Beschouwing over den brief van Jakobus.

HOOFDSTUK V.

 

Het deel der getrouwen is niet in deze wereld. Christus heeft hen verworven voor Zichzelven, voor den hemel, opdat zij Hem in de heerlijkheid gelijkvormig en zijne medeŰrfgenamen zouden zijn; want zijne liefde wil, dat zij alles genieten zullen, wat Hij-zelf geniet. Zijne liefde is volmaakt. Hier op aarde evenwel moeten zij met Hem lijden. Het is een groot voorrecht, voor Hem te lijden; doch dat is niet aller deel. Nochtans zullen allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, vervolgd worden; (2 Tim. III : 12.) en het is onmogelijk het lijden met Christus te ontgaan. Indien wij den Geest van Christus bezitten, dan gevoelen wij, gelijk Hij gevoeld heeft. De heiligheid en de liefde lijden bij het aanschouwen van de zonde om ons heen; zij lijden ten gevolge van den toestand der gemeente Gods en ten gevolge van de ellende, welke ons omgeeft, en van de blindheid, waarin die zielen verkeeren, welke van Christus en de zaligheid afkeerig zijn. leder heeft zijn kruis te dragen. Bovendien laat God toe dat wij lijden, daar wij hierdoor geduld leeren, en tevens tot de erkentenis komen, dat ons erfdeel hier beneden niet is. De bevinding, d. i. de verwezenlijking der practische waarheid, wordt in het hart bevestigd, en daardoor wordt de hoop zooveel te helderder en sterker. Dit vooronderstelt natuurlijk, dat de liefde Gods door den Heiligen Geest in onze harten is uitgestort. Waar zulks niet het geval is, daar zendt God het lijden om de ziel tot bekeering te brengen.

Jakobus wendt zich nu met een scherpe bestraffing tot de rijken, die vele goederen in deze wereld bezaten, en de armen zonder verschooning behandelden, terwijl er toch geschreven staat: "Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige." (Ps. XLI : 2.) Wie den arme veracht, omdat hij arm is, veracht den Heer. "Ik ben wel ellendig en nooddruftig," zegt de Heer in den vorigen Psalm. De Heer Jezus had, toen Hij op aarde wandelde, zijnen zegen over de armen uitgesproken, en hun is het evangelie verkondigd geworden. Wij weten heel goed, dat een arme een even slecht mensch zijn kan als ieder ander; doch rijkdommen zijn een bijzonder gevaar voor ons, omdat zij den hoogmoed voeden, en ons hart zoo licht aftrekken van de armen, bij welke de Heer hier beneden zich voegde. "Gij kent de genade onzes Heeren Jezus Christus, dat hij, rijk zijnde, om uwentwil arm is geworden, opdat gij door zijne armoede rijk zoudt worden." (2 Kor. V : 9.)

De rijken echter, tot wie Jakobus zich wendt, leefden in de zonde; zij onderdrukten de armen, en betaalden hun het loon voor hunnen arbeid niet. Wij worden hier verplaatst in de laatste dagen. Het geschrei der armen is gekomen tot de ooren van den Heer Zebaoth. Jakobus roept de rijken op om te weenen en te huilen over de ellenden, die over hen komen zouden. Zij hadden weelderig geleefd op aarde en wellusten gevolgd. En niet alleen dat, maar, terwijl zij in wellusten leefden, wilden zij in de bevrediging daarvan door niemand gestoord worden. Zij hadden den rechtvaardige veroordeeld en gedood. Hij had hen niet wederstaan. Zij wilden zich het genot dezer wereld verzekeren in die valsche rust, welke noch aan God, noch aan het oordeel, noch aan den dood denkt. Ontwaakte het geweten, dan zouden zij verontrust zijn geworden, en daarom verhardden zij zich, zooveel zij maar konden, om dit ontwaken te verhinderen. Tot nu toe heeft God den loop dezer wereld niet veranderd. Had Hij dit gedaan, dan zou Hij genoodzaakt zijn geweest, het oordeel uit te voeren. Instede hiervan is Hij nog altijd ten gunste van de zondaren werkzaam. Hij slaat hen niet, en toch vertraagt Hij de belofte niet, maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat iemand verloren ga, maar dat allen tot bekeering komen. (2 Petr. III : 9.)

