot in eeuwigheid. Er is slechts één Middelaar.

Te denken aan een ander zou niets anders zijn dan Hem te berooven van zijne heerlijkheid, en ons van onze volmaakte vertroosting. Zijne komst uit den hemel, zijne goddelijke natuur, zijn bloed, het feit dat Hij nu als mensch voor ons in den hemel leeft, maken Hem tot den éénen en eenigen Middelaar." --

Van deze eeuwige waarheden was Paulus een prediker en apostel. De Middelaar was niet middelaar als hoogepriester op zijn troon tusschen Israël en Jehovah, maar mensch tusschen God en menschen. Alle scheidsmuren waren afgebroken; elke hinderpaal was weggenomen. God wendde zich als Heiland door den éénen Middelaar tusschen God en menschen, den mensch Christus Jezus, tot alle menschen. Deze heerlijke waarheid was aan Paulus toevertrouwd geworden, om daarvan alom getuigenis af te leggen.