GODS TROUW IN DE VERDRUKKING.

 

(EXODUS III.)

 

Een wondervolle aanblik moet het geweest zijn, toen Mozes in de woestijn van Midian een braambosch zag, die brandde in het vuur, en nochtans niet verteerde. Geen wonder, dat hij zich daarheen wendde om dat groote gezicht te bezien, en te weten, hoe het kwam, dat de braambosch verbrandde en niet verteerde. Doch toen hij zich daarheen wendde, riep God uit het midden van den braambosch: "Nader hier niet toe, trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilig land. Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, en de God van Izašk, en de God van Jakob. Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks, hetwelk in Egypte is; en Ik heb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers; en Ik heb hunne smarten bekend; en Ik ben nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land vloeiende van melk en honig." En toen Mozes vroeg: "Zie, als ik tot de kinderen IsraŽls kom, en tot hen zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij zeggen: Hoe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?" toen antwoordde God: "IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL heeft mij tot u gezonden."

Dat is een nieuwe naam, dien God zichzelven hier geeft. Met dezen naam was Hij tot hiertoe niet bekend geweest. "Ik ben aan Abraham, Izašk en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met mijnen naam HEER (Jehovah) ben ik hun niet bekend geweest." (Zie Exod. VI : 2.) Wel vinden wij dien naam reeds in het tweede hoofdstuk van Genesis, doch men bedenke, dat Mozes dat boek geschreven heeft, en Mozes kende dien naam van God, en kon er dus in zijne geschriften gebruik van maken. "IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL," of beter overgezet: "IK BEN, DIE IK BEN." Gelijk de Heer Jezus zeide: "Eer Abraham was, ben Ik," of letterlijk: "Eer Abraham was, Ik ben." Dat wil niet zeggen: Eer Abraham was, bestond ik, maar: Eer Abraham was, bestond ik als de "IK BEN," als de Jehovah des Ouden Verbonds, de eeuwig Getrouwe, de onveranderlijke Verbonds-God.

Onze namen hebben gewoonlijk geen beteekenis. De namen in de Schrift gemeenlijk wel. Gods namen bovenal. Zij drukken iets van zijn wezen, een gedeelte van zijne hoedanigheden of eigenschappen uit. God, de, Schepper, noemde zich bij Abraham, Izašk en Jakob DE ALMACHTIGE, door Melchizedek DE ALLERHOOGSTE, hier bij Mozes en voortaan voor IsraŽl: "IK BEN," JEHOVAH, en nu voor ons, zijne kinderen, "VADER." En het bekend maken van die namen staat telkens in verband met de openbaring van een gedeelte van Gods wezen. De Almachtige had aan Abraham, Izašk en Jakob beloften gegeven, en met hen een verbond gemaakt. Hun zaad zou wel in Egypte worden verdrukt, maar het zou het land, waarin zij als vreemdelingen verkeerden, bezitten. Dat land, vloeiende van melk en honig, waarin de aartsvaders in tenten vertoefden, zou aan hun zaad ter eeuwige erfenis gegeven worden. En nu, toen Mozes in Midian's woestijn de kudden zijns schoonvaders weidde, stond de vervulling van deze belofte voor de deur, en zou God zijn verbond gestand doen. Hoewel Jakob's zaad 400 jaren in Egypte had vertoefd, had God nochtans zijne belofte niet vergeten, maar stond Hij op het punt om die te vervullen, en daarom komt Hij nu tot hen als de "IK BEN, DIE IK BEN," de Onveranderlijke, de eeuwig Getrouwe, de Waarmaker van zijn Woord, de Vervuller zijner belofte. Onuitsprekelijke genade! Heerlijke vertroosting! Ook voor ons. Voor ons nog meer dan voor IsraŽl. Want de Schepper van hemel en aarde, de Almachtige, Jehovah, "Ik ben, die Ik ben" is in Christus onze Vader.

Welnu, die Onveranderlijke, die eeuwig Getrouwe, was in het midden van den braambosch. De braambosch brandde, maar omdat Hij in het midden was, verteerde de braambosch niet. De drie jongelingen waren in den oven des brandenden vuurs, maar omdat de engel des Heeren met hen in het vuur wandelde, werden zij niet verteerd, ja, was zelfs de reuk des vuurs aan hunne kleederen niet te bespeuren. Zoo was het ook met IsraŽl. Hoe groot de verdrukking ook was, waaronder zij zuchten, zij waren niet verteerd. Integendeel, zij groeiden tegen de verdrukking in. FaraŲ had dit op treffende wijze ondervonden. Al zijne wreede bevelen hadden geen andere uitwerking gehad, dan dat het volk in menigte en in kracht was toegenomen. De Heer was in het vuur, en daarom kon het vuur hen niet schaden. FaraŲ stond beschaamd en de man, die na door God verheven was om zijn volk van de slavernij te bevrijden, was ten gevolge van 's konings wreede bevelen aan zijn eigen hof in al de wijsheid der Egyptenaren onderwezen.