De Christenen moeten daarom hunne harten bemoedigen; zij moeten geduldig blijven en zich aan het uitwendige kwaad onderwerpen tot de komst des Heeren, gelijk ook Christus, die het goede deed, geleden heeft en steeds geduldig gebleven is. De Christen wordt vermaand zijne voetstappen te volgen. Ons deel is niet in deze wereld. Lijden wij, terwijl wij goeddoen, dan is dit aangenaam voor God, vooral indien dit lijden om Christus' wil is. Het leven van den Heiland bestond slechts in lijden en geduld. Nu evenwel is Hij verheerlijkt bij God, den Vader. Weldra zal Hij ten tweeden maal op deze aarde komen in de heerlijkheid des Vaders, in zijne eigene heerlijkheid en in de heerlijkheid der engelen. Dan zal Hij "verheerlijkt worden in zijne heiligen en bewonderd in allen, die geloofd hebben." (2 Thess. I : 10.) In dien heerlijken dag, wanneer de armsten der zijnen, de door de vijanden der waarheid onderdrukte Christenen, aan den Heer zelven in zijne heerlijkheid gelijk zullen zijn, zullen wij er ons in beroemen, dat wij waardig geacht werden, om zijnentwil te lijden, en dat wij in geduld en stilheid te midden van het lijden hebben volhard. Welgelukzalig zij, die Hij wakende vinden zal! Hij zal zich omgorden, en hen doen aanzitten, en naderkomende, zal Hij hen dienen. (Luk, XII : 37.) Welk een vreugde! Welk een genade! Het zal de eer en de vreugde des Heeren zijn om ons in het genot van de hemelsche gelukzaligheid in het huis zijns Vaders in te leiden, en ons alles uit zijne eigene hand te doen ontvangen. Wel is het der moeite waardig, om een weinig en voor een korten tijd voor Hem te lijden, en daarna een hemelsche gelukzaligheid te bezitten, welke ons de hand en het hart van Jezus zelven zal meedeelen. Wij zullen met Hem heerschen. Het is de vrucht van den arbeid, waartoe Hij ons verwaardigd heeft. Al ware het slechts een glas koud water, dat in zijnen Naam is gegeven geworden, het zal zekerlijk worden beloond. Doch nog veel heerlijker zal het zijn, in vrede te wonen in het Vaderhuis, en daar de eeuwige goederen te genieten, die Jezus ons in overvloed zal schenken. Kostbaar bewijs zijner liefde! (Zie Luk. XII : 35-44.)

Bedenken wij wel, dat de komst des Heeren toentertijd de hoop der geloovigen was. Wie neergebogen en bedroefd was, moest geduld hebben tot op die komst. "Weest dan geduldig broeders!" zegt Jakobus, "tot op de komst des Heeren." Misschien zegt deze of gene: Zij zijn dus bedrogen uitgekomen. Geenszins; want al zijn zij vˇˇr de komst des Heeren ontslapen, zoo zullen zij toch, als de Heer komt, al de vruchten van hunne volharding inoogsten. En ook tot die ure toe zijn zij bij den Heer; wel is waar uitwonende uit het lichaam, doch inwonende bij den Heer; en zij zullen met Hem komen, en dan de vruchten genieten van hun lijden, waarin zij uit liefde tot zijnen naam geduldig volhardden, en Hem hier beneden trachtten te verheerlijken. De vermaning van Jakobus toont ons evenwel duidelijk, hoe deze hoop toenmaals leefde in de harten der geloovigen, en het geheele wezen des christelijken levens doordrong. Het was niet slechts een bloote meening, een leerstelling, welke men van buiten geleerd had, een artikel van een geloofsbelijdenis, maar een levende hoop, die hunne zielen verheugde en verkwikte. Zij verwachtten den Heer. Welk een troost voor de armen en verdrukten, het heerlijk bewustzijn te kunnen hebben, dat de Heer spoedig komt, en dat dan alle lijden, alle ellende zal ophouden, en wij voor eeuwig bij Hem zullen zijn, die ons zoo onuitsprekelijk heeft liefgehad! Niets maakt ons zˇˇ los van de wereld als de verwachting des Heeren. Ik zeg niet: de leer zijner komst, maar de werkelijke verwachting des Heeren. Zijne komst scheidt ons voor altijd van deze wereld. Het hart wacht op zijne komst.

Totdat Hij komt, verkondigen wij in het avondmaal den dood des Heeren. Wij vieren dit avondmaal met dankzegging, omdat wij gedenken aan Hem, die ons heeft liefgehad, en omdat wij zijne liefde genieten, totdat Hij komt, om ons tot zich te nemen, opdat wij voor altijd bij en met Hem zijn zouden. In het avondmaal vinden wij de uitdrukking van al, wat het wezen des praktischen Christendoms uitmaakt, en door den Heiligen Geest worden wij bekwaam gemaakt, dit bij het vieren van dit feest te verwezenlijken.

