Beschouwing over den brief van Jakobus.

HOOFDSTUK IV

 

Nadat Jakobus den Christenen had aanbevolen de gezindheid des vredes te openbaren, zegt hij: "Vanwaar oorlogen, en vanwaar vechterijen onder u?" (vs. 1.) Aan welke klasse van personen denkt hij hier? Niet aan Christenen in de eerste plaats, maar aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn, in wier midden de Christenen zich bevinden. Evenwel konden de Christenen in die oorlogen en vechterijen mede ingewikkeld zijn, zoodat deze vermaning ook tot hen komen kan. Deze vechterijen ontstonden uit wellust. De wil was niet gebroken, de begeerlijkheid kwelde de ziel. De vechtenden verlangden naar hetgeen zij niet bezaten. Daar het geweten, door de begeerlijkheid onderdrukt, zweeg, en de wil aan de begeerlijkheid den vrijen loop liet, werden de hartstochten niet meer in toom gehouden. Men moordde en benijdde, en toch werden de begeerlijkheden niet bevredigd, men vocht en oorloogde, en toch ontving men niets. De afhankelijkheid van God werd vergeten, en de eigen wil werkte. (vs. 2.) Men bad niet tot God, en als men het deed, dan was het alleen met den wensch, om God tot een dienaar zijner eigene begeerlijkheden te maken. Op zulke gebeden geeft God natuurlijk geen antwoord. (vs. 3.) Treurige toestand van den mensch! God was niet alleen vergeten; helaas! het stond nog veel slechter: het hart was de slaaf der wellustigheden en onder het juk der hartstochten gebogen, verre van den vrede en van de rust, oorlog van binnen en openbare zonde naar buiten; zonder God in de wereld, of waar men Hem had gekend, was Hij door het wederspannige hart geheel vergeten geworden.

De vriendschap der wereld is vijandschap tegen God. Een Christen, die zich aan de wereld gelijkvormig maakt, heeft vergeten, dat hij van zijne vorige zonden is gereinigd. Indien hij God vergeet, dan wandelt hij in de wegen der ongeloovigen, en het geweten, door de begeerlijkheid onderdrukt, zwijgt. Als men tot God bidt, dan ontvangt men niets, omdat men tot Hem bidt als een wereldsch mensch, om het begeerde in wellust door te brengen. Wij behoeven niet aan te nemen, dat allen, die Jakobus hier overspeelsters noemt, zulks inderdaad waren. Velen leefden in die zonden in de wereld, en de anderen, zelfs indien zij Christenen waren, wandelden in denzelfden geest van ontrouw jegens God; en daar zij met de wereld in vriendschap leefden, lieten zij aan hunne wellustigheden den vrijen loop. Dat is, voorwaar! niet wat een Christen betaamt; doch wanneer een Christen den weg Gods verlaat, en met de wereld gemeenschap aanknoopt, dan gebeurt het niet zelden, dat hij zich over zijn Christendom schaamt; hij waagt het niet, den naam des Heeren Jezus te belijden. Zijn geweten wordt verhard; en hij is aan de menschen in de wereld gelijk, of soms nog slimmer dan zij, omdat hij door niets wordt tegengehouden. Het is de vreugde des duivels op deze wijze den naam van Christus in hen, die dien naam dragen, te onteeren. In het nu volgende vers vinden wij een hoogst gewichtig beginsel. Het heet daar: "De vriendschap der wereld is vijandschap tegen God. Wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld." Machtig getuigenis, 't welk onzen wandel oordeelt en ons hart doorzoekt! De wereld is met het kwaad vervuld en ligt in den booze; zij heeft haar waar karakter vertoond, toen zij den Zoon van God verwierp en kruisigde. De mensch was reeds zonder wet en onder de wet op de proef gesteld geworden. Toen hij evenwel zonder wet zich als geheel boos had geopenbaard, en toen hij, na de wet ontvangen te hebben, die wet had gebroken, kwam God zelf in genade op deze aarde. Hij werd mensch, om de liefde Gods rechtstreeks tot het hart van den mensch te brengen. Dat was de laatste proef voor het hart des menschen; de Heer kwam niet om den menschen de zonde toe te rekenen, maar om de wereld met God te verzoenen. Doch de wereld wilde Hem niet aannemen; het werd openbaar, dat zij onder de macht van den duivel en van de duisternis was; "zij hebben zoowel gezien als gehaat, beide mij en mijnen Vader." (Joh. XIV : 24.) De wereld blijft altijd hetzelfde. De duivel is haar vorst, en "al wat in de wereld is: de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen, en de grootschheid des levens is niet uit den Vader, maar is uit de wereld." (1 Joh. II : 16.) Het menschelijk hart, het vleesch, is, wat het sedert den val van den mensch altijd geweest is - vijandschap tegen God; en hoewel de menschen den naam van Christus dragen, zoo is de vijandschap der wereld tegen Gods gezag toch altijd hetzelfde gebleven.

