Beschouwing over den brief van Jakobus.

HOOFDSTUK II

 

In dit hoofdstuk worden zij, die in den Heer Jezus Christus gelooven, duidelijk van de anderen onderscheiden. Wij mogen het geloof van onzen Heer Jezus Christus, den Heer der heerlijkheid, niet hebben met aanneming des persoons. Indien men de armen verachtte, dan handelde men in tegenspraak met de wet, die alle Isralieten als voorwerpen van Gods gunst, het volk als n geheel, en ieder in het bijzonder als lid van n en dezelfde familie beschouwde. Het is tevens geheel in strijd met den geest des Christendoms. Dit toch eischt nederigheid, noemt de armen welgelukzalig, doet ons de ware grootheid in de hemelsche heerlijkheid vinden, en leert ons, dat aan de heerlijkheid daarboven het kruis hierbeneden voorafgaat. Het geloof zag dezen Heer der heerlijkheid in vernedering - Hem, die geen plaats had, waar Hij zijn hoofd kon nederleggen. Bovendien, de rijken bleven over 't algemeen tegenstanders van het Christendom; zij lasterden "den uitnemenden naam," die door de Christenen aangeroepen werd, en trokken hen voor de rechtbanken. God heeft de armen naar de wereld uitverkoren, om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem lief hebben. Hetzelfde wordt door Paulus geleerd: "Niet vele wijzen naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen." (1 Kor. I:26.) Deze dingen - wijsheid, macht en adel - zijn de ketenen, welke de ziel aan deze wereld binden. Wel kan de genade deze ketenen verbreken, doch het gebeurt niet dikwijls. "Het is lichter, dat een kemel ga door het oog eener naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods." (Matth. XIX: 24.) Die banden zijn o zoo sterk, hoewel bij God alle dingen mogelijk zijn.

Jakobus stelt ons het onderscheid voor tusschen de heerlijkheid des Heeren en de valsche heerlijkheid van den mensch in deze wereld; "want de gedaante dezer wereld gaat voorbij." (1 Kor. VII: 31.) Evenals Petrus legt hij grooten nadruk op dit punt. Indien er in de vergadering onderscheid gemaakt wordt tusschen armen en rijken, dan is men een rechter geworden met booze overleggingen. (vs. 4.) Laat ons God danken, dat wij ten minste in de vergadering met elkander voor den hemel en in de hemelsche dingen leven kunnen, omdat daar het eenige onderscheid bestaat in de mate der geestelijke gezindheid of der geestelijke gaven, en niet in de ijdelheid dezer wereld. Belangrijk is het op te merken, dat de vergadering hier synagoge genoemd wordt, waaruit blijkt, hoezeer de gedachten van Jakobus zich in de joodsche gewoonten bewogen. (vs. 1-7.)