"Weest ook gij geduldig, versterkt uwe harten." (vs. 8.) Hebben wij ons standpunt recht verstaan, dan wachten wij voortdurend. Wij weten evenwel niet, wanneer de Heer komen zal. Hem zij dank daarvoor! De Heer is lankmoedig, en zoolang er nog ÚÚne ziel is, die door het evangelie uit de wereld moet gerukt worden, zal Hij niet komen. Zijn geheele lichaam, zijne bruid moet gevormd, ieder lid aanwezig, bekeerd en met den Heiligen Geest verzegeld zijn. Is dit geschied, dan zal Hij komen en ons tot zich nemen. Christus zelf zit op den troon zijns Vaders, niet op zijn eigen troon. Ook Hij wacht op dien heerlijken oogenblik, en voorzeker met sterker verlangen dan wij. Daarom wordt er van de "volharding van Christus" gesproken. Dat is de beteekenis van de woorden in Openb. I : 9 en ook in Openb. III : 10, waar wij lezen: "Omdat gij het woord mijner volharding bewaard hebt," evenals van de woorden in 2 Thess, III : 5: "tot de volharding van Christus." Deze drie plaatsen bezigen hetzelfde woord. In den brief aan de HebreŰrs (Hoofdst. X : 12.) wordt ons geleerd, dat Christus "zich voor altijd gezet heeft aan de rechterhand Gods, voorts wachtende, totdat zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank zijner voeten." Als Christus wacht, dan kunnen wij ook wachten, al is het ook in strijd en lijden. Hij wacht op den oogenblik, waarop Hij zoowel in den hemel en op de aarde regeeren en vollen zegen over de zijnen uitstorten, als ook het kwaad uit beide plaatsen verbannen zal.

Wij moeten derhalve geduld hebben, opdat de eigen wil, noch de afmatting in den strijd zich van onze zielen meester maken. Wij kunnen er van verzekerd zijn, dat de door God gekozen tijd de beste, en juist die is, welke zijne goddelijke wijsheid en liefde voor de zijnen kan bepalen. Laten wij onzen blik richten op den Heer en op de hemelsche dingen, opdat wij Hem verwachten met verlangen, met een oprecht hart en een vast vertrouwen, terwijl wij het oogenblik zijner komst aan Gods beslissing overlaten! Dat onze harten een volkomen vertrouwen in zijne liefde hebben! Laten wij, bij de zekerheid, dat de Heer met meer liefde op ons wacht, dan wij op Hem, rustig zijn en geduldig op de reis door de woestijn! Het is kostelijk voor het hart, om Christus te verwachten, en met Hem een volheid van vreugde. En, Gode zij dank! zijn Woord zegt: "zijne komst is nabij." (vs. 8.)

Jakobus wijst ons op twee praktische gevolgen, die uit deze verwachting des Heeren voortvloeien. Hij vermaant de geloovigen vooreerst, de boozen niet te wederstaan. De rechtvaardige heeft hen niet wederstaan. Geduldig wachten is noodig, gelijk de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands, en dientengevolge den vroegen en spaden regen verwacht. Van deze middelen bedient zich God om de vruchten van zijnen oogst tot rijpheid te brengen. De Christen moet zijn hart versterken, onderwijl hij de wederwaardigheden des levens en de vervolgingen der wereld, die den Heer steeds vijandig is, te verduren heeft, en hij moet daarbij steeds aan 's Heeren komst gedachtig zijn. Daarna vermaant Jakobus de geloovigen, om niet in een geest van zuchten en twisting met elkander te leven. Verwacht men den Heer, dan is het hart rustig en tevreden; men is niet verbitterd tegen de vervolgers, maar verdraagt integendeel de beproevingen der woestijn met geduld, en volhardt, gelijk Christus volhard heeft, toen Hij leed, het onrecht verdroeg en op God vertrouwde. Men is tevreden en rustig en in een gelukkigen en liefdevollen geest; want een gelukkig hart valt het niet moeielijk liefdevol te zijn. De komst des Heeren zal alles in orde brengen; onze gelukzaligheid bestaat niet in de dingen hierbeneden. Dit zegt ook Paulus in Fil. IV : 5. "Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heer is nabij." Van welke heerlijke praktische gevolgen is de verwachting van 's Heeren komst. Welk een macht oefent zij uit op het hart. "De Rechter staat voor de deur." (vs. 9.)

Hierop volgen enkele voorbeelden. De profeten zijn een voorbeeld van lijden en geduld. Men had hen lief, en prees hen gelukzalig in hun lijden. Evenwel waren zij niet de eenigen; ook anderen bevonden zich in verdrukking en achtten zich gelukkig daarin. Zien wij iemand om den naam des Heeren Jezus onrecht lijden, en hij is geduldig en zachtmoedig, en zijn hart is met liefde voor zijne vervolgers vervuld, in plaats van tegen hen verbitterd te zijn, dan zijn wij getuigen van de macht des geloofs en des vertrouwens op de liefde en trouw des Heeren. Is zulk een rustig en vol vreugde, dan zeggen wij: "Hoe gelukkig maakt het geloof dien man!" en wijzelven zijn gelukkig te midden van het lijden, ten minste wij behooren het te zijn. Het is natuurlijk heel wat anders iemand te bewonderen, die door den Geest van Christus ondersteund wordt, dan in de verdrukking te roemen, als men er zelf in is. Een gebroken wil, vertrouwen op God, gemeenschap met Hem, die voor ons geleden heeft - ziedaar wat in ons aanwezig moet zijn, zullen wij in de verdrukking kunnen roemen.

