De persoon en het werk des Heiligen Geestes.

 

III.

 

De inwoning des Heiligen Geestes in den geloovige.

 

De Heilige Geest is "God"; Hij is, evenals de Vader en de Zoon, een Persoon; en Hij is als zoodanig op den Pinksterdag hier op aarde gekomen, om naar Jezus' belofte woning te maken in de heiligen. Dat dit de duidelijke leer der Schrift is, bewezen wij in onze vorige artikelen. Wij moeten nu onderzoeken, wat de Schrift ons omtrent deze inwoning des Heiligen Geestes leert. Er is een inwoning des Heiligen Geestes in ieder geloovige persoonlijk, en een inwoning in de Gemeente des Heeren als geheel. Paulus vraagt aan de Korinthirs: "Weet gij niet, dat uw lichaam de tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt?" (1 Kor. VI: 19.) En in het twaalfde hoofdstuk van dienzelfden brief zegt hij: "Want ook wij allen zijn door nen Geest tot n lichaam gedoopt;" terwijl wij in Efeze II : 22 lezen, dat de gemeente is "een woonstede Gods in den Geest."

Staan wij in de eerste plaats stil bij de inwoning des Heiligen Geestes in ieder geloovige.

Voor wij echter tot de behandeling van de hierop betrekking hebbende teksten overgaan, moeten wij terugkomen op hetgeen wij aan het slot van ons vorig artikel zeiden, dat namelijk de Heilige Geest niet aan de geloovigen kon gegeven worden, voordat Jezus verheerlijkt was. De woorden van Johannes in het zevende hoofdstuk van zijn Evangelie maken aan allen twijfel hieromtrent een einde. "Die in mij gelooft, gelijk de Schrift zegt: Stroomen van levend water zullen uit zijnen buik vloeien", had de Heer gezegd, en Johannes voegt er ter verklaring bij: "Dit nu zeide hij aangaande den Geest, dien ontvangen zouden, die in hem gelooven; want de Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was." Dat zulks onmogelijk was, is bij een weinig nadenken duidelijk genoeg. Zoolang het werk der verzoening en verlossing niet volbracht was; zoolang onze zonden niet waren weggenomen, en de macht der zonde niet was te niet gedaan; en zoolang Jezus, die dat werk had volbracht, niet gezeten was aan de rechterhand van God, door God aangenomen en verheerlijkt, kon God onmogelijk door de zending des Heiligen Geestes den geloovige verzegelen , en hem zoodoende openlijk rein verklaren. Nu evenwel al onze zouden zijn weggedaan, en de in ons wonende zonde is geoordeeld, en het vat in Gods oog en naar Gods schatting gereinigd is, kan de Heilige Geest in ons wonen. In de Handelingen der Apostelen vinden wij daarvan treffende bewijzen. Op den Pinksterdag zegt Petrus tot de Joden, die in het hart getroffen waren: "Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen." En tot Cornelius en de zijnen zegt dezelfde Apostel: "Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in hem gelooft, vergeving van zonden ontvangen zal door zijnen naam;" en "terwijl Petrus nog sprak", zoo lezen wij dan, "viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden." (Hand. X.) De gave des Heiligen Geestes is derhalve een getuigenis van Gods kant voor de reinigende kracht van het bloed van Christus, 't welk in het heiligdom door onzen grooten Hoogepriester gebracht is en door God werd aangenomen.

Hieruit volgt, vooreerst, dat de heiligen vr den Pinksterdag den Heiligen Geest niet hadden. Zij waren wedergeboren; zij hadden het leven; dit blijkt duidelijk zoowel uit de woorden des Heeren in Joh. III, als uit hunne daden en werken en blijdschap des geloofs. De Heer zegt: "Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." En zonder het leven Gods in de ziel kan er geen geloof worden geoefend. Ook werden zij geleid en gedreven door den Heiligen Geest, en spraken door dien Geest de woorden Gods. "Want de profetie werd eertijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, hebben gesproken." (2 Petr. I : 21.) Maar zij hadden den Heiligen Geest niet in zich wonende; zij waren niet verzegeld met den Heiligen Geest der belofte. De Heilige Geest was nog niet gegeven aan hen, die geloofden, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. En zij kenden derhalve geen van de heerlijke gevolgen en zegeningen dier inwoning; ja, zelfs hadden zij niet eens de leer omtrent de wedergeboorte, terwijl de discipelen van Jezus er heel weinig van verstonden. Over de wedergeboorte en de mededeeling des levens wordt in het Oude Testament alleen in Ezechil gesproken, en dan nog wel enkel als belofte; (Ezech. XXXVI.) en het is op die woorden, dat Jezus zich beroept, als Hij, sprekende over de wedergeboorte, tot Nicodemus zegt: "Zijt gij een leeraar in Isral, en weet gij deze dingen niet?"