Naar aanleiding van dit onderscheid, 't welk gemaakt wordt tusschen armen en rijken, spreekt Jakobus van de wet. Indien men toch den persoon aanneemt, dan doet men zonde, en wordt men door de wet overtuigd als overtreder. Over drierlei wet spreekt Jakobus: over de wet der vrijheid, waarover wij reeds gehandeld hebben, over de koninklijke wet en over de wet in de gewone beteekenis. De koninklijke wet is: "Gij zult uwen naasten liefhebben als uzelven." Die haar volbrengt, doet wl. Hieraan wordt evenwel een zeer gewichtig beginsel toegevoegd: indien wij namelijk de geheele wet houden, maar in n gebod struikelen, dan zijn wij schuldig geworden aan alle. De reden hiervan is heel eenvoudig. Als wij door de begeerlijkheid worden verlokt, dan hebben wij de wet overtreden, en wij hebben het gezag van Hem met voeten getreden, die de wet gegeven heeft. Wel kunnen wij niet aannemen, dat wij door de overtreding van n gebod elk ander gebod overtreden hebben, doch God heeft zoowel dit ne gebod als alle andere geboden gegeven; en als het vleesch en de met het vleesch verbonden lust werkzaam is, dan hebben wij aan onzen wil toegegeven en den wil van God veracht. Zijne wet is dan gebroken. (vs. 8-11.) Het Christendom wil, dat wij spreken en handelen als dezulken, die van de macht der zonde zijn vrijgemaakt, om in alles den wil van God te doen. Gods wil moet onze wil zijn. Hij heeft ons van het juk der dienstbaarheid vrijgemaakt: wij zijn waarlijk vrijgemaakt, om in de voetstappen van Jezus te wandelen. Kostbare en heilige vrijheid! Het is de vrijheid eener natuur, die hare vreugde en haar geluk in den wil van God en in de gehoorzaamheid aan zijne geboden vindt. Derhalve is de Christen altijd vrij, om den wil van God te doen. Hij kan in de kennis van dien wil opwassen en toenemen; doch wat hij van dien wil erkent, kan hij volbrengen, omdat de kracht daartoe in Christus te vinden is. Heeft men zich evenwel door nalatigheid of ontrouw van God verwijderd en zijne geboden overtreden, dan wordt men door de wet der vrijheid geoordeeld. (vs. 12.) En deze gedachte aan het oordeel geeft Jakobus aanleiding om hieraan toe te voegen, hoe noodzakelijk het is om overeenkomstig de genade te wandelen. Wie geen barmhartigheid gedaan heeft, voor dien zal het oordeel zijn zonder barmhartigheid. De Heer Jezus had reeds het groote beginsel uitgesproken, dat de zonden vergeven worden aan hem, die vergevensgezind is. Als de geest der genade niet in ons hart is zoo kunnen wij geen deel hebben aan de genade, die God geopenbaard heeft aan de menschen. Zelfs in de bijzonderheden des levens en naar de regeering Gods zal hij, die niet naar barmhartigheid handelt, strenge bestraffing van 's Heeren kant ondervinden, omdat God zijne vreugde in goedertierenheid en liefde vindt.

Verder spreekt Jakobus uitvoerig over de werken. Dit is een belangrijk gedeelte van zijnen brief; niet omdat het meerdere waarde heeft dan de andere deelen, maar om de vele redeneeringen der menschen over dit onderwerp. Het zoo even genoemde beginsel brengt hem vanzelf tot de werken. De liefde moet zich niet in woorden openbaren, maar in daden vertoonen. Jakobus is steeds praktisch. Hij houdt zich vooral bezig met het kwaad, dat ontstaat door een belijdenis van het Christendom, die zich niet vertoont in een Gode waardigen wandel. Tevens verbindt hij in zijne onderwijzingen de twee beginselen: dat de liefde waarachtig moet zijn, en het geloof zich openbaren moet in werken, die door hetzelve gewrocht zijn. Indien men tot een broeder of zuster, die naakt is, en gebrek heeft aan dagelijksch voedsel, zou zeggen: "Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, en gij geeft hun de nooddruft des lichaams niet, wat baat het? Zoo is ook het geloof, als het geen werken heeft, dood bij zichzelven." (vs. 15-17.) Dit is zeker niet het ware christelijk geloof. Dat geloof toch is een machtig beginsel, en het gevolg van de werking des Heiligen Geestes in de ziel; het is de drijfveer van iedere werkzaamheid des harten - een beginsel, 't welk ons boven de eigenliefde en boven alle lage beweegredenen dezer wereld verheft, en onze genegenheden aan Christus bindt. Christus wordt de ware drijfveer des harten, en daar Hij in ons leeft, is Hij de bron, waaruit onze daden voortvloeien, zoodat wij wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. Ongetwijfeld kunnen wij ons nooit met Hem vergelijken, maar het beginsel van ons leven is hetzelfde, of liever Hij-zelf leeft in ons. Derhalve is het duidelijk, dat het ware geloof door de liefde werkt en de goede werken voortbrengt. Dit kan niet anders zijn.