Een ander voorbeeld wordt ons voorgesteld in Job, evenwel met het doel, om ons het einde des Heeren te toonen, die vol van medegevoel en barmhartig is. (vs. 11.) Dit voorbeeld is zeer leerrijk. Job was een oprecht en vroom man, God vreezende en wijkende van het kwaad. (Job I : 1.) Doch hij had welgevallen in zichzelven; hij deed goed, en dacht aan zijn goeddoen; een verborgen eigen gerechtigheid bevlekte zijne vroomheid. Doch God wendt zijn oog van den rechtvaardige niet af. (Job XXXVI : 7.) Hij zag het gevaar, waarin Job verkeerde, en Hij vestigt de aandacht van den satan op hem. God maakte een begin. De satan, de aanklager der broederen, dringt er op aan, dat Job aangetast wordt. God staat hem toe, Job te verzoeken en naar zijnen wil met hem te handelen. De satan gaat daarop zˇˇ ver, als hij maar gaan mocht; doch Job blijft onderworpen en zondigt niet met zijne lippen. (Job II : 10.) De duivel volhardt in zijne aanklachten, en dringt aan op grootere verzoekingen: "Strek nu uwe hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vleesch aan, zoo hij U niet in uw aangezicht zal vloeken." (Job II : 5.) God geeft Job wederom in zijne hand, alleen moest zijn leven worden verschoond. Doch Job bleef getrouw, en zondigde niet. Hij had het goede uit de hand van God ontvangen, zou hij dan ook niet het kwade uit zijne hand aannemen?

Door de genade behaalde het geduld van Job de overwinning over den satan; hij vermocht hem niet te doen wankelen. Door Gods genade was de kracht des vijands overwonnen. "Gij hebt van de volharding van Job gehoord." Evenwel het werk Gods tot zijnen zegen was nog niet volbracht. God had door zijne genade zijn hart gesterkt tegen den vijand, en Job had zijne trouw bewezen. Door den satan, als werktuig in de wegen van God, was door middel van den nood, welken hij over Job bracht, veel geschied. Doch het hart van Job was nog niet bereikt: hij kende zichzelven niet. Wel was hij door de genade Gods tegenover de aanklachten van den satan,gerechtvaardigd; doch indien er niets meer gebeurd ware, dan zou zijn toestand slechter, of ten minste het gevaar voor hem grooter geweest zijn dan van te voren. Hij zou dan hebben kunnen zeggen: "Ik was zachtmoedig en goedhartig in het geluk, en nu ben ik geduldig in het ongeluk." God moest noodzakelijkerwijze zijn werk volbrengen, en Job moest zijn eigen hart leeren kennen.

De vrienden van Job bezochten hem, en zetten zich zwijgend bij hem neer, ontzet over den toestand, waarin zij hem vonden. Helaas! hoe dikwerf komt de hoogmoed voor de oogen der menschen te voorschijn, wanneer hij beleedigd is geworden. Het hart vervult zich met toorn; en tegenover de deelneming verdwijnt de vastheid van karakter. Al wat in het hart van Job verborgen was geweest, vertoont zich nu in tegenwoordigheid zijner vrienden. Hij vervloekt den dag zijner geboorte. Job is nu naakt, en dat niet alleen voor God want, dat was hij altijd - maar, wat zoo zeer pijnlijk is, ook in zijne eigene oogen. Waar is nu zijne liefderijke bescheidenheid? Hij strijdt met God; hij beweert regtvaardiger te zijn dan God. Desniettegenstaande is het heerlijk te zien, hoe op den grond zijns harten rechtvaardige en ware gevoelens omtrent God aanwezig zijn. God zou niet zijn, zooals gij, indien ik Hem kon ontmoeten, zegt hij tot zijne vrienden; Hij zou woorden in mijnen mond leggen. Zijne vrienden beweerden, dat deze wereld een volmaakte ontvouwing van Gods regeering was, en dat dientengevolge Job's belijdenis zijner vroomheid louter huichelarij moest zijn. Tegen dit onrechtvaardig oordeel komt Job op, en verklaart, dat het kwaad, al is het ook, dat Gods hand zich nu en dan openbaart, in deze wereld zijnen loop heeft zonder dat God zich daarmede bezighoudt; want de goddeloozen hebben voorspoed. Doch Job geeft lucht aan de bitterheid zijns harten. Elihu bestraft hem, omdat hij zichzelven voor rechtvaardiger houdt dan God; en zegt, dat er werkelijk een regeering van God over de zijnen bestaat, dat Hij zijne oogen niet afwendt van den rechtvaardige en hem kastijdt, omdat Hij hem liefheeft. Daarop openbaart God zichzelven, en toont Job, hoe dwaas het is, met Hem in het gericht te treden. Job erkent zijne verdorvenheid en nietigheid, en in plaats van, gelijk vroeger, te zeggen: "Als mij een oog zag, zoo getuigde het van mij," (Hoofdst. XXIX : 11.) zegt hij nu: "Nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en asch." (Hoofdst. XLII : 5, 6.) Hij ziet nu, wie en wat hij is voor God. Thans kon God hem zegenen, en dat heeft Hij gedaan meer dan in het begin. Ziedaar het einde des Heeren. Job heeft in den grootsten nood en in alle beproevingen volhard; God heeft zijn hart doorzocht, en hem daarna rijkelijk gezegend. (vs. 11.)