Men gevoelt en ziet dagelijks, hoe de naam van Christus in oneer is, hoewel de menschen onderwezen worden om dien naam te eeren. Zoodra de mensch handelen kan, zooals hij wil, wijst hij Christus af, uit vrees van anders in zijne vermaken gestoord te zullen worden. Is hij alleen, dan denkt hij niet aan Hem. Hij wil ook niet, dat men hem spreekt van den Verlosser; hij vindt aan Hem niets aantrekkelijks en begeerlijks. De mensch verlangt zijnen eigenen wil te doen, en houdt er volstrekt niet van, dat de Heer daartusschen komt en hem daarin hindert. Zoo is de mensch. Ver van God, zoekt hij gelukkig te zijn, en zich zijn toestand zoo aangenaam te maken, als maar mogelijk is. Door de komst van Christus is het menschelijk hart openbaar geworden; het is duidelijk gebleken, dat het niet alleen de begeerlijkheden des vleesches najaagt, maar ook in vijandschap tegen God leeft. Hoe groot de goedheid van God ook wezen moge, de mensch wil niet gestoord worden in het genot van de genoegens dezer wereld, noch zich onderwerpen aan het gezag van een ander. Hij wil de wereld voor zichzelven bezitten. Hij spant zich in om haar te gewinnen, en zoekt haar te ontrukken aan de handen van hen, die haar in bezit hebben. De eigen wil en de begeerlijkheid, het eigen-ik regeeren de wereld. Dit is een duidelijk bewijs, dat de vriendschap dezer wereld vijandschap is tegen God. In zooverre het den mensch mogelijk was, heeft hij God uit de wereld verbannen, en dit doet hij nog altijd; hij wil groot zijn en macht hebben. Wij weten, dat de wereld den Zoon van God kruisigde, en niets aantrekkelijks vond aan Hem, in Wien God al zijn welbehagen heeft.

Keeren wij nu tot onze beschouwing terug. In vers 5 lezen wij: "Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs spreekt? De Geest, die in ons woont, begeert hij met benijding?" De natuur der menschen is vervuld met nijd, doch wij vinden hier het middel aangegeven om haar te overwinnen. "Hij geeft grootere genade. Daarom zegt hij: "God wederstaat de hoogmoedigen, maar den nederigen geeft Hij genade." (vs. 6.) Ziedaar het ware geheim der kracht en der overwinning, ja, van den vrede des harten te midden van alle moeielijkheden en rampen des levens. Jakobus vermaant gedurig tot ootmoed, en dringt er telkens op aan, dat de wil des menschen gebroken en de mensch aan God onderworpen zij. Want God weet heel goed hem te verootmoedigen, die, niettegenstaande God hem tegenkomt, zijnen eigen wil tracht door te zetten. De ware ootmoed bestaat in gehoorzaamheid en in het niet-hebben van een eigen wil. Daarheen wordt de mensch gebracht door Gods goedheid en genade. Het vertrouwen op God maakt, dat de ziel zich aan God onderwerpt. Alleen de ootmoedige mensch is gelukkig; hij geniet het bewijstzijn van de liefde Gods, welke op hem rust. Voorzeker, Gods wil is ons niet altijd aangenaam, en is niet altijd in overeenstemming met onze wenschen; doch het betaamt een schepsel, zich altijd te onderwerpen. God alleen is wijs, en Hij doet voor hen, die Hem lief hebben, alle dingen ten goede medewerken. Bovendien zijne wegen zijn altijd het uitvloeisel zijner genade jegens ons, zoodat onze wijsheid daarin bestaat, dat wij ons aan zijnen wil onderwerpen. Deze onderwerping is plicht en noodzakelijkheid, doch wanneer er vertrouwen op God in ons is, dan geschiedt zij met een gewillig hart. Ziedaar onze ware verhouding tot God, waarin onze ziel zich gelukkig gevoelt. Als God, die ons lief heeft, in alle dingen een wil voor ons heeft, dan behoeven wij er geen te hebben. Wij moeten ons Hem toevertrouwen. Welk een genade, dat de almachtige God in alle omstandigheden onzes levens steeds aan ons denkt!

