Opmerkingen over het boek der Psalmen.

 

Het boek der Psalmen is een verzameling van gewijde liederen van onovertroffen schoonheid. De verhevenheid van sommige, de liefelijkheid van vele en de stoute taal van andere hebben deze "zangen des Heeren" beroemd gemaakt. De snaren der hebreeuwsche harp werden bespeeld door den Geest van Jehovah; en de gevoelens, ondervindingen en genietingen van de joodsche heiligen, die onder de wet en onder de regeering van God waren worden in deze goddelijke gezangen bezongen.

Het veelbewogen leven van David, den herder-koning van IsraŽl, gaat als een panorama aan onze blikken voorbij. De tooneelen volgen elkander snellijk op. Geen van hen, wier namen in de rol der oud-testamentische geloofshelden staan opgeteekend, had zulk een belangwekkende en aan treffende gebeurtenissen rijke geschiedenis. De vergeten jongeling met zijne schoone oogen en zijn schoon gelaat; de geloovige en dappere herder der kudde; de vroolijke harpspeler in Saul's paleis, die den boozen geest des konings voor eenige oogenblikken op de vlucht dreef; de overwinnaar van Goliath en daardoor de lieveling des volks; de schoonzoon van IsraŽls eersten koning; de vriend van Jonathan, die met zijne gansche ziel aan hem hing; de vluchteling voor de woede van Saul, die als een gejaagd hoen in Kanašns spelonken en woestijnen omzwierf, en het middelpunt werd van een gansche schaar aan hem getrouwe mannen; de gezalfde des Heeren, regeerende te Hebron en te Jeruzalem; de vluchtende monarch, met steenen geworpen en gevloekt; de koning weer hersteld op zijnen troon; zijne woorden en gezangen, zijne veldslagen en overwinningen, zijne zonden en belijdenissen - ziedaar de tooneelen en gebeurtenissen, waaraan deze heilige liederen hun ontstaan te danken hebben. Doch zij blijven bij deze tooneelen en gebeurtenissen niet stilstaan, o neen! zij gebruiken ze veeleer als voorafschaduwingen van hooger en heerlijker dingen - van David verheffen zij zich tot Davids Zoon en Heer, en van de koninklijke, profetische en priesterlijke heerlijkheden van Salomo tot de grooter heerlijkheden en waardigheden van Jezus, den Messias van IsraŽl en den Zoon van God. David en zijn lijden, en Salomo en zijn glorie dienen om Christus en zijn lijden, en Christus en zijn heerlijkheid ons voor de oogen te schilderen. En met Christus' lijden aanschouwen wij dan het lijden van de heiligen der laatste dagen - hun strijd en ellende, hunne zuchten en tranen, hun vreezen en hopen, en eindelijk hunne verlossing en zegepraal, hunne lofzangen en triomfliederen.