Jakobus vervolgt nu het onderwerp, dat het eigenlijke doel zijner onderwijzingen is. Hij wil niet, dat de eigen wil werkzaam is, en ook niet, dat het vleesch zich vertoone. Hij dringt er op aan, dat de bewegingen der natuur in toom worden gehouden, en het hart zich niet overgeve aan ongeduld, waartoe onze natuur zoo zeer geneigd is. Als men zweert, dan laat men dit ongeduld des harten werken. (vs. 12.) Men vergeet de heerlijkheid en majesteit van God, als men zijnen Naam bezigt om deze of gene bewering te bevestigen, of aan een gelofte, die zonder eerbied is afgelegd, kracht te verleenen. Evenzeer vergeet men Gods majesteit, als men in plaats van God een schepsel stelt, 't welk men met het gezag en de macht bekleedt, welke Gode alleen toekomen. De grond van zulk een handeling is de wil, die niet onderworpen, en de hartstocht, die niet in toom gehouden is. In het gevoel van zijn onvermogen om zijne gedachten en woorden te bevestigen, roept de mensch God in zonder eerbied, gelijk een heiden zijne goden tot getuige roept. Er is hier geen spraak van de begeerlijkheid, maar van het ongeduld van het onbeteugelde vleesch. (Zie Kol. III : 8.) Het is gebrek aan eerbied het is de aanmatiging en onafhankelijkheid van den menschelijken geest, ten top gestegen. Daarom zegt Jakobus: "Vˇˇr alle dingen, mijne broeders! zweert niet . . . . ." Rustig en gelaten moeten wij hetgeen wij te zeggen hebben met ja en neen bevestigen; rustig in de vreeze Gods. Het is van het grootste belang, dat wij de bewegingen der natuur in toom houden. Tegenover een mensch, wien wij welgevallig mochten zijn, zouden wij zulks stellig doen. Welnu God is altijd tegenwoordig; en als wij derhalve deze rust en gelatenheid niet bezitten, dan bewijzen wij daardoor, dat wij zijne tegenwoordigheid hebben vergeten.

Jakobus tracht nu verder de ziel van de gewoonten der wereld vrij te maken. (vs. 13.) De menschen trachten zich zelven te misleiden doordien zij de treurige gedachten, de moeiten en zorgen waaraan zij niet ontvluchten kunnen, en waardoor God in zijne genade een hulp en een toevluchtsoord voor het hart bereidt, zoeken te vergeten. De Heer wil niet, dat wij gevoelloos zijn voor de zorgen des levens. Hij zendt ze tot ons bestwil. Er valt geen musch van het dak zonder den wil van onzen Vader - niet alleen zonder den wil van God, maar zonder den wil van dien God, die ons als een teedere Vader liefheeft, die ons wel kastijdt, maar toch altijd aan ons denkt. Hij kastijdt ons om ons te heiligen, en om ons nader tot Zich te brengen." Als men in het lijden tot God de toevlucht neemt, dan is de wil onderworpen, en het hart wordt getroost en bemoedigd. God zelf openbaart zich dan aan de ziel, en werkt door zijne genade; en in het bewustzijn zijner tegenwoordigheid zegt men: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest." (Ps. CXIX: 71.) Doch wij zijn niet alleen in Gods nabijheid, maar wij openen ook voor Hem ons hart. God wil zoo gaarne, dat wij dit doen. Hij wil, dat wij Hem vertrouwen, dat wij ons niet alleen aan zijnen wil onderwerpen, maar dat wij Hem ook al onze zorgen meedeelen. "Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles, door gebed en smeeking, met dankzegging, bekend worden bij God; en de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus." (Fil. IV : 6 , 7.) Hier is spraak van zorgen; doch ook in verdrukking vinden wij troost en rust. "Die ons vertroost in al onze verdrukking," zegt Paulus. Hij roept den Vader der barmhartigheden en den God aller vertroosting aan. In den brief aan de FilippiŰrs wordt het hart met vrede vervuld door de vertroostingen, die daarin uitgestort worden. Dit kan door de omstandigheden geschieden, zooals uit 2 Kor. VIII : 6 blijkt. "God, die de nederigen vertroost, heeft ons vertroost door de komst van Titus." Paulus was bedroefd, omdat hij Titus niet gevonden had, dien hij tot de KorinthiŰrs gezonden had. Hij had de deur, die hem in Troas geopend was, verlaten, en zijn hart was zˇˇ bezwaard, dat het hem berouwde zijnen eersten brief aan de KorinthiŰrs geschreven te hebben. In MacedoniŰ gekomen, predikt hij het evangelie, hoewel zijn vleesch geen rust had; want hij zegt: "wij waren in alles verdrukt, van buiten strijd, van binnen vrees." God doet den apostel zijne zwakheid gevoelen; doch het is der moeite waard bedroefd te zijn, als God zelf onze vertrooster is. Titus kwam, en bracht goede tijding van de uitwerking van zijnen eersten brief, zoodat Paulus met blijdschap werd vervuld. Dikwerf verkort God de verdrukking, en vervult het hart met vreugde. Bij elke verdrukking is het gebed onze toevlucht; wij erkennen onze afhankelijkheid, en vertrouwen op de goedheid van God. Het hart wendt zich tot God. Het maakt Hem zijne behoeften en zijnen kommer bekend, en legt dien voor den troon zijner genade neder; en God antwoordt hetzij door verandering der omstandigheden, hetzij door de mededeeling zijner vertroostingen. Dit laatste is het beste van alles. De Heer doet altijd, wat het beste voor ons is, Hij handelt naar zijne volmaakte liefde.