Evenzoo is het met de gemeente des Heeren. Wat heeft de wereld al niet uitgedacht om haar van de aarde te verbannen en uit te roeien; doch steeds bleek zulks onmogelijk te zijn. De poorten van den hades zullen Jezusí gemeente niet overweldigen. Ook zij groeit tegen de verdrukking in, en is in de verdrukking het sterkst en het gelukkigst. Het bloed der martelaren is het zaad der kerk. En met ieder onzer gaat het niet anders. O neen! al kermen wij ook in het vuur, van verteeren is geen sprake. De Heer is met ons in de verdrukking. De heiligen staan de vuurproef glansrijk door, en eenmaal zal elke beproeving des geloofs blijken te zijn geweest tot ons heil en onzen zegen, en strekken tot lof en eer en heerlijkheid van God in de openbaring van Jezus Christus.

Doch luisteren wij nu naar de woorden vol teederheid en ontferming van Hem, die in het midden van het vuur was. "Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks; Ik heb hun geschrei gehoord; Ik heb hunne smarten bekend, en Ik ben nedergekomen om hen te verlossen." Welk een teedere liefde! Welk een nederbuigende goedheid! Zijn oog was gericht op die arme, verdrukte, israŽlietische slaven, die onder de hand der drijvers zuchtten. Van zijnen hoogen hemel sloeg Hij hen met innige belangstelling gade. Niets ontging Hem. Wat voor ieders oog verborgen was, werd door Hem gezien. Ja, Hij wendt zijn oog niet af van de rechtvaardigen hier beneden. Hoe heerlijk en vertroostend tevens! Met dit zalige bewustzijn in ons gaan wij moedig onzen weg, en verdragen wij het leed en de beproeving. Geen haar valt van ons hoofd zonder den wil des hemelschen Vaders.

Doch Hij slaat ons niet alleen gade; Hij luistert ook naar ons geroep. "Ik heb hun geschrei gehoord vanwege hunne drijvers." Zijn oor is altijd open. Dag en nacht luistert Hij naar ons. Menschen kunnen dat niet. Zij kunnen onmogelijk in alles belang stellen. Niemand verge dit van een ander, want hij-zelf doet het ook niet. Doch onze God stelt in alles belang. Er staat van Hem geschreven, dat Hij het geroep der jonge raven hoort. Hoeveel te meer dan het geroep zijner kinderen.

Doch er is meer. De Heer gaat nog een stap verder, en zegt: "Ik heb hunne smarten bekend." Hij was in hun leed ingegaan. Zie, dat doen de menschen niet licht. De verdrukking zien, naar het geschrei luisteren, dat gaat nog wel, maar in het leed zich verplaatsen, alsof men het zelf ondervindt, dat kan alleen de Heer, en hij, die zich door Gods Geest laat leiden en bewerken. De Heer had IsraŽls smarten bekend. Hij gevoelde als 't ware de zweep van FaraŲ's drijvers op den rug der arme israŽlietische slaven. Zoo is het ook bij ons. "Saul, Saul! wat vervolgt gij mij!" is het heerlijke woord van Jezus, op den weg naar Damaskus gesproken, toen Saul de heiligen vervolgde. Jezus is de medelijdende Hoogepriester, die, omdat Hij-zelf in alle dingen verzocht werd, uitgenomen de zonde, met onze zwakheden medelijden kan hebben, en zich verplaatsen kan in al wat ons op aarde treft als een, die zelf in al die omstandigheden verkeerde. Hij gevoelt al ons leed. Hij kan onzen strijd en ons zuchten verstaan. Zijn hart lijdt met ons mede. Hij is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Welnu, als wij Hem gadeslaan in zijn leven hier beneden, welk een teeder medegevoel vervulde zijn hart. Hij weende aan Lazarus graf; Hij troostte de moeder, wier eenige zoon ten grave gedragen werd. Hij vertrouwde zijne eigene moeder aan zijnen meest geliefden discipel toe.

Maar de Heer ziet niet alleen onze ellende, Hij luistert niet alleen naar ons geschrei, en komt niet alleen om zijn medegevoel te betoonen; maar Hij daalt ook neder om ons te verlossen. Voor IsraŽl was de ure der bevrijding geslagen. Met een machtige hand en een uitgestrekten arm zou de Heer hen uit Egypte uitleiden en van de drukkende slavernij verlossen. Al had het ook geschenen, alsof Hij zijn volk had vergeten, en zich niet om hen bekommerde, zoo was Hij toch steeds gedachtig aan zijn verbond met Abraham; en hoe lang ook uitgesteld, de verlossing was nu nabij.