In de tweede plaats volgt hieruit, dat de levendmaking door den Geest en de inwoning des Geestes twee verschlllende werkingen zijn van denzelfden goddelijken Persoon. Een zondaar, die dood is in zonden en misdaden, wordt door den Heiligen Geest levend gemaakt; een geloovige in Christus wordt met den Heiligen Geest der belofte verzegeld. De wedergeboorte, zoowel als de bekeering, is het werk van den Heiligen Geest, gewrocht door middel van het levend en eeuwig blijvend woord van God, op grond van den dood en de opstanding van Christus. De volgende plaatsen leeren ons dit duidelijk: "Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan", zeide de Heer tot Nicodemus. En Paulus zegt in Titus III:5: "God heeft ons behouden door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;" en in Efeze V : 26: "Christus heeft de gemeente liefgehad en zichzelven voor haar overgegeven, opdat hij haar heiligde, haar reinigende door de wassching des waters door het woord." Petrus zegt: "Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God." Terwijl Jakobus verkIaart: "Naar zijnen eigenen wil heeft Hij ons gebaard door het woord der waarheid." (Jak. I: 18.) In Luk. XXIV zegt de Heer tot zijne apostelen, dat zij in zijnen naam prediken moesten onder al de volken bekeering en vergeving van zonden, en dat zij daartoe ontvangen zouden de belofte des Vaders, namelijk den Heiligen Geest; wiens werking in de ziel door het Woord teweegbrengt: een droefheid naar God, welke een onberouwelijke bekeering tot behoudenis werkt. (2 Kor. VII : 10.) Zoodra nu een zondaar door den Heiligen Geest, door middel van het levend en blijvend woord van God, opnieuw geboren is, en hij zich van de afgoden bekeerd heeft tot God, en hem in den naam van Jezus de vergeving van zonden is gepredikt, en hij dezen Jezus als zijnen Verlosser door het geloof heeft aangenomen, komt dezelfde Heilige Geest, die dit alles werkte, in hem wonen, en maakt zijn lichaam tot zijnen tempel. "Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte", zegt Paulus in Efeze I : 14.

Volgens deze woorden van den Apostel wordt de geloovige in Christus verzegeld met den Heiligen Geest der belofte, met den Heiligen Geest, die als "de belofte des Vaders" door Jezus ontvangen is, (Hand. II : 33.) en door den Heer aan zijne discipelen als de andere Trooster, dien Hij van den Vader zenden zou, was beloofd. God zet zijn zegel op den geloovige, en merkt hem daardoor als iemand, die Hem toebehoort, dien Hij voor zich afzonderlijk gesteld heeft; waardoor Hij tevens de algenoegzaamheid van Jezus' offerande en de voldoening aan de eischen zijner gerechtigheid door Jezus' dood aan het kruis bekrachtigt.

Doch de Heilige Geest is niet alleen het zegel, Hij is ook het onderpand. Het zegel is voor God, het onderpand is voor ons. Door de inwoning des Heiligen Geestes zijn wij verzegeld, en door diezelfde inwoning des Heiligen Geestes hebben wij het onderpand onzer erfenis. Door den Heiligen Geest heeft God zijn zegel op ons gedrukt; en door dienzelfden Geest weten wij, dat de erfenis, welke aan Jezus geschonken is, ons deel met Hem zal zijn; want wij zijn erfgenamen van God en mederfgenamen van Christus.

