JEZUS, DE ONVERANDERLIJKE.

 

Hier beneden is alles aan verandering onderworpen. Geen enkele dag is aan den anderen gelijk. Elke dag heeft zijn eigen kwaad. Alles gaat voorbij. Alles verdwijnt. Wat ons den eenen dag vreugde aanbrengt, is den anderen dag een oorzaak van droefheid. Waarin wij ons heden verblijden, zal misschien morgen van ons genomen worden. De betrekkingen, die wij heden aanknoopen, zijn mogelijk morgen weer verbroken. Er is niets bestendigs hier benen. Wij leven te midden der bewegelijke dingen. De omstandigheden veranderen elk oogenblik. Hoe geheel anders waren de dingen om ons heen, toen wij het vorige jaar intraden. Wat is er niet in dat ne jaar gebeurd! Om te zwijgen van de talrijke wisselingen op het groote wereldtooneel, welk een verandering in den kleinen kring, waarin een iegelijk onzer zich beweegt! Hoe geheel anders ziet het er in menig opzicht uit in ons huis, in ons werk, in den kring onzer vrienden! Hoe velen onzer geliefden zijn heengegaan uit ons midden. Heengegaan - Gode zij dank! - om voor eeuwig bij den Heer te zijn. Heengegaan - ons maar een kleine wijle tijds vooruit, om hen straks bij Jezus' komst weer te vinden en dan eeuwiglijk te zamen te juichen voor den troon k te juichen voor al Gods leidingen hier op aarde. Maar toch heengegaan, om hier op aarde niet tot ons weer te keeren. Hunne plaats staat ledig; en zonder hen, aan wie wij ons z verbonden gevoelden, en wier bijzijn wij zoozeer behoefden, moeten wij onze pelgrimsreis voortzetten.

Ja, waarlijk er is niets bestendigs hier beneden. En allerminst zijn wijzelven daarvan uitgesloten. Zouden wij wel ooit n enkelen dag in dezelfde gemoedsstemming zijn? Jagen wij altijd, onafgebroken, naar hetzelfde doel? Bewaren wij altijd ons geduld, en omvatten wij altijd met dezelfde liefde die ons omgeven? O, hoe verkwikkend en verblijdend is het daarom, ons van de vergankelijke dingen dezer aarde, van de bewegelijke dingen, waarin wij leven, te mogen opheffen naar dat onbewegelijk koninkrijk daarboven, hetwelk wij weldra ontvangen zullen! Hoe verkwikkend bovenal onzen blik te mogen vestigen op Hem, den Koning van dat rijk, van Wien de Apostel getuigt: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid." Ja, wie er ook heengaat Hij blijft. Wat er ook verandert, Hij is altijd dezelfde. Welke, wisselingen en omkeeringen er in ons en rondom ons ook plaats hebben, Hij weet, evenals God zelf, van geen verandering of schaduw van omkeering. Daarom

't Hoofd omhoog, het hart naar Boven,
Hier beneden is het niet;
't Ware leven, lieven, loven,
Is maar daar men Jezus ziet!

Ja, als men Jezus ziet, dan is het hart getroost en gesterkt. Hij is de Rots der eeuwen. Hij is de onveranderlijke, de eeuwig getrouwe. Zijne liefde is oneindig, zijn geduld onuitputtelijk, zijne macht onbegrensd. Als men Jezus ziet, dan zet men, hoezeer ook bedroefd over hen die heengingen, en hoezeer ook geschokt menigwerf door de gebeurtenissen om ons heen, vol moed zijne reis voort. Als men Jezus ziet, dan staat men vast op het eeuwig blijvend fondament der waarheid, en laat zich dus door geen verkeerde leeringen in verwarring brengen en aftrekken.

Letten wij op het verband, waarin die heerlijke woorden, zoo vol vertroosting en sterkte, in Hebren XIII voorkomen. Voorzeker zij zijn van algemeene toepassing. Zij drukken een beginsel uit, in alle omstandigheden en ten allen tijde waar - een beginsel even onveranderlijk als Hij, wiens onveranderlijkheid in die woorden geprezen wordt. Maar toch is het belangrijk het verband na te gaan, waarin die woorden voorkomen. Welnu, aan deze woorden gaat onmiddellijk de vermaning vooraf: "Gedenkt uwer voorgangers, die u het woord Gods gesproken hebben, en volgt hun geloof na beschouwende de uitkomst van hunnen wandel." (vs. 7.)