Wanneer de godvreezende ziel onder den invloed der genade staat, dan geeft zij zich ook in voorspoed aan God over; doch als zij bij de oorzaak der vreugde blijft staan, dan is zij in gevaar. Geeft zij zich uitsluitend over aan de vreugde, dan wordt zij ijdel en lichtvaardig; het hart verwijdert zich van God, en de dwaasheid keert daar in. In nood gevoelen wij onze afhankelijkheid van God, terwijl wij in voorspoed gevaar loopen haar te vergeten; en niet zelden eindigt de blijdschap in een val. Komt het niet zoover, dan is nochtans het vleesch werkzaam, en wordt God vergeten. Jakobus dringt er op aan, dat onze blijdschap niet zonder godzaligheid zij. Dit is van groot gewicht voor den Christen. Denkt men in de vreugde aan God, dan drukt zich die vreugde uit in psalmen en dankzeggingen jegens God. God is tegenwoordig in de vreugde en in het geloof. De gemeenschap en de geestelijke kracht worden door het gevoel zijner tegenwoordigheid vermeerderd. Zoo doende is men ijverig in zijn werk; men is verkwikt en gesterkt voor den arbeid in de woestijn, en men heeft een dieper bewustzijn van de waarheid, dat God voor ons is.

Dit brengt Jakobus tot een andere zaak, tot ziekte namelijk, die dikwerf, hoewel niet altijd, een kastijding des Heeren is. Ziekte en dood zijn door de zonde in de wereld gekomen, en zij worden overal onder het menschelijk geslacht gevonden. Doch hoewel zij nu, als 't ware, tot den natuurlijken toestand van den mensch behooren, zoo bedient God zich daarvan, om zijne kinderen te kastijden.

"Het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heer zal hem oprichten, en als hij zonden gedaan heeft, het zal hem vergeven worden." (vs. 15.) De zieke heeft de hand Gods in zijne ziekte erkend, en God antwoordt op het geloof van hem, die tot Hem bidt. Er is tweeŰrlei soort van vergeving. Vooreerst die betrekking heeft op de rechtvaardiging voor de eeuwigheid. (Zie Rom. IV en Hebr. X.) Deze is het deel van allen, die aan de algenoegzaamheid van het bloed van Jezus gelooven. Hunne zonden worden hun niet meer toegerekend. "Die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt." (Rom. VIII : 30.) God heeft op het kruis hunne zonden geoordeeld; Hij heeft ze voor altijd uitgewischt en zal ze niet meer gedenken. Maar bovendien heeft God zijne regeering; het is het bestuur van een Vader, doch van een heiligen Vader, die zijne kinderen te zeer bemint om hun te veroorloven in de zonde te wandelen. Als Elihu in het boek Job zegt, dat God zijne oogen niet afwendt van den rechtvaardige, en hiermede den zegen aanduidt, welke noodwendig uit de gunst Gods voortvloeit, en de uitwerking zijner genade is, dan spreekt hij terstond daarop over de kastijding. Ook hier in Jakobus vooronderstelt de Geest Gods, dat ik mij in zulk een geval bevinden kan, want Hij spreekt van zonden; doch dit is niet altijd zˇˇ. In Job XXXIII lezen wij, dat God spreekt en de kastijding der menschen verzegelt, "opdat Hij den mensch afwende van zijn werk, en van den man de hoovaardij verberge." De Heer voorkomt het kwaad, zooals bij Paulus. (2 Kor. XII.) Hij verootmoedigt den mensch, om hem voor zijne zegeningen geschikt te maken. In elk geval doet Hij voor hen, die Hem liefhebben, alles ten goede medewerken.