De Heilige Geest in ons is het zegel, door God op ons gedrukt en het onderpand onzer erfenis, maar Hij is tevens de zalving, waardoor wij bekwaam gemaakt zijn voor de dienst des Heeren. "Gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen", zegt Johannes. De priesters in het Oude Testament werden gewasschen, bekleed, besprengd met bloed en gezalfd met olie; en daarna waren zij bekwaam tot de heilige bediening. Zoo ook wij. Wedergeboren en gerechtvaardigd, van onze zonden gereinigd door het bloed van Christus en met den Heiligen Geest gezalfd, kunnen wij als priesters God dienen. In 2 Kor. I : 21, 22 voegt Paulus de drie: zegel, onderpand en zalving te zamen, als hij zegt: "Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God, die ons ook verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven heeft."

Door de inwoning des Heiligen Geestes zijn onze lichamen tempelen des Heiligen Geestes geworden. Weet gij niet, dat uw lichaam de tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij niet uws zelfs zijt?" vraagt Paulus aan de Korinthirs. Tot Timothes zegt hij: "Bewaar het goede pand door den Heiligen Geest, die in u woont." (2 Tim. I: 14.) En Jakobus vraagt: "De Geest, die in ons woont, begeert hij met benijding?" (Jak. IV : 5.) Gelijk God eertijds woonde in den tempel te Jeruzalem, zoo heeft Hij nu onze lichamen tot zijnen tempel verkoren. De Heilige Geest, een goddelijk Persoon, de hemelsche Gast, die in ons woont, - welk een onuitsprekelijke genade! Wie zou er woorden kunnen vinden om dit naar waarde uit te drukken? Welk een klaar bewijs voor de algenoegzaamheid van Jezus' offerande! In Gods oogen zijn wij z rein, z geheel van de zonde, van de wereld, van den duivel afgezonderd, z volkomen verlost, dat Hij zelf in ons wonen kan. Hij ziet ons aldus aan, omdat wij in Christus zijn: "die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt." Welk een bron van troost en kracht en moed! Welk een drijfveer tot heiligheid, rechtvaardigheid en matigheid!

Ons lichaam behoort den Heere toe. Het is evenzeer gekocht door het bloed van Christus als onze ziel. "Geheel uw geest, en ziel, en lichaam worden onberispelijk bewaard bij de komst onzes Heeren Jezus Christus," zegt Paulus in 1 Thess. V : 23. Doch dat lichaam is nu nog sterfelijk en verderfelijk; en dientengevolge aan allerlei kwalen en gebreken onderhevig; doch als de Heer komt, zal het worden verlost, (Rom. VIII : 23.) en gelijkvormig worden gemaakt aan het heerlijk lichaam van Christus. (Fil. III.) En hiervan is de in ons wonende Geest het onderpand. Zoo zeker als Hij ons heeft levend gemaakt en nu in ons woont, zoo zeker zal Hij onze sterfelijke lichamen levend maken. "Indien de Geest van Hem, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken uithoofde van zijnen Geest, die in u woont." (Rom. VIII : 2.)

Maar wanneer ons lichaam den Heere behoort, en wanneer de Heilige Geest in dat lichaam woont, dan moeten wij dat lichaam als zoodanig bewaren voor elke besmetting, "Verheerlijkt dan God in uw lichaam! Stelt uwe lichamen tot een levende offerande, heilig, Gode welbehagelijk, welke is uwe redelijke dienst," roept Paulus den geloovigen toe; terwijl hij van zichzelven getuigt: "Ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot slavernij, opdat ik niet, nadat ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde." (1 Kor. VI : 20, IX : 27; Rom. XII : 1.) Onze verantwoordelijkheid is groot. Hoe behandelen wij den hemelschen Gast, die in ons woont?

