Hebt gij Hem ooit gedankt?

 

Bij het einde van een christelijke bijeenkomst bemerkte ik een jonge vrouw, die met een uitdrukking van groote verslagenheid op het gelaat zich gereed maakte de zaal te verlaten. Daar zij juist voorbij mij heen kwam, sprak ik haar aan, en vroeg naar de oorzaak van hare treurigheid. Zij vertelde mij daarop, dat zij zeer beangst was omtrent den toestand harer ziel, en dat zij niet kon begrijpen, hoe zij gered zou kunnen worden. Ik vroeg haar toen, of zij reeds lang verontrust geweest was, en of zij geloofde een arme, verlorene zondares te zijn, die de eeuwige verdoemenis verdiend had. Met tranen in de oogen antwoordde zij: "Ja." - "En langs welken weg tracht gij behouden te worden?" vroeg ik verder. - Zij vertelde mij nu, dat zij haar best deed zooveel zij kon, en gedurig den Heer om vergeving vroeg. Ik antwoordde: "Christus heeft een volkomen werk volbracht op het kruis, Hij heeft uitgeroepen: Het is volbracht! Hij heeft de zonden gedragen van allen, die in Hem gelooven, en heeft ze voor eeuwig weggedaan."

Zij verzekerde mij, dat zij dit geloofde, maar dat het haar niet gelukkig maakte. Ik wees haar nu op hetgeen geschreven staat in 1 Petr. II : 24. "Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout;" en ik trachtte haar hieruit aan te toonen, dat Christus al de zonden van den geloovige gedragen had op het hout, en dat, als Hij ze daar niet gedragen had, Hij het ook nooit meer zou kunnen doen, want dat Hij niet meer aan het kruis zou terugkeeren. Ik zeide: "Christus heeft al die zonden weggedaan door zijn bloed; indien dit niet zoo ware, dan zou Hij ze nooit kunnen weg doen, want Hij kan onmogelijk ten tweedenmale zijn bloed storten."

Daarop vroeg ik haar: "Gelooft gij, dat Christus al uwe zonden gedragen heeft op het hout?" - Ja, dat geloof ik - "Gelooft gij, dat Hij ze allen heeft weggedaan door zijn dierbaar bloed, vóórdat Hij het verliet?" - Ja, dat geloof ik. – "Gelooft gij, dat Hij begraven en weder opgestaan is naar de Schriften?" - De Schrift zegt het, en ik geloof, dat het waar is. - "Gelooft gij, dat Hij in den hemel is, en daar reeds meer dan 1800 jaar geweest is zonder die zonden?" - Ja, antwoordde zij van ganscher harte. – "Welnu, maakt u dat niet gelukkig?" vroeg ik - Neen, was haar antwoord.

Ik zag, dat zij een oprechte, geloovige ziel was, en begreep niet, wat ik van haren toestand denken moest. Eindelijk deed ik haar de vraag: "Hebt gij Hem ooit gedankt?" - Zij moest bekennen, dat zij dit nog nooit had gedaan; en zie, eensklaps was haar de verborgen oorzaak, waarom zij niet gelukkig kon zijn, duidelijk geworden. Ik raadde haar aan, dit zonder uitstel te doen, haar de verzekering gevende, dat de Heer haar gaarne gelukkig wilde maken.

Den volgenden avond was zij weer op de bijeenkomst. Aan het einde daarvan kwam zij naar mij toe, en zeide met een gelaat stralende van geluk tot mij: "Ik heb Hem gedankt voor hetgeen Hij voor mij gedaan heeft aan het kruis, en Hij heeft mij o zoo gelukkig gemaakt!"

Maanden zijn er voorbijgegaan, sedert deze lieve, jonge vrouw tot het geloof in het werk van Christus gekomen is, en Hem voor dat heerlijke werk heeft gedankt, en nog steeds verheugt zij er zich in. Zij weet nu, dat haar lichaam een tempel des Heiligen Geestes is geworden, (1 Kor. VI : 19.) dat zij een lid van het lichaam van Christus is en dat zij tot God bekeerd is geworden, om zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten. (1 Thess. I : 10.) Hoe staat het met u, lieve lezer? Kunt gij u verblijden in het heerlijke werk van Jezus? Hebt gij Hem reeds gedankt voor zijne onuitsprekelijke genade? Gij gelooft in Hem, gij hebt u aan Hem overgegeven als een arm, verloren zondaar, niet waar? Welnu, verblijd u dan ook in zijne liefde, en rust in zijn volbracht werk.