Wij vinden hier evenwel nog een ander beginsel, t welk in de woorden "toon mij" ligt opgesloten. Het geloof is, natuurlijkerwijze, een verborgen beginsel. Ik kan het geloof niet zien, gelijk ik ook de wortels niet zien kan, die de planten tot groeien en vruchtdragen in staat stellen, daar zij uit den grond hun voedsel trekken, evenals het geloof zulks doet uit Christus. Gelijkerwijs nu een plant zonder wortels geen vrucht kan dragen, zoo kunnen er ook zonder geloof geen goede werken gedaan worden. Er zijn wel uitwendige werken, doch die hebben geen waarde. Men kan veel geven en veel doen, zonder evenwel de ware liefde en het ware geloof te bezitten; doch een leven der liefde, 't welk Christus navolgt, zijnen wil doet en niets anders zoekt, kan niet zonder geloof bestaan. Wie in het geloof roemt, erkent, dat het geloof alleen goed is, en wat goed is te voorschijn roept. Daarom zegt Jakobus: "Toon mij uw geloof zonder de werken." Dit is natuurlijk onmogelijk. Het is duidelijk, dat het geloof f een in het hart verborgen beginsel is, f een bloote belijdenis zonder werkelijkheid. Wij mogen echter in het laatste geval niet altijd huichelarij vooronderstellen; want opvoeding en de invloed van hetgeen ons omgeeft, en de uitwendige beproevingen kunnen het geloof aan het Christendom en aan zijne hoofdwaarheden tot een gewoonte der ziel maken. Bij zulk een geloof is er geen verbinding met Christus en geen bron des eeuwigen levens. Zoo iemand openbaart wel geen positief ongeloof, en eert zelfs den naam van Christus; doch dit geloof werkt niets in de ziel. Christus kan zich dezulken niet toevertrouwen. (Zie Joh. II : 23-25.)

Zoodra het ware geloof - het geloof, 't welk de vrucht is van de genade door de werking des Heiligen Geestes - in het hart is gewerkt, ontstaat er een verlangen naar Christus in de ziel, een behoefte om Hem te bezitten en zijne stem te vernemen. Nicodemus is daarvan een voorbeeld; hij zocht Christus, en, letten wij er wel op, hij gevoelde terstond, dat de wereld tegen Hm was, hij kwam des nachts. Daar nu het geloof zelf zich niet toonen kan, zoo kan degene, die daarin roemt, niets antwoorden, als men tot hem zegt: "Toon mij uw geloof." Wie echter de ware werken der liefde bezit, kan die niet hebben zonder het geloof, zonder dat in het hart wonende, goddelijke werktuig, waardoor een christelijk leven wordt gewerkt: geduld, reinheid en liefde, afzondering van de wereld, in wier midden men leeft. Niemand beweegt zich zonder beweegreden. Het geloof, 't welk waarlijk op Jezus ziet, en alles in Hem vindt, openbaart zich in een leven tot verheerlijking van God; het is het leven des geloofs. Doch het komt er op aan dit geloof te toonen. Aan wien? Aan God? Natuurlijk niet. Het heet: "Toon mij," den mensch, die niet, gelijk God, in het hart kan zien. De geheele bewijsvoering van Jakobus en hare kracht en beteekenis ligt in de woorden: "Toon mij." Hij spreekt derhalve niet van den vrede des gewetens van hen, die gerechtvaardigd zijn door het geloof, omdat de Heer, de dierbare en geliefde Heiland, onze zonden gedragen en zich voor onze overtredingen overgegeven heeft. In dat geval rust het geloof in het werk van Christus, 't welk God als algenoegzaam voor de zonden der geloovigen heeft aangenomen. Dit werk zal nooit zijne waarde verliezen in de oogen Gods, in het heiligdom daarboven, waar Christus is ingegaan met zijn eigen bloed, om daar voor altijd voor ons in de tegenwoordigheid Gods te verschijnen. Hij heeft zijne plaats aan Gods rechterhand ingenomen, omdat aan het kruis, ten opzichte van onze zonden, alles overeenkomstig Gods heerlijkheid volbracht is.

Hier evenwel is spraak van het ijdele en doode geloof, van de belijdenis van Christus' naam, zonder dat Christus woont in het hart. Het geloof toont zich door de werken, door zijne vruchten. Aan de vruchten ziet men, dat de boom leeft, dat er een wortel is, die zijne sappen uit Christus trekt. Door de vruchten, die men draagt, moet men aan de menschen het bewijs leveren van de echtheid der belijdenis. Als wij de ons hier gegeven voorbeelden nauwkeurig gadeslaan, dan is het duidelijk, dat er spraak is van de bewijzen des geloofs en niet van de goede werken in den gewonen zin. De werken, door welke ook de apostel Paulus het geloof in dezelfde personen bewijst, zijn de feiten, dat Abraham bereid was, zijnen eenigen en veelgeliefden zoon op te offeren, toen God zulks van hem eischte, en dat Rachab de verspieders verbergde en in vrede liet gaan. Iets grooters bestaat er niet; want niet alleen was Izak de eenige zoon, maar de vervulling van al Gods beloften hing van hem af, zoodat Abraham een onbepaald vertrouwen op God moest bezitten. (Hebr. XI : 17-19.) Als een menschelijk werk beschouwd, was het zeker niets goeds, zijn zoon te dooden. Zoo was ook Rachab ontrouw aan haar vaderland en een landverraadster, zoodra wij hare daad uit een menschelijk oogpunt beschouwen; doch door het geloof vereenigde zij zich met het volk van God, toen deszelfs vijanden nog in hunne volle kracht waren, en Isral de Jordaan nog niet was overgetrokken, en nog geen enkele overwinning in het land behaald had.