Ziet uwe voorgangers, die u het woord Gods gesproken hebben, ze zijn heengegaan - zoo ongeveer is de gedachtengang van Paulus - de uitkomst van hunnen wandel is z heerlijk geweest, dat gij hunner gedenken kunt en hun geloof kunt navolgen. Welk een gemis is het heengaan van zulke voorgangers! Hoe licht zoudt gij moedeloos kunnen vragen: wie zal ons nu leiden en troosten, onderwijzen en stichten? Ziehier het antwoord - zoo zielsverheffend en schoon: Zij gingen heen, maar Jezus blijft: "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." Evenals Paulus den ouderlingen te Efeze, bij zijn roerend afscheid in Hand. XX, niet wijst op zijn opvolger, of op anderen, die na hem komen zouden, maar hen toeroept: "En nu beveel ik u Gode en den woorde zijner genade, die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden," zoo wijst hij hier de geloovigen van hunne voorgangers, die heengingen, op den Heer, die in eeuwigheid dezelfde blijft. - En die voorgangers hadden hun niet alleen het woord Gods verkondigd, maar ook een leven geleid, 'twelk tot een voorbeeld strekken kou. Zij hadden in het geloof volhard, en hun godzalig leven met een Godverheerlijkend einde gekroond. Verkwikkend was het om de uitkomst van hunnen wandel te beschouwen, en de kracht huns geloofs waar te nemen; doch om dat geloof na te volgen, was er kracht noodig. Welnu, Hij die hen sterkte in den strijd en door zijne genade hun einde zoo heerlijk maakte, is de onveranderlijke. Wat Hij voor hen was, is Hij voor ons. "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid." Zonder Hem kunnen wij niets doen met Hem zijn alle dingen mogelijk.

"Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid." Is dat waar, dan moeten wij ons ook aan Hem vasthouden. Dan is de waarheid alleen in Hem. Dan voeren alle andere dingen van Hem af. Hoe schoon de menschelijke stelsels ook in elkaar mogen zitten; hoe vroom en godzalig hunne voorschriften en oefeningen ook schijnen mogen, Jezus alleen is de onveranderlijke, de eeuwig blijvende. Wat buiten Hem is vergaat; wat niet uit Hem is verderft. "Laat u daarom niet vervoeren door verscheidene en vreemde leeringen," roept de Apostel zijnen lezers toe; "want het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, waarvan zij geen nut hadden, die daarin wandelden."

Zoo is de onveranderlijkheid van Jezus onze troost en onze kracht. Hoe heerlijk zijn ze, die woorden van den Apostel! Vooreerst beschouwd in het verband, waarin zij voorkomen. Bij al de wisselingen van het aardsche leven richten wij onzen blik omhoog, en zien aan Gods rechterhand Jezus gezeten, die eeuwig dezelfde blijft; en bij al de vreemde leeringen, die ons oor treffen en ons hart bedroeven, aanschouwen wij Hem, de waarheid zelve, die nooit verandert, en in wien ons hart een rustpunt gevonden heeft te midden van al de dwalingen van den menschelijken geest.

Maar dan ook beschouwd in het algemeen. Waar wij zuchten over onze eigene veranderlijkheid, en menigwerf teleurgesteld worden, zelfs in onze beste vrienden, hoe weldadig en vertroostend is het daar ons oog te vestigen op Hem, die altijd dezelfde is - dezelfde in liefde, in trouw, in goedheid, in geduld, in ontferming, in genade. Op Hem, van wien wij niet alleen lezen, dat Hij gisteren en heden dezelfde is, en tot in eeuwigheid; maar die ons de bewijzen daarvoor geleverd heeft in zijne omwandeling op aarde en in zijne trouwe zorg voor de zijnen, nadat Hij gezeten was aan de rechterhand des Vaders. Want wij hebben niet alleen deze uitspraak van den Apostel, maar de geheele levensgeschiedenis van den Heer, ten bewijze voor zijne onveranderlijkheid. Hoe meer wij die levensgeschiedenis lezen niet alleen, maar bestudeeren, des te meer staat het beeld van Jezus, als de Onveranderlijke, en Getrouwe, in onovertroffen schoonheid, voor onze oogen.