De Heilige Geest, die in ons woont, is een Geest van zoonschap, want door Hem zijn wij gebracht tot God in de betrekking van kinderen, door het geloof in Christus Jezus. Romeinen VIII leert ons dit duidelijk. "Want zoovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij, wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen een geest van zoonschap, door welken wij roepen: Abba, Vader! De Geest zelf getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn." Onze geest is de nieuwe natuur of het leven, dat ons medegedeeld is; en met dien geest getuigt de Heilige Geest, die in ons woont, door ons in gemeenschap te brengen met den Vader en ons den Vadernaam te leeren uitspreken, dat wij kinderen Gods zijn. Wij dragen het heerlijke bewustzijn in ons om, dat wij kinderen van God zijn, en smaken de zaligheid van zijne gemeenschap. In plaats van een geest van slavernij, die ons tot vreeze bracht, en waardoor onze zielen werden geboeid, hebben wij een geest van zoonschap, waardoor wij ons in Gods nabijheid, als zijne kinderen, gelukkig gevoelen. "En omdat gij zonen zijt, heeft God den Geest zijns Zoons in onze harten uitgezonden, die roept: Abba, Vader!" (Gal. IV : 6.) Ook "hebben wij niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons door God geschonken zijn." (1 Kor. II : 12.) Wij moeten dus niet strijden met de wapenen der wereld, noch ons inlaten met hare handelingen, maar wij behooren navolgers Gods te zijn als geliefde kinderen. Evenmin hebben wij ontvangen een geest van vreeze, waardoor wij gebogen gaan onder het gevoel onzer zwakheid en onvolkomenheid; maar wij hebben ontvangen een geest van kracht, en van liefde, en van bezadigdheid. (2 Tim. I. : 7). Wie dus wel onderwezen is door den Geest en zich door Hem laat leiden, die kent den geest van slavernij en krachteloosheid niet meer; die is niet wereldschgezind en ook niet terneergedrukt en vreesachtig; maar die heeft goeden moed; is vol liefde en zachtmoedigheid; is gehoorzaam aan zijns Vaders wil; verheugt zich in Gods gemeenschap; let op Gods woorden en gedachten; en dient Hem in alle nederigheid des harten.

Door de inwoning des Heiligen Geestes zijn wij vereenigd met Christus, ons verheerlijkt Hoofd in den hemel. Op den weg naar Damaskus roept de verheerlijkte Heer den heftigen vervolger der heiligen op aarde, Saulus van Tarsus, toe: "Saul, Saul wat vervolgt gij mij!" De heiligen op aarde, die door Saulus vervolgd werden, en de verheerlijkte Heer in den hemel waren dus n, zij vormden te zamen n geheel, n lichaam; zij waren z n, dat als zij vervolgd werden, men Hem vervolgde; en deze nieuwe openbaring aan Saulus vormde den grondslag voor Paulus' leer omtrent de Gemeente, welke leer hem was toevertrouwd geworden. Deze vereeniging der heiligen met Christus in den hemel is niet tot stand gebracht door het geloof, en ook niet door het bezit van het eeuwige leven, gelijk door menigeen beweerd wordt, maar door de inwoning des Heiligen Geestes, als gevolg van de afwassching onzer zonden door het bloed van Christus. Want ook wij allen zijn door nen Geest tot n lichaam gedoopt. En wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijne beenen." (1 Kor. XII : 13; Efez. V : 30.) Wondervolle waarheid! Wij, arme, verlorene, goddelooze zondaars uit de volken, zijn levend gemaakt en gereinigd, en door den Heiligen Geest vereenigd met den Heer Jezus in den hemel, zoodat de Heer der heerlijkheid ons als een deel van zichzelven beschouwt en behandelt! Die den Heer aanhangt, is n geest met hem." (1 Kor. VI : 17.) Het bewustzijn van de werkelijkheid dezer vereeniging verbindt ons noodzakelijkerwijze op het nauwst aan den Heer, doet ons Hem aanhangen, leert ons alles in Hem te vinden, en maakt ons daardoor van duizend dingen, die menigeen goed acht, los, omdat zij niet in overeenstemming zijn met Hem, met Wien wij "door nen Geest" voor eeuwig verbonden zijn.