Ook onze verlossing is nabij. De Heer Jezus komt spoedig. "Ziet, ik kom haastelijk!" roept Hij ons toe. Het hemelsche Kanašn ligt voor ons. Het Vaderhuis met zijne vele woningen is open. Daar zien wij Jezus met heerlijkheid en eere gekroond. Daar aanschouwen wij de voor ons bereide plaats. Eťn oogwenk slechts, en de kroon volgt op het kruis. De tranen worden gedroogd; het stof wordt van de voeten geschud; het zweet van het aangezicht gewischt. Eeuwige rust in het land, vloeiende van melk en honig, is ons deel; en verzadiging van vreugde genieten wij daar voor zijn aangezicht.

Doch behalve deze eindelijke verlossing uit allen strijd en leed, is er nog een uitkomst, welke de Heer ons schenkt te midden van de verdrukking. Er staat geschreven: "God laat ons niet verzocht worden boven vermogen, maar schenkt met de verzoeking ook de uitkomst." Gij zegt misschien: "mijn vermogen is zoo gering." Mocht gij maar recht inzien, dat gij in het geheel geen vermogen bezit, is mijn antwoord. "Ik ben zoo zwak," zucht gij. Mocht gij maar diep gevoelen, dat gij niet alleen zwak, maar krachteloos zijt, roep ik u toe. Wij hebben geen vermogen in onszelven om iets te verdragen. Het geringste, een speldeprik doet ons opschrikken. De minste tegenspoed kan ons geheel in verwarring brengen en moedeloos maken. "Maar," zult gij zeggen, "als dat zoo is, en ik kan het niet tegenspreken, want het is overeenkomstig Gods Woord, hoe kan de Heer dan zeggen, dat Hij ons niet laat verzocht worden boven vermogen? Als wij geen vermogen hebben, dan gaat dus elke verzoeking ons vermogen te boven." Zoo is het ook; maar ziehier de verklaring van het geheim. De Heer geeft met de verzoeking de uitkomst. Let wel op: er staat niet, dat Hij uit de verzoeking verlost, dat Hij de verzoeking doet ophouden; maar er staat: Hij geeft met de verzoeking de uitkomst. Stond er dit niet, dan zouden wij wel reden hebben om te twijfelen en te wankelen. Menigeen toch ligt jaren lang op zijn ziekbed en sterft. Menigeen verliest zijn gansche vermogen, en krijgt het nooit weer terug. Er kwam dus geen uitkomst. De verdrukking hield niet op. Maar de Heer geeft met de verzoeking de uitkomst; dat wil zeggen, Hij geeft de uitkomst, terwijl de verzoeking er is, al duurt ze ook jaren lang voort en al komt er nooit een eind aan. En waarin bestaat die uitkomst? Wel in het vermogen, dat Hij schenkt, om de verzoeking te kunnen verdragen. Lees de woorden van den Apostel nog eens over, en gij zult zien, dat het werkelijk zoo is. "God is getrouw, die niet zal toelaten, dat gij boven vermogen verzocht wordt; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat gij ze kunt verdragen." (1 Kor. X : 13.) De uitkomst bestaat dus in het vermogen om de verzoeking te verdragen. Menigeen staat er verbaasd over, dat hij zoovele jaren heeft kunnen lijden; dat hij zulke zware verliezen heeft kunnen doorstaan; dat hij zulk een moeielijken strijd heeft kunnen strijden. Had men hem van te voren gezegd, dat zijne verzoeking zoo zwaar zou zijn, en zoo lang zou duren, hij zou u verzekerd hebben, dat hij zulks onmogelijk kon uithouden. En toch is hij er doorgekomen, ja, hij heeft geleerd onderworpen en geduldig te lijden en te strijden. God gaf met de verzoeking het vermogen om de verzoeking te verdragen. Niet ineens voor den heelen duur der verzoeking, maar elken dag, wat voor dien dag noodig was; zoodat de verzoeking nooit het vermogen om ze te verdragen te boven ging. Geen van Gods kinderen kan in de verdrukking bezwijken, omdat de "Ik ben, die Ik ben" in het midden van het vuur is.

Heerlijk is het dit te ondervinden! Het leert ons in de verdrukking te roemen. Niet om de verdrukking op zichzelve, maar om de uitwerking. De verdrukking werkt lijdzaamheid, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. Een vreedzame vrucht der gerechtigheid komt er uit voort voor hen, die er door geoefend worden. De beproeving des geloofs, die veel kostelijker is dan die van het goud, zal bevonden worden te zijn tot lof en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus. Wel zal er veel onverklaarbaars en raadselachtigs hier beneden overblijven, maar eenmaal worden alle raadselen opgelost; eenmaal zullen wij de hand kussen, die ons geslagen heeft; eenmaal zullen wij inzien, dat het zůů en niet anders moest zijn, dat de weg, door den Heer met ons gehouden, wijs en goed en vol van liefde was. Dan zullen wij Hem danken voor elk leed, voor elk verlies, voor elke smart, voor elken strijd. Gelooven wij dit, dan begrijpen wij de anders raadselachtige vermaning van den Apostel: "Acht het voor louter vreugde, mijne broeders! wanneer gij in velerlei verzoekingen valt."