De eerste brief aan TimotheŘs

HOOFDSTUK I.

"Paulus, apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop, aan TimotheŘs, mijn echt kind in het geloof: genade, barmhartigheid, vrede van God, onzen Vader, en van Christus Jezus, onzen Heer." (vs. 1, 2.)

Ziedaar de merkwaardige aanhef van dezen brief. God wordt ons hier in een geheel bijzonder karakter voorgesteld, namelijk als God, onze Heiland. Waar wij overal elders van den Heer Christus Jezus als Heiland vernemen, wordt in dezen brief en in den brief aan Titus gesproken van God, onzen Heiland. Dit is hoogst belangrijk, omdat daardoor ons verkeer in de wereld en onze omgang met de menschen geregeld wordt. In IsraŰl was God de Wetgever, en door de wet was dat volk van alle andere volken afgezonderd. Nu is God de Heiland, de Verlosser, en dientengevolge is alle onderscheid weggenomen. Dit is derhalve in tegenstelling met de oude bedeeling. Wij, die gelooven, moeten in deze wereld een God, die de Heiland van allen is, voorstellen en prediken. Alle menschen, Joden en Heidenen, aanzienlijken en geringen, slaven en vrijen, zijn de voorwerpen van Gods wegen in genade. Tot allen komt de blijde boodschap, dat God de Heer een Heiland, een Verlosser is, die alzoo lief de wereld gehad heeft, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; - die, in Christus, de wereld met Zichzelven verzoenende was, en die nu het woord der verzoening in zijne dienstknechten legt, en door hen den zondaren toeroept: "Laat u met. God verzoenen!"

Dientengevolge wordt er in dezen brief niet gesproken over de bijzondere betrekkingen, waarin de familie Gods zich verheugen mag. Ook wordt er niet gehandeld over het lichaam van Christus of over de bruid des Lams. Wij bevinden ons hier op een uitgestrekter terrein. Een dienstknecht van Christus ontvangt van den Apostel aanwijzingen, hoe hij zich als bedienaar des evangelies te gedragen heeft, zoowel in de wereld als in het huis Gods. In zijn geheele gedrag en prediking moet hij God als Heiland voorstellen, en Christus Jezus als onze hoop, als de grond van ons vertrouwen, door Wien wij met God in gemeenschap treden. Paulus was daarom ook een apostel van Jezus Christus naar het bevel van God, want gelijk hij in den brief aan Titus zegt, was de prediking, die hem toevertrouwd was, naar het bevel van God, onzen Verlosser, die wil dat alle menschen behouden worden, en tot kennis der waarheid komen. Zijne evangelieprediking had van den beginne af een algemeene strekking. Niet tot de Joden, maar tot de volken werd hij gezonden, opdat zij zich bekeeren zouden van de duisternis tot het licht en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving van zonden zouden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Christus. (Zie Hand. XXV.)

Paulus noemt TimotheŘs zijn kind in het geloof, omdat hij door zijne prediking bekeerd was geworden, en zijn echt kind , omdat hij door zijnen getrouwen wandel bewezen had een waar Christen te zijn, gelijk de Apostel in 1 Kor. IV : 14 van hem zegt: mijn geliefd en getrouw kind in den Heer. Hij wenscht hem niet slechts "genade en vrede," zooals hij in al zijne brieven doet, maar "genade barmhartigheid en vrede," omdat ieder geloovige, maar vooral een arbeider in het evangelie, bij zijne persoonlijke zwakheid en te midden van zoovele verzoekingen en moeielijkheden, voortdurend behoefte heeft aan de barmhartigheid van God. Paulus had die rijkelijk ondervonden, en zij was de troost zijner ziel, en daarom wenscht hij ze ook voor zijne medearbeiders.

Het voorname doel, waarmede de Apostel TimotheŘs te Efeze achtergelaten had, toen hij naar MacedoniŰ reisde, was om toezicht te houden op het onderwijs, dat aan de gemeente gegeven werd. Van twee kanten toch dreigde het gevaar voor de gemeente te Efeze. Sommigen trachtten de zielen der geloovigen bezig te houden met "fabelen en eindelooze geslachtrekeningen"; en anderen trachtten hen te brengen onder de wet. Over beide punten spreekt Paulus hier, opdat TimotheŘs de gemeente waarschuwen en van den invloed der dwaalleeraren bevrijden zou.