Deze inwoning des Heiligen Geestes is z wezenlijk, dat, als God ons hart onderzoekt, Hij in dat hart, aangezien de Heilige Geest daar woont, de meening des Geestes vindt, die, daar wij niet weten, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, te midden van al de ellende, die door de zonde in de wereld gekomen is, met onuitsprekelijke verzuchtingen voor ons bidt in overeenstemming met God. Ja, z wezenlijk, dat de diepten Gods ons nu geopenbaard zijn. De profeten des Ouden Verbonds kenden deze dingen niet; en ze wisten, dat zij ze niet kenden, want n van hen getuigde: "Wat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen, hetgeen God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben." (Jes. LXIV : 4.) Doch de apostel, die deze woorden aanhaalt, kan er bijvoegen: "Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Want wie van de menschen weet, hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen, die in hem is? Zoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Want wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons door God geschonken zijn." (1 Kor. II : 9-12.)

Onder de vele werkingen van den Heiligen Geest in ons zijn vooral gewichtig, die, welke de Heer Jezus zelf in zijne laatste woorden tot zijne discipelen heeft opgegeven. En onder dezen neemt de eerste plaats in, dat de Heilige Geest ons getuigt van den Zoon. "Die zal van mij getuigen," zegt Jezus. De Heilige Geest stelt derhalve voor onze ziel de persoonlijke heerlijkheid en volmaaktheid van den Zoon, zijne zedelijke voortreffelijkheid, zijn volbracht werk op het kruis, de verschillende bedieningen, welke Hij nu waarneemt, en de heerlijkheid, welke tot zijn eeuwigen roem zal geopenbaard worden. Hij leidt onze gedachten terug in de eeuwigheid om zijn eeuwig Zoonschap te aanschouwen, en ons Dengene te doen zien, door Wien de werelden gemaakt zijn. Hij roept ons voor den Geest zijn Godverheerlijkend werk van verzoening en verlossing, en richt onzen blik op den verheerlijkten Menschenzoon, aan Gods rechterhand verheven, gekroond met heerlijkheid en eer. Hij laat ons een blik slaan in de toekomst, wanneer Hij als de rechtmatige Erfgenaam aller dingen zal verschijnen om zijn koninkrijk in gerechtigheid op te richten. De Heilige Geest getuigt van Hem, aan Wien alle engelen en machten en krachten onderworpen zijn; van Hem, die als de volmaakte Mensch op aarde werd verworpen en gedood; van Hem, aan Wien al het oordeel is overgegeven door den Vader, en voor Wien alle knie zich buigen zal. Hij stelt ons Jezus voor als het Hoofd zijns lichaams, de Gemeente; als den grooten Hoogepriester, die altijd leeft om voor ons tusschenbeide te treden; Als onze Voorspraak bij den Vader; als den Herder en Opziener onzer zielen; en brengt ons in verrukking door de beschrijving van den tijd van zegen en heerlijkheid, welke aanstaande is, wanneer Hij als Isral's en der volken Koning in heerlijkheid verschijnen zal. Nu eens doet Hij ons genieten van Jezus als onze wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing; dan weer vertroost Hij ons door de hoop zijner wederkomst, wanneer alle leed zal verdwenen, alle strijd zal gestreden, en elke zonde zal weggenomen zijn. Zoodat, hetzij de Heilige Geest zich bezighoudt met het verledene, met het tegenwoordige of met het toekomende, Hij steeds getuigenis geeft van den Zoon, die het middelpunt is van al Gods raadsbesluiten, genade en heerlijkheid. Wij, kunnen er daarom van verzekerd zijn, dat, geen prediking kan gezegd worden te zijn door den Heiligen Geest, indien die niet tot hoofdonderwerp heeft onzen Heer Jezus Christus, het welbehagen van God en de bewondering der engelen.

