Correspondentie.

5. A. Q. te Breskens. - Als de Heer in Joh. XI : 4 tot zijne discipelen van Lazarus zegt: "Deze krankheid is niet tot den dood, maar tot heerlijkheid Gods; opdat de Zoon Gods door haar verheerlijkt worde;" dan bedoelt Hij daarmede, dat Hij Lazarus uit den dood zou opwekken, zoodat Lazarus' ziekte, die in den dood eindigde, strekken zou tot de verheerlijking van God, en de Zoon Gods door haar zou verheerlijkt worden. Door geen van Jezus' wonderen is de heerlijkheid van God en de heerlijkheid van Gods Zoon zůů openbaar geworden als door de opwekking van Lazarus, wiens lichaam reeds tot ontbinding was overgegaan.


 

6. M. te Leiden vraagt een verklaring van Rom. V : 14.

Adam's zonde in het paradijs was een overtreding van Gods gebod. Daarna, tot Mozes toe, heeft de Heer geen gebod meer gegeven, zoodat in dien tijd niemand God gebod heeft overtreden. Nochtans hebben de menschen in dien tijd gezondigd, en heeft dientengevolge de dood over hen geheerscht, want door de zonde is de dood. Hoewel dus de menschen van Adam tot Mozes gezondigd hebben en aan den dood onderworpen waren, zoo hebben zij toch niet gezondigd in de gelijkheid der overtreding van Adam, daar aan hen geen gebod gegeven was, hetwelk zij overtreden konden.


 

7. F. B. te Beverwijk vraagt een verklaring van Hebr. VI: 4-6 en van Hebr. XII : 29.

a. In Hebr. VI : 4-6 spreekt de Apostel van afvallen van het christelijk geloof. Hij spreekt niet over iemand, die, na in Christus geloofd te hebben, in de zonde valt; want hoe schrikkelijk dit ook wezen moge, zoo is er toch voor den zoodanige bekeering mogelijk. Wie evenwel het christelijk geloof afzweert, zich van het Christendom afwendt om tot het Jodendom terug te keeren, en dus een afvallige geworden is, die kan niet wederom vernieuwd worden tot bekeering, daar hij voor zich den Zoon Gods kruisigt en te schande maakt. Al de voorrechten, waarin hij gedeeld heeft, kunnen hem niet baten. Door Christus te verwerpen, vertreedt hij den Zoon Gods, en acht hij het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd, afgezonderd was, onrein. (Zie Hebr. X : 26-31.)

Zie de uitvoerige behandeling dezer woorden in den 23sten jaargang van den "Bode", bladz. 33.

b. In het laatste gedeelte van Hebr. XII wijst de Apostel de geloovige HebreŽrs op de heerlijke zegeningen, die in Christus hun deel geworden waren, en vermaant hij hen om zich niet af te wenden van hem, die van de hemelen spreekt. Indien toch de IsraŽlieten, welke zich van Mozes, die op aarde goddelijke aanwijzingen gaf, afwendden, het oordeel Gods niet ontvloden zijn, hoeveel minder zullen wij dat oordeel ontvlieden, indien wij ons afwenden van Hem, die van de hemelen spreekt, "Want ook onze God is een verterend vuur." Hij zal dus geenszins onschuldig houden en ongestraft laten, wie zich van Hem afkeert, en Hem verlaat.


 

8. H. S. te Alfen vraagt een verklaring van Levit. XXVII.

In dit Hoofdstuk wordt gehandeld over de vrijwillige geloften, waarin zich de toewijding des harten aan den Heer openbaarde. Men kon zijn persoon en zijn bezitting den Heere toewijden. Doch alles moest vrijwillig zijn, en daarom mocht niets genomen worden van hetgeen men den Heere rechtens verschuldigd was.

Had men zichzelven of zijn bezitting den Heere toegewijd, dan moest men zich voor het aangezicht van den priester stellen, en "naar uw schatting", zoo zegt de Heer tot Mozes, "moet het geschat worden." Mozes is de type van Christus als Koning; zoodat dezelfde gezegende Heer, die op aarde neerdaalde om voor zijn volk verzoening te doen, als Rechter zal oordeelen over elke toewijding zijns volks aan Jehovah. In het groote jubeljaar, in het heerlijk koninkrijk van den Messias, zal alles naar zijne werkelijke waarde worden geschat en beoordeeld.


 

9. J. S. te Almeloo vraagt, of de woorden in Lukas XXII : 44 beteekenen, dat de Heer Jezus in Gethsťmanť bloed heeft gezweet.

Mij dunkt van neen. Als Lukas zegt: "En zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen;" dan bedoelt hij, naar het mij voorkomt, dat de zweetdroppelen zoo groot waren als droppelen bloeds.


 

10. A. M. S. te Leiden vraagt: "In 2 SamuŽl I : 18 lezen wij van een boek des oprechten, en in DaniŽl X : 21 van een boek der waarheid, welke boeken zijn dat?"

In DaniŽl X : 21 wordt niet van een boek, maar van een geschrift der waarheid gesproken, en daarmede wordt bedoeld het register (zie Ps. LVI : 9.) of het gedenkboek des Heeren, (zie Mal. III : 16.) waarin al Gods gedachten en wegen staan opgeteekend.

Van het boek des oprechten lezen wij voor de eerste maal in Jozua X : 13, zoodat dit boek vůůr of ten tijde van Jozua is geschreven geworden. Evenals sommige andere boeken, van welke in het Oude Testament melding gewaakt wordt, behoorde dit boek niet tot den gewijden canon der Schrift, en is verloren geraakt.