Ziedaar het geloof, 't welk, 't koste wat het wil, op God vertrouwt, en zich met zijn volk vereenigt, als alles tegen dit volk opkomt. Het geloof van Abraham was eenvoudig geloof in God en aan zijn woord; het was een onvoorwaardelijk, niet twijfelend geloof, daar Abraham zijnen geliefden zoon, aan wien al de beloften Gods verbonden waren, opofferde. Zoo was ook Rachab's geloof een eenvoudig geloof in God, 't welk zich, gelijk ik reeds opmerkte, daarin openbaarde, dat zij zich met Gods zaak n maakte op een oogenblik, toen, naar den uitwendigen schijn, alle kracht bij de tegenstanders was, daar God zijne macht nog niet had geopenbaard. Zich een geloovige te noemen, en dan geen vruchten des geloofs voort te brengen, is geen waarachtig geloof.

Wie het woord aanneemt, wordt uit onverderfelijk zaad wedergeboren; hij krijgt deel aan de goddelijke natuur; en gehoorzaamheid, reinheid en liefde worden gewerkt. Voorzeker, wij moeten nog verzoekingen en hinderpalen overwinnen; en wij zijn niet, zooals wij zijn moesten en zijn konden; maar nochtans brengt het leven in meerdere of mindere mate vruchten voort. De Christen moge, soms uit nalatigheid, op zijnen weg ontrouw zijn; doch het geloof brengt steeds zijne eigenaardige vruchten voort; en de Christen weet heel goed, dat een geloof, 't welk niets voortbrengt, geen waarachtig geloof is. Het geloof verwezenlijkt de tegenwoordigheid en de liefde Gods, Dien hij in een nieuwe natuur kent, en het geniet beiden; het weerkaatst, hoewel zwak, het karakter van hetgeen het inwendig geniet. Wij zijn de door het geloof in Christus Jezus uit God geboren zonen. Door het geloof, zelfs als het alleen het menschelijk geloof en niet het beginsel des goddelijken levens in ons is, doen wij alles, wat niet tot het bloot dierlijke behoort. Waarom zaait de landman? Omdat hij gelooft te zullen oogsten. En zoo is het met alle dingen, eten en drinken uitgezonderd. Het is noodzakelijk, dat goddelijke dingen door het goddelijk geloof aan de ziel geopenbaard worden; het is het werk van Gods Geest. Het is het geloof in God, 't welk Gode welgevallig is; en het brengt, daar Hij ons door middel van zijn woord levend gemaakt heeft, vruchten des goddelijken levens voort. Door dit geloof hebben wij gemeenschap met God, met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heer; en Hij schaamt zich niet ons vrienden te noemen, (Joh. XV : 15.) gelijk Abraham de vriend van God genoemd werd. Een vriend ontsluiten wij ons hart; wij spreken hem over alles, waarvan het hart vol is. Toen Abraham de vriend van God genoemd werd, sprak de Heer niet met hem over de hem gegeven beloften, maar deelde Hij hem mede alles, wat Hij van plan was te doen: het oordeel over Sodom en Gomorra. "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen." (Ps. XXV : 14.) Het is treffend en heerlijk de innigheid te aanschouwen, die er tusschen God en ons ontstaat, als wij getrouw met Hem wandelen. (Gen. XVIII : 17-20.)