Laat mij u enkele voorbeelden daarvan voor de aandacht roepen. Hij was altijd dezelfde. Hij bleef zichzelven altijd gelijk. De omstandigheden konden de gezindheid zijns harten niet veranderen. Of wij Hem zien vr het kruis of op het kruis, vr de opstanding of daarna, toen Hij hier beneden wandelde, of nu Hij gezeten is aan Gods rechterhand, het is altijd dezelfde Jezus. Geen verandering of schaduw van omkeering bij Hem, hetzij Hij zucht onder het lijden, of met eer en heerlijkheid gekroond is in den hemel. Denk aan zijne liefde voor zondaars. Nicodemus komt midden in den nacht tot Hem; de Samaritaansche midden op den dag; de moordenaar toen Jezus hing aan het kruis; en allen vonden in Hem dezelfde bereidwilligheid om te luisteren, dezelfde liefde om hen te redden van het verderf. En riep niet de verheerlijkte Heer uit den hemel zijnen grootsten vijand toe: "Saul, Saul, wat vervolgt gij mij!" om dien vijand niet alleen te vergeven en te redden, maar hem te stellen tot een getuige zijner onbegrijpelijke zondaarsliefde in de geheele wereld?

Denk aan Jezus' liefde voor de zijnen. In den nacht, toen Hij verraden werd, zette Hij zich met zijne discipelen aan den paaschmaaltijd neder, en zeide: "Ik heb grootelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat ik lijde." Hij nam brood en drinkbeker, en stelde het avondmaal in, 't welk voor de zijnen de herinnering wezen zou van zijne oneindige liefde, die Hem in staat stelde om zichzelven voor hen over te geven in den dood des kruises. Hij vergat als het ware voor een oogenblik eigen leed en strijd, om voor hen te zorgen en aan hen te denken. Al kwamen alle machten der duisternis op Hem aan, en al was zijne ziel bedroefd tot den dood toe, zijne genegenheid voor de zijnen verflauwde geen oogenblik. Juist in den nacht, toen Hij verraden werd, in dien schrikkelijken nacht van lijden en smart, stelde Hij het avondmaal in. Is Hij veranderd n de opstanding? O neen! gezeten aan 's Vaders rechterhand, met eer en heerlijkheid gekroond, geeft Hij aan den Apostel Paulus door rechtstreeksche openbaring de instelling van het avondmaal over, opdat hij die aan de gemeenten zou mededeelen. In den brief aan de Galatirs beroept Paulus er zich op, dat hij niets ontvangen heeft van de apostelen te Jeruzalem, maar dat al wat hij predikte, hem door openbaring was bekend gemaakt; en in den eersten Korintherbrief zegt hij: "Ik heb van den Heer ontvangen, hetgeen ik u ook overgegeven heb, dat de Heer Jezus in den nacht, waarin hij overgeleverd werd, het brood nam", enz. Zoo is Jezus dezelfde in de heerlijkheid en in het lijden. En gelijk het zijne innige begeerte was om in den laatsten nacht Zijns levens aan te zitten met de discipelen, zoo is het nu zijne vreugde, wanneer wij aan zijnen disch zijn aangezeten. Hij is en blijft de Gastheer.

Denk aan Jezus' gemeenzamen omgang met de zijnen. Hoe familiaar was Hij in het huisgezin te Bethani! Als een vriend des huizes verkeerde Hij daar. Hoe ongedwongen gingen die zusters met Hem om. Wat zij dachten, sprakn zij uit, en de Heer liet het zich zeggen. Geen spoor van vrees van hunnen kant, geen spoor van terughouding van zijnen kant is er te bespeuren. En was Hij na de opstanding niet dezelfde? Is het treffende tooneel aan Tiberias' meer niet een schoon bewijs van Jezus' onveranderlijke goedheid? Of wat nog meer zegt, is dat gesprek tusschen den verbaasden en vreesachtigen Ananias en den Heer der heerlijkheid in den hemel, niet een treffende proeve van de heerlijke waarheid, dat, hoewel Jezus niet meer in zwakheid op aarde rondwandelt, maar in heerlijkheid aan Gods rechterhand gezeten is, er nochtans geen zweem van verandering in zijnen vertrouwelijken omgang met de zijnen gekomen is? Waarlijk wij hooren daar, niet een schepsel in gesprek met zijnen Schepper, maar een vriend, die zich vertrouwelijk onderhoudt met zijnen vriend. Zooals wij spreken met elkaar, zoo sprak Ananias tot Jezus, zoo sprak Jezus tot Ananias.