Wat de fabelen en eindelooze geslachtrekeningen betreft, zoo handelt hij daarover niet uitvoerig maar zegt alleen, dat al deze ijdele bespiegelingen en menschelijke redeneeringen en inbeeldingen niets voortbrengen kunnen dan twistvragen, en geenszins bevorderlijk konden zijn aan Gods bedeeling, die in het geloof is. Paulus oordeelde het voldoende dit uit te spreken en zoo doende het kwaad aan te toonen, daar de gemeente te Efeze zuiver genoeg in het geloof stond, en slechts sommigen van de waarheid waren afgeweken. In den brief aan de Kolossers spreekt hij er uitvoeriger over, omdat daar de geheele gemeente met dit zuurdeeg doortrokken was, zoodat men daar zelfs tot de vereering van engelen overhelde. - Onder "Gods bedeeling, die in het geloof is," moeten wij verstaan de ware orde van het huis Gods, zooals die in het geloof moet worden gehandhaafd, zoodat zuiverheid in de leer en reinheid in het leven dit huis versieren.

Over de wet spreekt de Apostel uitvoeriger. De leer der joodschgezinde predikers, die de geloovigen onder de wet trachtten te brengen, was dan ook veel gevaarlijker dan de fabelen, daar deze leer veel meer schijn van waarheid had, aangezien de wet door God gegeven is. Eer hij evenwel hiertoe overgaat, zegt hij : "Het einde nu des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof." (vs. 5.) Deze woorden staan tusschen hetgeen hij over de fabelen en hetgeen hij over de wet zegt, en hebben dus betrekking op beiden. Paulus had aan TimotheŘs de opdracht gegeven om te Efeze de zuivere leer des evangelies te handhaven en te verdedigen. En het einde, d.i. het einddoel, van dit gebod, namelijk van deze opdracht, was liefde, die voortkwam uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. Het heerlijke doel was de stichting en opbouwing der geloovigen. Daartoe moest TimotheŘs de waarheid verkondigen en de dwaling, in welken vorm zij zich ook voordeed, bestrijden. Zonder een rein hart en een goed geweten en een ongeveinsd geloof kan er geen waarachtige liefde uit God in de ziel aanwezig zijn. En zoodra de dwaling ingang vindt - hetzij de fabelen en geslachtrekeningen, hetzij de terugvoering onder de wet - verliest men het ongeveinsde geloof en dus ook een rein hart en een goed geweten.

Dat hier geen sprake zijn kan van "het doel der wet," zooals velen meenen, blijkt duidelijk uit het verband. Paulus toch waarschuwt tegen het terugkeeren onder de wet, en stelt in de volgende verzen voor, met welk doel de wet gegeven is; en dat is heel wat anders dan de liefde uit een rein hart. Het einde des gebods is, zooals uit het verband blijkt: het doel van de opdracht, door Paulus aan TimotheŘs gegeven.

Van de liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof, zijn sommigen afgeweken, - zoo gaat Paulus voort - en hebben zich gewend tot ijdel geklap, willende leeraars der wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen (vs. 6, 7.) Overal ontmoeten wij deze bedervers van het Christendom, die het christelijk geloof ondermijnden, en het pad van den Apostel met doornen bezaaiden; want zij waren het voornamelijk, die hem zooveel leed toebrachten en zooveel vervolging deden ondergaan. Evenals overal elders behandelt Paulus hen ook hier met de uiterste gestrengheid. Die leeraars der wet, hoe nauwgezet zij ook zijn mochten, zij waren afgeweken van de liefde uit een rein hart; zij hadden zich gewend tot ijdel geklap; zij verstonden noch wat zij zeiden, noch wat zij bevestigden. Zij, die beter wilden zijn dan anderen; zij , die onder de geloovigen uit de volken als leeraars optraden, waren dus zelf in volslagen duisternis en onkunde. Mochten toch alle wetpredikers zich door deze woorden des Apostels laten oordeelen!