De geloovige in Sodom werd gered, maar hij verloor alles, en leefde in onzekerheid en ellende; hij vreesde den berg, waarop Abraham zich bevond, toen hij het vreeselijk oordeel over de goddelooze steden zag; want het ongeloof schuwt steeds het standpunt des geloofs. Ten slotte vluchtte hij toch nog naar den berg, waarvoor hij eerst bevreesd was, en leefde daar in ellende en schande. Wij vinden in Abraham het beeld van een geloovige, die door het geloof leeft; en in Lot het beeld van een geloovige, die de schijnbaar zoo schoone wereld voor zich kiest. De laatste oogstte het oordeel, hoewel zijn leven gespaard werd; de eerste, van wien Lot zich verwijderd had, werd door God uitgenoodigd om zijne oogen op te heffen en het land der belofte in zijne geheele uitgestrektheid te overzien, en hem werd de belofte gegeven, dat alles zijn deel zou zijn. Het geloof schenkt ons gemeenschap met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus, de gemeenschap met alles wat ons toebehoort, en de verwezenlijking daarvan; en op die wijze worden de door God gewilde vruchten voortgebracht. God geve ons, dat wij in zijne nabijheid leven, opdat de dingen, die men niet ziet, werken op onze harten; en wij in geduld en vreugde volharden, totdat de Heer komt, en ons daar brengt, waar het geloof niet meer noodig is - in het genot van hetgeen het geloof heeft gehoopt, toen de dingen zelve nog niet te zien waren!

HOOFDSTUK III.

 

Ten opzichte van het spreken vermaant Jakobus tot nederigheid: "Zijt niet vele leermeesters, mijne broeders." (vs. 1.) Wanneer men zichzelven niet kent, dan is het veel gemakkelijker anderen te onderwijzen dan zichzelven te beheerschen. De ootmoed in het hart maakt ons langzaam in het spreken; hij is altijd geneigd te wachten om onderwezen te worden, en anderen hunne, gedachten te laten uitdrukken; wij zullen dan veel meer leeren dan onderwijzen. Met deze vermaning begint Jakobus een ernstige beschouwing over de gevaren van de tong. Geen mensch kan de tong temmen. (vs. 8.) Zij maakt duidelijk openbaar, wat in het hart is: "Uit den overvloed des harten spreekt de mond." Menigeen richt met zijne tong, met harde woorden meer onheil aan, dan met zijne hand. Bovendien worden er vele ijdele en lichtvaardige woorden uitgesproken.

Jakobus dringt er op aan den wil in toom te houden, geen zelfvertrouwen te hebben en de lichtvaardigheid des vleesches door de vreeze Gods te onderdrukken. Vooreerst waarschuwt hij de Christenen, zich niet lichtvaardig op den voorgrond te stellen om te leeren, daar dezulken tezwaarder oordeel zullen ontvangen. (vs. 1.) De liefde dringt ons de broeders te stichten, en de Heilige Geest leidt de ootmoedigen, die hunne gaven besteden. Het kan evenwel zijn, dat een Christen zich gaarne laat hooren, dat hij niet ootmoedig is, maar spreekt, omdat hij vertrouwen op zichzelven heeft. Dit is echter geen liefde, maar veeleer eigenliefde. Bovendien struikelen wij allen menigmaal; (vs. 2.) en indien wij anderen onderwijzen, of ten minste ons aanmatigen zulks te doen, dan hebben wij, dit spreekt vanzelf, een grootere verantwoordelijkheid, en onze struikelingen zijn van meer gewicht. Hoe kunnen wij anderen onderwijzen, als wij zelf niet getrouw wandelen? Dit is niet de vreeze Gods. Is ons geweten niet rein voor God, dan kunnen wij onmogelijk zijne genade en waarheid in zijne kracht verkondigen; want wij verkeeren dan niet in zijne tegenwoordigheid, en Hij is niet met ons. De eerste uitwerking zijner tegenwoordigheid zal steeds zijn, dat ons geweten ontwaakt. Hij, die leert, moet in waren en diepen ootmoed volharden en waken, opdat hij niet struikele.