De Heilige Geest verheerlijkt ook den Zoon. "Die zal mij verheerlijken; want hij zal het uit het mijne nemen, en het u verkondigen." (Joh. XVI : 14.) Hij stelt ons Hem voor, als alle eer en heerlijkheid waardig. Zijne uitnemendheid doet ons alle andere dingen als nietswaardig beschouwen. Zijne waardigheid zal de lofzeggingen van alle schepsel in den hemel en op aarde en onder de aarde te voorschijn roepen. Maar zelfs nu, op deze door de zonde bezoedelde aarde, openbaart de Heilige Geest Hem zoodanig aan onze ziel, dat onze harten zijnen lof bezingen. Ja, voor duizenden op aarde is zijn Naam boven allen naam dierbaar, en neemt zijn heerlijke Persoon de eerste plaats in hunne harten in, zoodat rijkdom, macht en eer, geleerdheid en roem schade en drek door hen worden gerekend bij de uitnemendheid zijner kennis. Voor Hem buigen zij zich neer. Hij wordt door hen aangebeden en geprezen. Zijn eer en roem gaat hen boven alles ter harte. En dat alles geschiedt, doordien de Heilige Geest Hem verheerlijkt; het uit het zijne neemt, en ons verkondigt.

De Heilige Geest verkondigt ons ook de waarheid aangaande de toekomende dingen. "De toekomende dingen zal hij u verkondigen." (Joh. XVI : 14.) Wanneer wij derhalve geen achtgeven op het getuigenis der Heilige Schrift omtrent de profetische gebeurtenissen, dan is het duidelijk, dat wij de bediening des Heiligen Geestes niet tot haar recht laten komen. Denken wij er wel aan, dat dezelfde Geest, die ons gegeven is, en die in ons roept: "Abba, Vader!" ook zegt: "Kom, Heer Jezus!" "De Geest en de bruid zeggen: kom!" Wij zijn dus niet in overeenstemming met het getuigenis des Geestes, indien onze harten niet gericht zijn op, en niet verlangen naar de komst van Jezus.

De Heilige Geest is onze Leidsman hier beneden. Als de andere Trooster of zaakwaarnemer (zooals wij het grieksche woord "parakleet" het best zouden vertalen, indien zulks niet te familiaar was) neemt Hij de plaats van Jezus in, en onderwijst ons, leidt ons in de waarheid, sterkt ons in den strijd, troost ons in het lijden, vermaant en waarschuwt ons te midden van de vele verzoekingen der wereld en des satans. Door Hem zijn wij in staat om van alle besmetting des vleesches en des geestes ons verre te houden, en alzoo de heiligmaking te voleindigen in de vreeze Gods. Wij leven door den Geest, zegt Paulus, laat ons ook door den Geest wandelen; en indien wij door den Geest wandelen, zullen wij de begeerte des vleesches geenszins volbrengen; maar integendeel de vrucht des Geestes vertoonen, welke is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, matigheid. (Gal. V.)

Hoe heerlijk zijn derhalve de gevolgen en zegeningen van de inwoning des Heiligen Geestes! Mochten wij ze toch steeds genieten, geliefde broeders! Wij lezen in de Brieven der Apostelen zooveel van "blijdschap;" en waarlijk als wij de inwoning des Heiligen Geestes met een geloovig hart hebben aangenomen, en dan dien hemelschen Gast de ware plaats in onze harten inruimen, zoodat Hij ons geheel vervullen kan, dan zullen onze harten van vreugde overvloeien. De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, die ons gegeven is; en dientengevolge hebben wij "rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in den Heiligen Geest." In plaats van met onszelven bezig te zijn, houden wij ons voor de zonde en de wereld gestorven, en vinden ons genot in de aanschouwing, bewondering en aanbidding van Christus, wiens naam ons boven alles dierbaar wordt, wiens Persoon ons boven allen aantrekt, wiens werk ons eenig rustpunt is, wiens komst het eenig verlangen onzer ziel uitmaakt.

God gaf ons den Heiligen Geest als Persoon wonende in ons; opdat wij niet alleen smaken zouden "de genade onzes Heeren Jezus Christus" en de liefde Gods des Vaders, maar ook "de gemeenschap des Heiligen Geestes"; door welken al de "geestelijke zegeningen, waarmede wij in den hemel in Christus gezegend zijn, reeds nu heerlijke werkelijkheden voor ons worden, in het zalige vooruitzicht weldra, wanneer de Trooster ons gebracht zal hebben tot den hemelschen Bruidegom, verzadiging van vreugde te hebben voor zijn aangezicht.