De duivel is onze vijand; hij zoekt ons te misleiden ; hij spant ons strikken, en zoekt door middel van onze hartstochten op ons te werken. Hij kan zelfs vervolgingen doen ontstaan, om ons op den weg der verheerlijking Gods tegen te houden. Doch in het dagelijksch leven misleidt hij ons door de dingen des vleesches. Worden wij vervolgd, zoo is dat een eer voor ons. "Het is u uit genade gegeven," zegt Paulus, "ten aanzien van Christus, niet alleen in hem te gelooven, maar ook voor hem te lijden." (Fil. I : 29.) Nochtans is het gevaar steeds aanwezig om door den duivel misleid te worden; wij zijn steeds door zijne listen en bedriegerijen omgeven. Het is hoogst belangrijk om deze listen des satans wel te onderscheiden. Al zijne omleidingen hebben het doel ons ongehoorzaam te doen zijn. Het kan soms zijn, dat het kwaad niet in het oog valt. Toen de duivel den Heer uitnoodigde om van steenen brood te maken, trad het kwaad in het geheel niet te voorschijn. Te eten, als men honger heeft, is op zichzelf geen kwaad ; maar het zou geen gehoorzaamheid zijn geweest. De pogingen van den duivel bleven zonder gevolg. Wij moeten alles, zelfs eten en drinken, doen in den naam van Christus, God daarvoor dankzeggende. Indien wij aldus de tegenwoordigheid van God verwezenlijken, dan is alles heilig voor ons. De duivel kan zich niet verbergen, wanneer hij zich tegen de gehoorzaamheid stelt; en hij gaat heen, daar hij weet, dat hij dien ontmoet die hem heeft overwonnen - Christus in ons. Het woord Gods is voldoende om te wandelen op een weg, waar de duivel machteloos is, en waar hij gedwongen wordt ons te laten gaan. Dit zien wij bij den Heer. Hij haalde het woord Gods aan, en de duivel zweeg; doch beproefde daarna den Heer op een andere wijze te misleiden. Hij vertoonde zich niet in zijne ware gedaante; doch de volmaakte gehoorzaamheid van Jezus maakte zijne listen krachteloos. Toen evenwel de duivel zich vertoonde, zooals hij was, en Jezus de heerlijkheid dezer wereld aanbood, zond de Heer hem weg, en hij ging.

Het pad van den Heer is het onze; zijne kracht is de onze; en indien wij met Hem in gehoorzaamheid wandelen, dan zal ook zijne wijsheid de onze zijn. Hij heeft den verzoeker reeds overwonnen. De eenige veiligheid voor ons ligt daarin, dat wij ons dicht genoeg bij hem houden om de listen des duivels te kunnen onderscheiden. Wij moeten daartoe de geheele wapenrusting Gods aandoen. Is de tegenwoordigheid Gods in ons verwezenlijkt, wordt ons hart door den Heiligen Geest geleid en bestuurd, is het gevoel onzer afhankelijkheid levendig in ons, dan zal men erkennen, dat de voorspiegelingen des satans niet van God zijn, en de wil van den nieuwen mensch zal daaraan geen gehoor geven. Zoodra het ons duidelijk is, dat de verzoeking van den duivel komt, dan wederstaan wij die, en hij heeft geen kracht, Jezus heeft hem voor ons overwonnen. In dit hoofdstuk lezen wij, dat de duivel van ons vliedt, als wij hem wederstaan. (vs. 7.) Hij bemerkt, dat de Geest van Christus in ons is, en hij gaat op de vlucht. Onze fout is, dat wij hem niet wederstaan. Wij laten ons met zijne verzoekingen in, omdat de wil van God niet alles voor ons is, en wij nog gaarne onzen eigen wil zouden doen. Kennen wij de genade, dan bewaart ons de gehoorzaamheid en de onafhankelijkheid voor de listen des satans. Wederstaan wij hem in het geloof, dan is hij zonder kracht; hij wordt dan als satan, als de verleider openbaar, gelijk zulks bij den Heer het geval was, toen Hij verzocht werd. Hij weet, dat degene, dien hij in ons vindt, dezelfde is, voor wien hij eenmaal op de vlucht ging.