Deze ootmoedige geest is geen gebrek aan vertrouwen op God, maar staat juist met dit vertrouwen in nauw verband. Wie in dezen geest wandelt, zal zeer zeker niet tot den Heer zeggen: "Ik weet, dat gij een hard mensch zijt." Zelfvertrouwen is daar niet meer voorhanden. De zoodanige spreekt, als het de wil van God is, en hij doet het in de kracht des Geestes. Hij is langzaam tot spreken, en wacht op God om in overeenstemming met Hem te kunnen spreken. Nog andere belangrijke waarheden staan hiermee in verband. Wij struikelen allen menigmaal; wie meent volmaakt te zijn, bedriegt zich. Dit struikelen wil natuurlijk niet zeggen, dat wij grove zonden begaan, maar dat wij dikwerf iets doen of zeggen, wat in Gods oogen verkeerd is. Ons woord is niet altijd in genade, met zout besprengd. Er zijn gebreken bij ons, en wij kunnen ons niet verontschuldigen, omdat de Heer gezegd heeft: "Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht." (2 Kor. XII : 9.) Nochtans struikelen wij, hoe treurig dit ook zijn moge, en wij zijn genoodzaakt dit te bekennen. Indien wij echter met God wandelen, dan zal zijne genade het ons laten gevoelen en doen erkennen; en wij zullen met meer waakzaamheid en nederigheid in Gods nabijheid blijven en vooral in het gevoel van afhankelijkheid van Hem volharden.

Nog een andere waarheid volgt hieruit. Deze vermaning toch zou overbodig zijn, wanneer de vrijheid tot spreken, zoo dikwerf zulks de wil van God is, niet het deel van alle broeders was, een ieder naar de gave door God hem geschonken en in overeenstemming met de voorschriften, welke wij in de Schrift daaromtrent vinden. Ware een bepaald persoon tot spreken aangesteld, dan zou zulk een waarschuwing geheel overbodig zijn. Wij vinden hier derhalve een vermaning tot bescheidenheid, tot kalmte, tot wantrouwen in zichzelven en tot de vreeze Gods, omdat er steeds gevaar aanwezig is om te struikelen, en omdat wij verantwoordelijk zijn. De uitsluitende dienst van n persoon is in de vergadering buitengesloten. Dit wil niet zeggen, dat n persoon de dienst, die God hem toevertrouwd heeft, niet mag uitoefenen; integendeel, deze dienst staat een ieder vrij, als de Heer hem daartoe de noodige gave gegeven heeft; doch juist daarom moet het in onderwerping aan de vermaningen des Woords geschieden. De werkzaamheid des vleesches wordt verworpen, en de vrijheid des Heiligen Geestes gehandhaafd. De Heer bedient zich van een iegelijk, gelijk Hij het goed en noodig vindt, hetzij ten aanzien van de altijd aanwezige gaven van leeraar, herder en evangelist, die tot aan het eind zullen blijven, hetzij ten opzichte van de dienst van ieder lid op de plaats, welke God hem aangewezen heeft.

Wat hier over het struikelen gezegd wordt, vervolgt Jakobus met toepassing op de tong, die zoo licht in beweging komt en elke neiging des harten volgt. Alles is getemd geworden, zelfs de wilde dieren, doch geen mensch heeft nog de tong kunnen temmen; zij is vol doodelijk venijn. (vs. 7, 8.) De woorden van Jakobus zijn scherp, maar, helaas! volkomen waar. Laat ons evenwel ons herinneren, dat de tong de uitdrukking zal zijn van de gedachten des Geestes, indien wij ons der zonde voor dood kennen en door den Geest wandelen. Menigeen is in zijne eigene kracht in staat zich van vele dingen te onthouden, die niet bij machte is een hartstochtelijk of hard woord tegen zijnen naaste te onderdrukken. Doch al kan geen mensch de tong temmen, de genade Gods kan het wel; want de inwendige mensch is onder het juk des Heeren en derhalve zachtmoedig en nederig van hart. Christus vervult zijn hart, en daar de tong de neiging des harten volgt, zoo drukken zijne woorden deze zachtmoedigheid en nederigheid uit. Het is evenwel noodzakelijk, dat Christus alleen in het hart woont, en dat het vleesch in toom gehouden wordt, opdat het niet te voorschijn trede, als de verzoeking komt. Wel is het moeielijk niet te struikelen; doch het is hoogst nuttig te zien, dat de tong openbaart, wat er in ons werkzaam is, gelijk de wijzer van een klok de verborgen bewegingen des uurwerks aanduidt.