Wanneer de wil niet gebroken is, dan weent en mort men, en staat men op tegen God; wanneer de ziel zich echter aan God overgeeft en zijne hand erkent, hetzij in de ellende, die het natuurlijke erfdeel van den zondigen mensch is, (hoewel nooit zonder de hand en den wil van God) hetzij in een bepaalde kastijding, hetzij in iets, waarvan oorzaak en doel ons verborgen is, zoo wendt hij zich tot God, en ziet in de moeielijke omstandigheden de werking van zijnen wil, en zoekt bij zijne genade hulp en troost als een, die Hem onderworpen en van zijne macht en zijnen wil afhankelijk is. Het geloof der ware Christenen alleen kan het antwoord en den zegen van Boven doen afdalen.

Jakobus spreekt hier niet meer van de synagoge, gelijk in hoofdst. II : 2, maar van de gemeente. Om gezegend te worden is het ware geloof een vereischte; en God heeft, de zegeningen aan de gemeente der ware geloovigen verbonden; men is daar, door het geloof, onder zijn bestuur en tucht. Wanneer de zonde zich openlijk vertoont, zoodat men van iemand, die een broeder genoemd wordt, moet zeggen : "hij is een booze," dan is het de plicht der gemeente, hem uit te sluiten. De zonden zijn dan op den uitgeslotene gebonden; verootmoedigt hij zich, en belijdt hij zijne zonde met oprecht berouw, dan moet de gemeente, hem weer opnemen. (2 Kor. II.) Dan vindt degene, die gezondigd heeft, in den weg van Gods regeering vergeving (2 Kor. II : 7 , 8.); de banden zijn losgemaakt. En dit geldt daar, waar twee of drie in den naam van Christus, in de eenheid en kracht des Heiligen Geestes, vergaderd zijn ; (Matth. XVIII.) want alleen door den Geest kan deze tucht in waarheid worden uitgeoefend. Ook is het noodzakelijk, dat de gemeente zulks doet, niet alleen, omdat haar de belofte toekomt, maar ook opdat zij haarzelve reinige. Aan haar is de vermaning in 2 Kor. II gericht.

Jakobus evenwel spreekt niet van zonden, waarover de gemeente tucht moet uitoefenen, maar over de wegen Gods in de gewone omstandigheden des levens, en in 't bijzonder over de kastijding van God. Als een geloovige de hand Gods erkent, en 't geen hem treft niet als toeval beschouwt, dan zoekt hij de tusschenkomst van God in genade. De gemeente nu is de plaats, waaraan God zijnen naam en zijnen zegen verbonden heeft; zij is de door Hem gestelde uitdeelster zijner genade. Christus is aldaar; en toen de gemeente nog in den normalen toestand verkeerde, liet de zieke de oudsten, die over haar waakten, roepen, om de genade en den zegen Gods te genieten. Nochtans was het 't persoonlijke geloof, 't welk door het gebed den bijzonderen zegen des hemels vermenigvuldigde - "het gebed des geloofs," gelijk er staat. De oudsten waren alleen een teeken van deze bijzondere tusschenkomst van God, zooals wij uit Mark. VI : 13 zien kunnen. Daar geschiedden wonderen door hen, die Jezus tot dit doel uitgezonden en met kracht toegerust had; hier wordt de zegen Gods in het midden der gemeente door de oudsten dier gemeente meegedeeld onder voorwaarde, dat er geloof was. Deze normale toestand bestaat niet meer; nochtans vergeet Christus zijne gemeente niet. De belofte voor twee of drie, die in zijnen naam en op grond van de eenheid der zijnen vergaderd zijn, blijft steeds bestaan; en als zij, die nu waken, geloof hebben, dan zal ook thans het antwoord van God niet uitblijven. Men kan niet verwachten, dat de zegeningen den gewonen loop hebben, als de kanalen verstopt en in verval zijn. De zaak blijft nochtans dezelfde, en de macht van God is onveranderlijk. Hoe heerlijk is het, dit te weten! Toen de Heer de discipelen om hun ongeloof bestrafte, voegde Hij er onmiddellijk bij: "Brengt hem tot mij;" en de knaap werd gezond. (Mark. IX : 19.) Jakobus wijst daarom op Elia, die een mensch was van gelijke bewegingen als wij; en als antwoord op zijn gebed regende het drie jaren en zes maanden niet. De uitwendige orde der gemeente is, gelijk ik reeds zeide, verloren gegaan; doch de macht, de liefde en de getrouwheid des Heeren blijven onveranderlijk dezelfde. Hij doet ons gevoelen, dat het vanwege de zonde der gemeente niet meer is, gelijk in den beginne; doch desniettegenstaande blijft het waar, dat daar, waar God geloof schenkt, het antwoord van zijne zijde nooit zal uitblijven. Het is waarlijk geen vroomheid, als men niet gevoelt, hoeveel de gemeente sedert de dagen der apostelen door hare ontrouw verloren heeft; maar het is evenmin vroomheid, indien men aan de macht van Christus twijfelt, als God het geloof schenkt om zich van die macht te bedienen.