Nochtans was de wet door God gegeven, en God kon niet iets geven, dat geen nuttigheid had. Daarom toont Paulus in de volgende verzen het nut der wet aan, en tevens op welk standpunt de Christen tegenover de wet behoort te staan. Wie zich tot de hoogte der waarheid Gods weet op te heffen, is in staat om alle dingen op hunne ware plaats te stellen en op hunne wezenlijke waarde te schatten. Hoe schoon komt dat hier uit! De verbeelding des menschen kon allerlei fabelen voortbrengen, die tot niets dienden; doch de wet, als een middel door God gegeven, kon nut stichten, indien namelijk iemand een wettig, dat is een gepast gebruik van haar maakte. "Doch wij weten, dat de wet goed is, zoo iemand haar wettig gebruikt." (vs. 8.) En wat is het wettig gebruik van de wet? De wet is bestemd om te oordeelen, om het kwaad te bestraffen, om te dooden, om het oordeel Gods tegen al, wat in strijd is met de gezonde leer, aan te toonen. Zij kan dus gebruikt worden om het geweten te treffen, om den mensch van zonde te overtuigen; doch geenszins tot opbouwing van den rechtvaardige, want wie onder de wet is, is onder den vloek.

Merkwaardig zijn de woorden des Apostels. "De wet is niet bestemd voor een rechtvaardige, maar voor wetteloozen en halsstarrigen, voor goddeloozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers, voor hoereerders, voor hen, die bij mannen liggen, voor menschendieven, leugenaars, meineedigen, en zoo er iets anders tegen de gezonde leer is, naar het evangelie van de heerlijkheid des zaligen Gods, hetwelk mij is toevertrouwd." (vs. 9-11.) De wet niet bestemd voor een rechtvaardige! Laat ons ernstig daarover nadenken! Indien derhalve een Christen de wet neemt tot den regel zijns levens, dan verlaat hij daardoor zijne plaats in Christus, en geeft de rechtvaardigheid Gods, tot welke hij in Christus gemaakt is, prijs. Hij moge zulks niet bedoelen, het ligt nochtans in zijne handelwijze opgesloten. Wie zich onder de wet plaatst, geeft - zonder het te weten of te bedoelen misschien - al zijne voorrechten en zegeningen in Christus prijs. Zoo iemand verstaat niet het geringste van de gedachte en de bedoeling Gods. De Heere God gaf de wet niet voor den rechtvaardige, maar voor de goddeloozen. De wet is een zwaard om het geweten van den zondaar te treffen; de wet oordeelt en vloekt alle kwaaddoeners; doch de wet is geenszins de regel voor het gedrag van een mensch, die het evangelie van de heerlijkheid des zaligen Gods heeft verstaan en omhelsd. De wet heeft slechts te doen met de boosheid en goddeloosheid, welke door haar veroordeeld wordt; terwijl het evangelie te maken heeft met de heerlijkheid van God zelven, die door dat evangelie wordt verkondigd. Zoo staat dus het evangelie tegenover de wet; en derhalve is een terugkeeren tot de wet een verwerpen van het evangelie en een prijsgeven van onze voorrechten in Christus.

Merkt tevens op, hoe uit deze woorden des Apostels volgt, dat de wet alleen een negatief nut heeft, dat wil zeggen, dat de wet alleen het kwaad bestraft en oordeelt, maar geenszins het goede predikt. Zoo kan derhalve de wet nimmer de volkomene uitdrukking van Gods wil zijn. Wij, die het evangelie van de heerlijkheid des zaligen Gods hebben omhelsd, die dus God zelven in zijne heerlijkheid hebben leeren kennen, laten niet alleen het kwaad, maar doen het goede, en dat wel in overeenstemming met de heerlijkheid van God, welke geopenbaard is in Christus, in Wien God de goede werken, waarin wij wandelen zouden, heeft voorbereid.