Oneindige troost! Onuitsprekelijke zegen! Indien wij ons zwak gevoelen en Christus onze sterkte is, dan overwinnen wij al onze vijanden, en God geeft ons zooveel genade, als wij behoeven. Hoewel het hier eigenlijk niet de plaats is om over de wapenrusting Gods te spreken, zoo wil ik er toch een oogenblik bij stilstaan. In Efeze VI : 10-18 heeft alles tot aan "het zwaard des Geestes" in vs. 17 betrekking op den toestand der ziel. Vooreerst is er spraak van de werking der waarheid, om de ziel in de ware gesteldheid te houden, zoodat de genegenheden goddelijk zijn, en het geweten, overeenkomstig Gods wil, zijne kracht behoudt. Daarna worden wij vermaand het "borstwapen" der practische gerechtigheid aan te doen, en de voeten geschoeid te hebben met "de toebereiding van het evangelie des vredes", daar wij in ons gedrag den stempel van den vrede, dien wij in Christus genieten, vertoonen. Dan volgt het "schild des geloofs," het vertrouwen op God, 't welk verhindert, dat de influisteringen van den booze ons bereiken. De "vurige pijlen van den booze" kunnen ons onmogelijk wonden. Twijfelingen en kwade gedachten ten aanzien van God zullen geen ingang vinden in ons hart. Wij hebben dan den "helm" - de zekerheid des heils, die ons in staat stelt om in onzen strijd met den vijand het hoofd omhoog te heffen. Zoo doende kunnen wij het "zwaard des Geestes" opnemen, en ons daarvan in den strijd bedienen. Op deze wijze door de wapenrusting tegen de aanvallen des vijands beveiligd, zijn wij bekwaam in de dienst des Heeren werkzaam te zijn en zijn Woord te gebruiken en toe te passen. Evenwel zijn wij steeds van zijne hulp afhankelijk; en deze afhankelijkheid openbaart zich in gebed en smeeking. Laten wij daarom den duivel wederstaan, en hij zal van ons vlieden. (vs. 8.) Laten wij tot God naderen, en Hij zal tot ons naderen. Hier vertoont zich de werkzaamheid des harten in afhankelijkheid. Wij kunnen deze afhankelijkheid van God langzamerhand leeren; nochtans houdt het gevaar van in onafhankelijkheid te wandelen nooit op. Daarom wil God, dat wij de noodzakelijkheid inzien van Hem te zoeken. Hij wenscht, dat ons hart daarmede bezig is. De afhankelijkheid van God en het vertrouwen op Hem bewijzen zich daarin, dat wij tot Hem naderen. Zij vormen den band tusschen het hart en God; en Hij verzuimt nooit ons te antwoorden. Het vertrouwen neemt toe; men leert gedurig meer die afhankelijkheid waardeeren, welke de volmaakte liefde Gods kent, en de heerlijke waarheid verstaat, dat Hij zijne oogen van den rechtvaardige niet afwendt, en in zijne oneindige en nederbuigende goedheid met alle omstandigheden onzes levens, met ons persoonlijk karakter en met onze moeielijkheden zich bezighoudt, en dat Hij het niet beneden zich acht, om aan ons, nietige schepselen, te denken, en zich met alles, wat ons betreft, te bemoeien. Hij kan ons soms op een antwoord laten wachten om ons geloof te sterken, doch zijn antwoord blijft nooit uit. DaniŽl moest drie weken wachten, doch het antwoord kwam, en zijn hart werd bevredigd door de mededeeling van de volmaakte goedheid van God ten opzichte van zijn volk en door de belofte van de komst van Christus. God nadert tot ons. Welk een oneindige, onuitsprekelijke genade! Het hart aanbidt en verdiept zich in de liefde Gods.

Maar, Gode zij dank! wij ook mogen Hem naderen. Zijn troon is voor ons een troon der genade. Krachtens zijne liefde mogen wij zonder vrees voor zijn aangezicht verschijnen, en kunnen wij door het kostbare bloed van Christus in het heiligdom ingaan. In zijne tegenwoordigheid leeren wij de heiligheid kennen, en onderscheiden wij zijnen wil. In deze reine atmosfeer ziet ons oog helder en de onderworpenheid is in het hart. "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die hem vreezen." (Ps. XXV : 14.) Wij wandelen met God als dezulken, die door Hem onderwezen zijn, en ons geheele lichaam is licht. Bovendien is Hij met ons, en Hij boezemt ons vertrouwen in. "Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" Niet alleen is de kracht van God met ons, maar zijne tegenwoordigheid werkt vrijmoedigheid en vertrouwen in ons hart, aangezien wij gevoelen, daar Hij met ons is, dat wij zijnen wil kennen. Het bewustzijn zijner tegenwoordigheid schenkt ons in het aangezicht van den vijand vreugde, rust en moed; en te midden van de moeielijkheden van den weg steunt men op Hem: "Gij verbergt hen in het verborgene uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut om den twist der tongen," (Ps. XXXI : 20.) Is de tegenwoordigheid Gods een wezenlijke zaak voor het hart, dan is het geweten wakker, en het hart is vervuld met vast vertrouwen.

"Nadert tot God." Om dit te kunnen doen, moeten de handen gereinigd en de harten gezuiverd zijn, opdat men in geen enkel opzicht dubbelhartig zij. God is licht ; Hij wil reinheid en zuiverheid in het binnenste. Vol nederbuigende goedheid jegens ons, is Hij bereid den zwakke te helpen, doch Hij sluit zijne ooren voor de dubbelhartigen. Hij wil, dat de wandel van hen, die tot Hem naderen, rein zij, en hun hart oprecht. Zou het anders kunnen? God blijft verre van hen, wier hart in zijne tegenwoordigheid niet oprecht is. Hij wendt zich af van een mensch, bij wien gerechtigheid en oprechtheid ontbreekt, en wiens hart tusschen Hem en de wereld verdeeld is. Hij ziet alles, en Hij wil een oprecht hart, dat bereid is naar Hem te luisteren. Daarom roept Jakobus, terwijl hij aan de ijdele vreugde dezer wereld denkt, welke tot het eeuwig verderf leidt, allen, die ooren hebben om te hooren, toe, dat zij jammeren en treuren en weenen mochten, en dat hun lachen mocht veranderd worden in treuren, en hunne blijdschap in verslagenheid. (vs. 9.) De ziel, welke met verstand aan anderen denkt en door de liefde bewogen wordt, welke den Geest en dientengevolge de gevoelens van Christus deelachtig is, zal de zedelijke ellende rondom haar heen diep gevoelen; zij zal zich in Christus verblijden, maar treuren over den toestand van de lieden der wereld.

De zonde heeft de wereld ongelukkig en ellendig gemaakt, en de grootste ellende, welke men overal ontmoet, is het door de zonde ontstane lijden. Nochtans zal het hart te midden daarvan de goedheid Gods ondervinden, het zal zich verheugen in het eeuwige heil en in de goedheid, welke dat heil aangebracht heeft, en tevens in de dagelijksche ondervinding dezer goedheid. Doch dit is niet de ijdele vreugde der wereld, die de leegte in het hart zoekt te verbergen, of door lachen het gevoel der ellende zoekt te onderdrukken. Is de mensch der wereld alleen, dan voelt hij dikwerf de leegte en de smart; is hij in gezelschap, dan lacht hij om die te vergeten; hij wil voor anderen niet weten, dat zijn hart leeg en ongelukkig is; en daarom houdt hij zich, alsof hij gelukkig ware. In de wereld kan men niet oprecht en waar tegenover elkander zijn. Het lijden en de smarten zijn echter maar al te waar. De Heer kon weenen, maar niet lachen. De liefde en de christelijke gezindheid volgen zijn voorbeeld. Zij doen dit van harte en in overeenstemming met zijne gezindheid. Jakobus wil, dat de wereldsche vreugde zich verandere in christelijke gevoelens, in gevoelens der verstandige liefde. In het vijfde hoofdstuk zien wij, dat het oordeel gereed stond over het joodsche volk en over de geheele wereld te komen, en dat derhalve de ijdele vreugde der wereld een einde zou nemen.

Verder vermaant Jakobus tot vernedering voor den Heer, opdat Hij ons verhooge. (vs. 10.) "Wie zichzelven vernedert zal verhoogd worden," Dat heeft Christus gedaan (Fil. II.), en dat heeft Christus gezegd. (Luk. XIV : 11.) "God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade." (1 Petr. V : 5.) Den mensch betaamt de ootmoed; zij betaamt hem in zijne kleinheid voor God, in het bewustzijn van de grootheid der goddelijke genade en van alles, wat de mensch nu in zichzelven is. Zelfs de oneindige heerlijkheid, welke de geloovige verwacht, is hem een oorzaak van ootmoed, als hij er aan denkt, hoe onwaardig hij haar is. Hij weet, dat hij in de dingen Gods niets zonder Hem begrijpen of doen kan.

Jakobus houdt zich hier met den hoogmoed en de trotschheid van den geest dezer wereld bezig; beiden bevinden zich ook nog in den Christen, en daarom verlangt hij niet alleen nederigheid, maar vernedering. Hij had een diep gevoel van de dwaasheid der menschen en vooral der Christenen, die naar den geest dezer wereld wandelden, aangezien zij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar het hart en naar hunne gewoonten met hen verbonden waren. Zulk een wandel betaamt den Christen niet. De vreeze Gods, het feit, dat de wereld den Heer gekruisigd heeft, geeft den Christen het voorgevoel van het oordeel, 't welk haar wacht, al weet hij ook niet het oogenblik waarop het komen zal. Het is evenwel nog veel beter, als zijn hart en zijne genegenheden aangetrokken worden door den verheerlijkten Heer, door de Morgenster, en door alles wat in den hemel is. Wanneer echter een Christen met de wereld wandelt, dan is het noodzakelijk met hem te spreken over het einde dezer wereld en over het toekomend oordeel Gods, en hem de stem en de bedreigingen van God te doen hooren, die verkondigen, dat "de dag des Heeren zal komen, gelijk een dief in den nacht." Luistert hij hiernaar, dan zal de Heer hem oprichten en zegenen. Wie zal den dag zijner komst kunnen verdragen, wanneer Hij komen zal om te oordeelen hen, die niet wilden luisteren? Voor den Christen is de komst des Heeren heel wat anders. De Heer zelf zegt ons, dat Hij zal komen om ons tot zich op te nemen, ons te verhoogen en in het huis des Vaders binnen te leiden, waarheen Hij gegaan is om ons daar een eeuwige woning te bereiden.

Is men nederig, dan behoeft men zich niet te vernederen. Evenwel de geest des menschen verheft zich zoo licht, zoodat het noodig voor ons is om ons te vernederen en de tegenwoordigheid Gods te verwezenlijken. In zijne tegenwoordigheid zullen wij altijd nederig zijn. Wij hebben dan het bewustzijn onzer geringheid, en zullen aan God en niet aan onszelven denken. De hoogmoedigen te verheffen is niets anders dan den hoogmoed voeden, en dit betaamt evenmin den zondigen als den godvreezenden mensch. Daarom kunnen godzaligheid en hoogmoed niet te zamen gaan. God heeft er een welgevallen in de nederigen te verhoogen, en daar deze verhooging van God komt, zoo is zij een bron van dankbaarheid en vreugde, en niet van hoogmoed. Men staat voor God in het gevoel zijner goedheid. Merken wij op, dat er staat: "Vernedert u voor den Heer," en niet "voor de menschen." Het moet een wezenlijk werk in onze ziel zijn, waardoor de goede meening, die wij van onszelven hebben, te niet gedaan, en de tegenwoordigheid Gods verwezenlijkt wordt. De grootheid van God geeft Hem zijne ware plaats in ons hart, en wijst ons onze plaats aan. Is dit aldus bij ons, dan is alles waarachtig in ons, en wij kunnen overeenkomstig de waarheid wandelen.

"Spreekt geen kwaad van elkander, broeders!" zoo gaat Jakobus voort. Ziedaar een voorschrift, 't welk vele tongen tot zwijgen zou brengen, indien zij gehoorzaam waren. Ach hoeveel kwaad zou daardoor voorkomen worden! De liefde spreekt geen kwaad; doch de tong is, zooals wij vroeger gezien hebben, een groot kwaad, vol doodelijk venijn, een klein vuur, dat een groot bosch aansteekt. Doch wat meer zegt, "die van een broeder kwaad spreekt of zijnen broeder oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet;" (vs. 11.) want de wet wil, dat een broeder het voorwerp onzer liefde en genegenheid zij, en niet, dat hij vervolgd, kwalijk bejegend, of in de oogen van anderen verachtelijk gemaakt wordt. Als dit geschiedt, dan verliezen wij het standpunt uit het oog, waarop de wet den broeder geplaatst heeft, terwijl het onze plicht naar de wet en onze roeping als broeder is, om dat te erkennen. Werpen wij ons op als oordeelaars of wetgevers, dan overtreden wij de wet; wij zijn haar ongehoorzaam, en volgen hare voorschriften niet op, maar stellen ons integendeel boven haar. Doch slechts "Eťn is de Wetgever en Rechter, Hij die behouden en verderven kan." En wie zijn wij, dat wij anderen oordeelen? (vs. 12.)

Het slot van ons hoofdstuk houdt zich bezig met het ijdele vertrouwen op de voornemens onzes harten. Het menschelijke, van God vervreemde hart meent zijne schreden zelf te kunnen richten, en zonder aan den wil Gods, ja, zonder aan God zelven te denken, beraamt het zijne plannen. Wat het zich voorneemt, moge op zichzelf niet kwaad zijn, noch het geweten verontrusten, doch God wordt geheel en al vergeten. De mensch handelt zonder God, als ware de aarde hem toevertrouwd, als had God zich teruggetrokken, en als legt zijn wil geen gewicht meer in de schaal. Zulk een mensch leeft, wat de godsdienst, wat de volvoering zijner plichten in de praktische dingen, in het dagelijksch leven betreft, in het atheÔsme (ontkenning van God). God heeft geen plaats in zijne gedachten. Het geld, de eerzucht der wereld, enz., dat zijn de dingen, die zijn hart beheerschen, al leeft hij ook niet in bepaald slechte dingen, Hij gevoelt niet, dat hij Gode toebehoort, dat hij, als hij een Christen is, door het kostbare bloed van Christus is gekocht. Hij maakt zijne plannen naar zijnen eigenen wil, naar zijne eigene wijsheid en naar zijne voordeelen in deze wereld. Dat wij arbeiden om het noodige te verdienen, is in overeenstemming met Gods wil, en wij kunnen daarover zijnen zegen vragen. Doch daarvan is hier geen sprake, maar wel van iemand, die zich aanmatigt om over zijnen tijd te beschikken en zijn levensonderhoud te zoeken, zonder daarbij tot God op te zien of op zijne leiding en besturing te wachten. Hij weet niet, wat de volgende dag zal brengen, hij weet niet, of hij den volgenden dag nog leven zal. "Het is maar een damp, die weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt." (vs. 13 , 14.) Zoo is het menschelijk leven. Het betaamt ons te zeggen: "Indien de Heer wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen." (vs. 15.)

"Al dergelijke roem is boos." Jakobus wederstaat steeds en in alle gevallen den wil des menschen; hij staat er op, dat deze gebroken worde, en dat de mensch de hem betamelijke plaats van gehoorzaamheid en onderwerping inneme. God wil de plaats, die Hem toekomt, innemen. Hij wil, dat de mensch afhankelijk en gehoorzaam zij. Elke handeling en alle aanspraken van den menschelijken wil zijn boos.

Nog een ander gewichtig beginsel vinden wij aan het slot van dit hoofdstuk. Als men weet goed te doen en men doet het niet, dan is het hart boos, of, op zijn zachtst genomen, is de toestand van zulk een mensch slecht. De genade en de liefde ontbreken daar. Het kenmerk van den natuurlijken mensch is zijn eigen voordeel te zoeken, zijnen eigenen wil te doen en zijne eigene wenschen te bevredigen. De vrucht der liefde is: het goede te doen, het heil van anderen te zoeken en hen te dienen. Als de kennis van het goede aanwezig is, en de gelegenheid zich aanbiedt het goede te doen en men die gelegenheid niet gebruikt, zoo is dit een bewijs, dat het hart in een slechten toestand is, want de liefde tot anderen en de wensch om het goede te doen zijn niet aanwezig. Het nalaten van het goede is zonde, en bewijst, dat de genade ontbreekt en de eigenwil werkzaam is.