Correspondentie.

22. A.K. te Aardenburg vraagt: "Wat beteekent "voor de dooden gedoopt worden?" 1 Kor. XV : 29.

Men denke aan een leger, dat in slagorde geschaard is. De vijandelijke pijlen maaien gansche rijen soldaten weg; doch gedurig komen er nieuwe rijen voor de gesneuvelden in de plaats. Zoo werden er door de vervolgingen honderde Christenen weggenomen; doch gedurig kwamen er weer nieuwe voor hen in de plaats. Die bekeerd werden en zich dan lieten doopen, namen dus, om zoo te zeggen, de plaats der terdoodgebrachten in, en alzoo kon er van hen gezegd worden, dat zij zich voor, d.i. in plaats van, de dooden, lieten doopen. Welk een dwaasheid zou dit zijn, indien de dooden niet opgewekt worden! Door den doop de plaats dier martelaren in te nemen, in het vooruitzicht weldra eveneens gedood te worden, welk een dwaasheid, indien de dooden niet opgewekt worden!


23. H.v.d.W. te Boskoop vraagt, naar aanleiding van Exodus XIV : 22, of de IsraŽlieten in de Roode Zee zijn ingegaan, toen de weg geheel open was.

Mij dunkt van ja. Wij lezen: "Toen Mozes zijne hand uitstrekte over de zee, zoo deed de Heer de zee weggaan door een sterken oostewind, dien ganschen nacht, en maakte de zee droog en de wateren werden gekliefd; en de kinderen IsraŽls zijn ingegaan in het midden van de zee op het droge; en de wateren waren hun een muur aan hunne rechter- en aan hunne linkerhand." Zij zagen dus den weg door de zee geheel open voor zich. Bij de doortocht door de Jordaan was zulks geheel anders. Toen gingen de wateren niet vaneen, totdat de voetzolen der priesters zich in het water gesteld hadden. Als voorbeeld is dit zeer belangrijk. Door Jezus' dood en opstanding zijn wij voorgoed aan de macht des satans en der wereld ontrukt. Onze oude mensch is met Hem gekruisigd, en wij zijn der zonde en der wereld gestorven, en nieuwe schepselen geworden in Christus Jezus. Doch om onze hemelsche voorrechten en zegeningen te kunnen genieten, moeten wij in het geloof deze plaats innemen, en ons der zonde voor dood en der wereld voor gekruisigd houden, zoodat wij met Paulus zeggen kunnen: "Ik leef, maar niet meer ik, Christus leeft in mij."


24. F.D. te Heeg vraagt: "In den Bode des heils, 23e jaarg., blz. 28 schrijft J. N. D. : "Sedert den Pinksterdag behoorde het nieuwe leven niet te bestaan zonder den Heiligen Geest; doch ik was zelf zeven jaar bekeerd zonder den Heiligen Geest te bezitten, en ik ken iemand, die dertig jaar in dat geval verkeerde." Is deze uitdrukking volgens de Schrift?"

Wanneer gij onder bekeering verstaat, wat de Schrift er onder verstaat, dan is het hier gezegde geheel in overeenstemming met de waarheid. Bekeerd is iemand, die zich als zondaar heeft leeren kennen, die zichzelven oordeelt voor God, en zich afkeerende van de afgoden de toevlucht neemt tot den Heer. Indien zoo iemand direct tot Jezus gebracht wordt, en leert gelooven in Hem en aan zijn volbracht werk, dan ontvangt hij den Heiligen Geest, en roept: Abba, Vader. Hij heeft door dien Geest de zekerheid zijner verlossing en het bewustzijn een kind van God geworden te zijn. Wie deze zekerheid nog niet heeft, en God niet als Vader durft aanroepen, heeft den Heiligen Geest niet in zich wonende. (Zie Rom. VIII: 15.)

Vůůr den Pinksterdag waren er duizende bekeerde, uit God geboren menschen op aarde, die evenwel den Heiligen Geest niet in zich hadden, omdat de Heilige Geest nog niet was, aangezien Jezus nog niet verheerlijkt was. (Joh. VII: 39.) En na den Pinksterdag moest iedere bekeerde ziel met Jezus en zijn werk bekend gemaakt worden om de gave des Heiligen Geestes te kunnen ontvangen. Denk maar aan den kamerling, aan Cornelius en aan de discipelen te Efeze in Hand. XIX. Deze allen waren bekeerde menschen, maar moesten, om zalig te worden en den Heiligen Geest te ontvangen, met Jezus bekend gemaakt en verbonden worden; en de Heer zorgde er voor, dat hun het evangelie werd gepredikt. Sedert den Pinksterdag behoorde dus het nieuwe leven niet te bestaan zonder den Heiligen Geest. Daar evenwel later, en ook in onze dagen, de waarheid zoo zeer verduisterd, en het evangelie van Christus niet meer in zijne eenvoudigheid en zuiverheid gepredikt werd, zijn er honderde bekeerde zielen, die van Hem en zijn werk niets weten, die onder de wet leven, die daarom geen vrede, en geen zekerheid hebben, die God als Vader niet durven aanspreken, en in wie dus de Heilige Geest niet woont. "Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid."

Ik behoef hierbij niet op te merken, dat ik spreek over de inwoning des Geestes, en niet over zijne werking in de zielen; want de bekeering is van het eerste oogenblik af Zijn werk.