Jakobus zegt: "De zonden zullen hem vergeven worden." Als de kranke broeder tot zichzelven inkeert en de hand van God erkent, dan zullen hem de zonden - als deze namelijk de kastijding van God veroorzaakt, en de genezing van den kranke verhinderd hebben - vergeven worden. De tucht van God toont zich door de kastijding, d.i. door de ziekte; zoodra deze verwijderd is, dan is de tucht ten einde en de zonden zijn vergeven.

Wij vinden hier evenwel nog een onderwijzing, die een wijdere strekking heeft, welke evenwel van den toestand der gemeente afhankelijk is. Wij hebben gezien, dat in den tijd, toen alles nog in orde was, de zieke de oudsten der gemeente moest laten roepen. Dit kan ook nu nog geschieden, wanneer men dezulken roept, die door hunne dienst oudsten zijn. Welke nu evenwel ook de toestand van verval moge zijn, waarin de gemeente Gods zich bevindt, zoo kunnen wij altijd elkander de misdaden belijden en voor elkander bidden, opdat de zieken gezond worden. Hiertoe zijn geen ambten noodig, doch wel moet daartoe ootmoed, vertrouwen en liefde voorhanden zijn. Wij kunnen onze misdaden niet belijden, als wij geen vertrouwen hebben in de liefde van den broeder. Wij mogen een wijzen en vertrouwden broeder uitkiezen, in plaats van alles aan een onvoorzichtigen en praatzieken mede te deelen. Doch hoe dit ook zij, voor de gezindheid van den schuldige heeft deze keuze niets te beteekenen. Indien men het kwaad niet verbergt, maar zijn hart opent, dan bevrijdt men zijn bezoedeld geweten, en misschien ook zijn krank lichaam. De waarheid breekt zich baan in het hart, en de schuldige zoekt niet een goeden naam, maar een voor God oprecht geweten. God vindt zijne vreugde er in, het geweten te bevrijden, en indien zulks noodig is het lichaam van de ziekte. Het hart wordt gelukkig in het bewustzijn zijner gunst. Een rein en oprecht geweten is een bron van goddelijke vreugde.

Het is van gewicht steeds te bedenken, dat er een regeering van God ten aanzien van zijne kinderen bestaat. Er is daarbij geen spraak van de rechtvaardiging of de vergeving der zonden door het bloed van Christus. Deze regeering vooronderstelt integendeel, dat wij in Gods oogen rechtvaardig zijn. (Job. XXXVI.) Als de zoodanigen heeft ons de Heer onder zijn opzicht. Wandelen wij goed, dan zegent Hij ons, dan laat Hij ons zijne gunst ondervinden, en kunnen wij Hemzelven genieten. Wandelen wij daarentegen niet goed, dan vermaant Hij ons, en indien wij geen acht geven op zijne stem, dan kastijdt Hij ons, om onze ziel uit den slaap op te wekken. Zijne goedheid, zijn bewonderenswaardig geduld, zijne liefde tot ons verminderen nooit.

Jakobus eindigt zijnen brief met een vermaning om ons aan te sporen, den zegen van anderen te zoeken. Wie een zondaar van de dwaling zijns wegs terugbrengt, is niet slechts het werktuig tot redding van die ziel, maar bedekt een menigte van zonden. Dat de ziel van een onbekeerd mensch van den dood wordt gered, is gemakkelijk te begrijpen. Betreft het een Christen, die slecht wandelt, dan wordt hij op den weg des verderfs tegengehouden. Het tweede punt: "hij zal een menigte van zonden bedekken", behoeft nog eenige verklaring. De zonde is afschuwelijk in de oogen Gods. Hij ziet alles. Denken wij aan den toestand der wereld, dan gevoelen wij, hoe aanbiddelijk zijn geduld is. Bij de bekeering van een zondaar worden al zijne zonden voor Gods aangezicht weggedaan. God ziet ze niet meer. Zij zijn als 't ware in de diepte der zee geworpen, gelijk geschreven staat. (Micha VII : 19.) Zij zijn voor altijd uitgedelgd, en in dezen zin moet men de woorden verstaan: "De liefde zal een menigte van zonden bedekken." (1 Petr. IV : 8.) Zij zijn niet meer voor Gods aangezicht als een hem beleedigend voorwerp. Vergeven wij de misdaden van een broeder niet, dan blijft de vijandschap als een ongeneeslijke wond in het lichaam der geloovigen voor God. Vergeven wij, dan treedt de liefde op den voorgrond, en die liefde is het, welke zijn hart welgevallig is. Als derhalve een zondaar bekeerd of teruggebracht wordt, dan verblijdt zich de liefde Gods daarin, en het beleedigende voorwerp is uit zijne oogen verdwenen.

Wij vinden derhalve in den brief van Jakobus weinig leerstellingen, maar veelmeer den gordel der gerechtigheid, de openbaring van het geloof door de werken en door het christelijk karakter; bovendien is de onderworpenheid aan God en de volharding onder zijne regeering op een voor de Christenen hoogst leerrijke wijze voorgesteld.