Het is van belang het ware karakter der tong, zooals dit hier beschreven wordt, goed te kennen. Wanneer Jakobus zegt: "Welt ook de fontein uit dezelfde ader het zoet en het bitter op?" dan wil hij daarmede niet zeggen, dat dit met den mond des menschen niet het geval is want juist daarover klaagt hij (vs. 9, 10.) - maar hij wil zeggen, dat het kwaad er niet moest zijn, daar dit zelfs tegen de natuur is. Daarna beschrijft hij het karakter van den wijzen en verstandigen mensch. Hij wil, dat deze uit een goeden wandel zijne werken toone in zachtmoedigheid der wijsheid. (vs. 13.) De wijsheid, of beter gezegd de kennis, die zich door een geest van nijd en twistgierigheid openbaart is geen goddelijke wijsheid. De goddelijke wijsheid is niet afgescheiden van den toestand des harten, van de zachtmoedigheid, die gewerkt wordt door de genade, door het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid, door een gebroken wil, en door hetgeen men van den Heer Jezus leert, die zachtmoedig was en nederig van hart. De toorn eens mans werkt Gods gerechtigheid niet. De wijsheid, die roemt en ijvert, is aardsch, zinnelijk, duivelsch; zij komt niet van boven; zij uit zich in nijd en twistgierigheid, welke de bron is van verwarring en allerlei kwaad. (vs. 14-16.) De wijsheid, die van boven komt, verbindt zich met het bewustzijn van de tegenwoordigheid Gods en van de gemeenschap met Hem, waarbij de natuurlijke kracht is buitengesloten, en de geest der afhankelijkheid van God zich openbaart. Zij weet, dat zij zonder Christus niets vermag. De verwezenlijking van Gods tegenwoordigheid maakt, dat deze wijsheid bovenal rein is; dit kan niet anders zijn, als er gemeenschap met God bestaat. Want die gemeenschap, welke tevens wijsheid verleent, vindt noodwendig in de reinheid plaats. Indien de goddelijke natuur in ons de tegenwoordigheid Gods verwezenlijkt en in Hem blijft, dan leert zij kennen wat Gode welgevallig is, en heeft zij geoefende zinnen om het goed en het kwaad te onderscheiden. Zij wenscht geen geweld te gebruiken, maar zij kan het kwaad, 't welk ons van God verwijdert, niet gedoogen.

"De wijsheid, die van boven is, is vooreerst rein, daarna vreedzaam." (vs. 17.) Zij wandelt in vrede voor God. De

geest des vredes woont in het hart. Zij is bescheiden, gezeggelijk, wat den eigen wil betreft onderworpen; zij zoekt dien wil niet te bevredigen, maar is veeleer genegen den wil van anderen te doen, mits die met den wil van God niet in strijd is. Zij is vol barmhartigheid, en, omdat zij gelukkig is in God, vrij van eigenliefde. Zij gevoelt de ellende van anderen, en brengt goede vruchten voort, die uit barmhartigheid ontstaan. Zij denkt er niet aan om de fouten en gebreken van anderen op te zoeken, noch om te berispen en te oordeelen, als ware zij daartoe geroepen. Bovendien wandelt zij in eenvoudigheid en reinheid des harten, daar zij de goedkeuring der menschen niet zoekt, noch iets wil zijn of wil schijnen, wat zij niet werkelijk is. Daar zij niet aan zichzelve denkt, doet zij den wil van God in eenvoudigheid des harten en wenscht zij uit liefde anderen aangenaam te zijn, als gold het hare eigene vreugde. Ziedaar de liefelijke schildering der goddelijke wijsheid.

Merken wij op, hoe Jakobus er steeds op uit is om den eigenwil tot zwijgen te brengen, opdat wij bekwaam zouden zijn den wil van God te doen, en, de goddelijke natuur deelachtig zijnde, Gods karakter te openbaren, het karakter van Christus, die de openbaring van God in het vleesch is. Hij kwam in deze wereld, niet om zijnen wil te doen, maar den wil desgenen, die Hem gezonden had. Hij onderwierp zich steeds aan het onrecht en de ongerechtigheid, terwijl hij het goede deed en in zachtmoedige liefde wandelde. Het goede te doen, te lijden en geduld te hebben, dat is, gelijk Petrus zegt: Gode welbehagelijk te zijn. (1 Petr. II:20.) Als het eigen-ik dood is, dan is de liefde vrij. Men wandelt in vrede; men maakt vrede; "en de vrucht der gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen, die vrede maken," (vs. 18.) "Welgelukzalig de vredestichters, want zij zullen zonen Gods genoemd worden." (Matth. V : 9.) Het is de navolging van den vrede en de liefde Gods in den menschelijken wandel, gelijk Christus dien hier beneden geopenbaard heeft.