Denk aan Jezus' geduld en lankmoedigheid. Hoe verdroeg Hij de tegensprekingen zijner vijanden! Hoe kalm en rustig bleef Hij bij de grove onwetendheid der Samaritaansche! Hoe geduldig was Hij in zijn onderwijs en in zijne terechtwijzing van de vaak ongeloovige discipelen! En ziet! n zijne opstanding wandelt Hij met twee zijner discipelen van Jeruzalem naar Emmaus, en luistert naar hunne klachten, en onderwijst hen in de Schriften, als ware het voor de eerste maal, dat Hij zulks deed. En hoe vol lankmoedigheid komt Hij, de verheerlijkte Heer, den bevooroordeelden Petrus te gemoet, en neemt genadiglijk al zijne bezwaren weg, zoodat hij vrijmoedig het huis van Cornelius inging.

En wilt gij nog meer, denk dan aan zijne tranen bij Lazarus' graf, aan zijn mededoogen over de weduwe te Nan, aan zijn treffend en teeder medelijden met zijne moeder, toen Hij hing aan het kruis; en luister dan naar zijne heerlijke woorden tot Saulus: "Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?" Waaruit ons de waarheid van Paulus uitspraak tegenstraalt: dat Jezus in den hemel een medelijdende Hoogepriester is, die, omdat Hij in alles verzocht werd gelijk als wij, de zonde uitgenomen, met onze zwakheden medelijden, d.i. sympathie, medegevoel hebben kan.

Hoe schoon en heerlijk is dit alles! Hoewel onze dierbare Heer niet meer op aarde wandelt, maar met eer en heerlijkheid gekroond is in den hemel, zoo is Hij nochtans dezelfde. Gelijk Hij met zijne discipelen verkeerde, zoo gaat Hij ook om met ons. Hij is in niets veranderd. Wij kunnen er van verzekerd zijn, dat dezelfde liefde, hetzelfde geduld, dezelfde nederbuigende goedheid, die wij in zijn leven op aarde zoo treffend en heerlijk waarnemen, ook nu zijn hart vervult, zoodat wij met alle dingen tot Hem gaan kunnen; Zoodat wij ons in alle omstandigheden op Hem verlaten kunnen; zoodat wij verzekerd kunnen zijn, dat Hij ons nooit zal afwijzen, nimmer verlegen zal laten staan, nooit eenig verwijt zal doen. Ja, Hij kan nog meer voor ons zijn, dan Hij voor de discipelen was. Tot ons toch kan Hij zeggen: "Ik ben in alle dingen verzocht geworden, gelijk als gij, uitgenomen de zonde; en ik kan daarom met uwe zwakheden medelijden hebben." Hij werd verzocht door den duivel; Hij werd gehoond en bespot, geplaagd en gekrenkt door de wereld; Hij werd niet begrepen door de zijnen, en eindelijk door hen verlaten. Hij leed, zooals geen mensch ooit geleden heeft of lijden kan. Zijne tranen waren Hem tot spijs dag en nacht. (Ps. 42.) Lichaamslijden was in ruime mate zijn deel, maar bovenal lijden der ziel - een lijden, zooals wij het ons niet voorstellen kunnen, daar wij door de zonde het ware gevoel van wat kwaad en onrein is, grootendeels missen. Zielelijden elken dag, als Hij in het midden der zondaren moest verkeeren, en hunne werken en derzelver beweegredenen en drijfveeren moest aanschouwen. Lijden ook door goddelijk medegevoel; want waar Hij de kranken genas, nam Hij, die zelf nooit krank was, omdat Hij geen zonde kende, de krankheden op zich. Zoo kan Hij dan nu, gezeten als Hoogepriester aan 's Vaders rechterhand, met al onze zwakheden medelijden hebben. Hij kan zich nevens ons zetten, en ons influisteren: "ik weet wat gij lijdt; ik heb datzelfde leed gevoeld; kom, en rust aan mijne borst; en laat mij u schenken, al wat gij behoeft."

Welk een zegen zulk een Heiland en Heer te bezitten! O, mochten wij Hem meer leeren kennen! Mochten wij meer in zijne gemeenschap wandelen en ons aan Hem toevertrouwen! Niemand is aan Hem gelijk. Niemand is bij Hem te vergelijken. Hoe meer wij Hem leeren kennen, des te meer zal bewondering en aanbidding ons vervullen, en zullen wij verlangen Hem te zien van aangezicht tot aangezicht. Vergeten wij het niet: zooals Hij was, toen Hij op aarde wandelde, zoo is Hij nu in den hemel, en zoo zal Hij zijn tot in eeuwigheid; want Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid.