Psalm LXXXIV.

 

Deze Psalm, dien men beschouwen kan als een lied voor bedevaartgangers naar den tempel, ůf als een lied van een IsraŽliet, die verhinderd was naar den tempel op te gaan, ůf, profetisch, als een lied van IsraŽl zuchtende naar den tempel Sions, ůf als de uitdrukking van het verlangen eener vrome ziel naar de nabijheid des Heeren, handelt hoofdzakelijk over de woningen des Heeren, over hen, die daar verblijven en over hen, die op weg daarheen zijn.

Het is een Psalm voor de kinderen van Korach. Korach was de hoofdaanlegger geweest van den opstand tegen Mozes, tengevolge waarvan hij en de zijnen door de aarde werden verslonden; (Num. XVI: 32,) terwijl Korach's kinderen niet stierven. (Num. XXVII: 11.) Het is dus een Psalm voor begenadigden. Begenadigden alleen kunnen zingen. Eerst toen IsraŽl, uit Egypte verlost, door de Roode Zee gegaan was, en hunne vijanden verdronken waren, zongen zij den lofzang. Zoo ook wij. Door Jezus gered, past het lied der bevrijding op onze lippen.

"Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heer der heirscharen!" De ziel, die van het liefelijke dier woningen kennis heeft, kan niet nalaten daarvan te spreken. Zij gevoelt zich onweerstaanbaar tot die woningen aangetrokken, en verlustigt zich in hare schoonheid en liefelijkheid.

"Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heer der heirscharen!" Het roemen van het liefelijke van Gods woningen als van die van den Heer der heirscharen, doet ons denken aan het vermelde in 2 Sam. VI, waar bij het inhalen van de ark den naam des Heeren der heirscharen werd aangeroepen. Zoo ook doet de benaming van "God van Jakob" ons aan Genesis XXVIII: 17 denken, en die van "schild" aan Genesis XV: 1. Al de benamingen, met welke God hier wordt bestempeld, hechten zich aan Gods tegenwoordigheid. De woningen zijn zoo liefelijk, omdat het de woningen van God zijn. Daarom roept de Psalmist uit:

"Mijne ziel is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God." Hij, die aan het zalige van de woningen des Heeren kennis heeft, verlangt en smacht met hart en ziel naar de voorhoven des Heeren; want daar, bij des Heeren altaren, vindt de musch een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt. Hoe veilig zijn zij, die in het huis des Heeren wonen en die er Hem hun dierbaar kroost toevertrouwen! "Zij prijzen Hem" dan ook "gestadiglijk."

Welgelukzalig hij, die niet in eigen kracht op den weg der onoprechten wandelt, maar wiens sterkte in den Heer

is; welgelukzalig zij, in welker hart de gebaande wegen zijn; die, van harte, den door Jezus gebaanden weg volgen, ja, in Jezus zelven den weg - den eenigen weg gevonden hebben. Want al gaat de weg dan ook door het dal der moerbeziŽnboomen (of tranen), voor hen wordt dat tranendal tot een fontein gemaakt, en uit den hemel zelven zullen hun geestelijke zegeningen geworden. Het leed, de moeite, de zorg en de strijd dezer aarde moet ten goede medewerken; het brengt een vreedzame vrucht der gerechtigheid voort, zoodat men God dankt voor de tranen, die men schreide.

Dientengevolge gaan zij, in plaats van moede en mat te worden, zooals op het gebied der natuur allen en een iegelijk op elken weg en bij elk genot te beurt valt, integendeel van kracht tot kracht voort, en zullen zij een iegelijk voor God in Sion verschijnen.

In vers 3 drukt de Psalmist den wensch en de begeerte uit naar 's Heeren voorhoven, en in vers 9 dringt hij op het hooren en op het ter ooren nemen van die bede aan, terwijl hij in vers 10 God smeekt het aangezicht zijns Gezalfden te aanschouwen. Ja, er is en er blijft er maar ťťn, op wien wij God kunnen wijzen, Dengene namelijk, in wien wij begenadigd zijn. Hij nam onze plaats in aan het kruis en Hij is nu onze vertegenwoordiger bij den God den Vader.

"Eťn dag in Uwe voorhoven is beter dan duizend elders;" ja, het is beter ook maar te staan aan den dorpel van het huis des Heeren, dan te wonen in de tenten der goddeloosheid. Doch dit is geen reden om aan den dorpel te blijven staan; o neen, bij de altaren is het verre weg beter, en in het binnenste heiligdom, waar God woont, is het 't beste van alles; en daar is onze plaats.

"Want God, de Heer, is een zon en schild," die zonder Hem zijn wandelen in de duisternis, brengen onvruchtbare werken voort, (Ef. V: 11.) derven de genezing, die onder zijne vleugelen is, (Mal. IV: 2.) en staan aan alles bloot, daar Hij hen als hun schild niet beschermt. "De Heer zal genade en eere geven." Niet alleen ontfermt zich de vader over den verloren zoon, maar hij valt hem om den hals, laat het beste kleed brengen en hem dat aantrekken; hij doet een ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten, en gaat met hem aanzitten aan den feestdisch. Zoo wordt een iegelijk, die in Jezus gelooft, door God aangenomen; hij wordt rechtvaardig verklaard in en door Christus; hij wordt verzegeld met den Heiligen Geest der belofte, geschoeid met de bereidheid van het evangelie des vredes en tot de innigste gemeenschap met God toegelaten.

"Heer der heirscharen! welgelukzalig is de mensch, die op U vertrouwt," Welgelukzalig is hij, die in Hem gelooft, die Hem niet wantrouwt, zich geheel aan Hem overgeeft, en zich laat drijven op dien oceaan van liefde en genade, waar geen macht ter wereld hem aan het zinken kan brengen.