Duidelijk is het hieruit, dat het boek der Psalmen een profetisch boek is. Als zoodanig gebruikte het de Heer. Tot de discipelen zeide Hij: "Dit zijn de woorden, die ik tot u sprak, toen ik nog bij u was, dat het alles moest vervuld worden, hetgeen van mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen." (Luk. XXIV : 44.) Het boek der Psalmen behoort tot de Schriften, die van Hem getuigen. (Joh. 5 : 39.) Doch aangezien de gebeurtenissen in Davids veel bewogen leven - zijne ondervindingen en gevoelens in lijden en verdrukking, bij uitredding en verlossing - de aanleiding waren om ons de gevoelens van Jezus en de ondervindingen der heiligen in de laatste dagen voor te stellen, zoo zijn deze Psalmen tevens een bron van vertroosting en leering geweest voor de heiligen gedurende alle eeuwen. Lijdenden en verdrukten vonden rijke en overvloedige vertroosting in Psalmen als 69 en 79; boetvaardigen spraken hunne belijdenis uit in de klachten van den 51sten en 77sten psalm; kranken en bedroefden drukten hunne smart uit in de woorden van Ps. 91 en 147, en vonden daar den balsem van Gilead; de eenzame wachter in den nacht, die verlangend uitzag naar den dageraad, verheugde zich in de belofte van aardsche zegeningen onder de heerlijke regeering van den Messias, gelijk zulks voorgesteld wordt in Ps. 72 en 100; ja, zelfs de schepping verblijdt zich in de hoop, dat hare ellende voorbij zal zijn, hare zuchten gestild en hare tranen gedroogd zullen worden. Aan het slot van het boek - in Psalm 148 - worden de machtige werken in de schepping en van Gods voorzienigheid bezongen; terwijl in den 149sten het verloste IsraŽl den lof van God verkondigt met trommel, fluit en harp, en den triomfkreet aanheft over de vijanden van Jehovah. De laatste Psalm sluit het boek der gewijde lofzangen met het Hallelujah in het "heiligdom" het tooneel van Gods tegenwoordigheid, en in het "uitspansel," het tooneel van Gods heerlijkheid, Gods machtige daden en uitnemende grootheid zijn het onderwerp van den Psalm; "lof" vindt men in elk vers, terwijl trompet en luit en harp en trommel en fluit, met snarenspel en orgel en cymbalen de heerlijke symphonie samenstellen:

 

"ALLES, WAT ADEM HEEFT, LOVE DEN HEER! HALLELUJAH!"

Nochtans bedenke men wel, dat, hoe schoon en heerlijk de Psalmen ook wezen mogen, zij niet aan ons, aan de Gemeente van Christus, gegeven zijn om te zingen. Al zijn er sommige gedeelten welke wij als de uitdrukking van ons geloof en ons vertrouwen zouden kunnen aanheffen, zoo is het boek der Psalmen geenszins het liederboek voor de Gemeente. Het zijn de zangen voor de heiligen onder de wet. In Rom. III wordt ons dit uitdrukkelijk gezegd. Nadat de Apostel verschillende plaatsen uit de Psalmen heeft aangehaald, zegt hij in vs. 19: "Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat zegt tot hen, die onder de wet zijn." Hiermede heeft de Heilige Geest zelf ons het karakter van de Psalmen aangegeven. En de gevoelens en ondervindingen, welke er in uitgedrukt zijn, zijn natuurlijk in overeenstemming met dit karakter. "Wij nu zijn niet onder de wet, maar onder de genade," zegt de Heilige Geest. Voorwaar, een hemelsbreed verschil! Wet en genade staan tegenover elkander. "De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden," "En," zegt Paulus: "eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring, besloten tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden." (Gal. III: 23.) Het spreekt dus vanzelf, dat wij, die onder de genade zijn, wij die door het geloof in Christus verlost zijn, de gevoelens onzer ziel en de uitdrukking van ons geloof en van onze hoop niet in de Psalmen hebben te zoeken; wij vinden die alleen in het Nieuwe Testament - in de EvangeliŽn, waar ons de heerlijkheid van Jezus, en in de Brieven, waar ons het standpunt, de zegeningen, de roeping en de hoop der Gemeente worden voorgesteld. Waar wordt er in de Psalmen gesproken over onze eenheid met Christus, over het Vaderhuis, over onze hemelsche roeping, over de komst van Jezus om ons op te nemen? Ja, waar vinden wij melding gemaakt van de volbrachte verzoening, van de volkomen vergeving onzer zonden, van de volmaakte verlossing? Nergens. Geen enkel woord is er over al deze waarheden, zoo duidelijk en heerlijk in het Nieuwe Testament geopenbaard en ontvouwd, te vinden; integendeel, wij vinden er tal van uitdrukkingen, die getuigenis geven, hoe zij, die deze Psalmen zongen, geen bewustheid hadden van een volbrachte verzoening, wat ons trouwens door den Apostel in Hebr. 10 : 2 uitdrukkelijk gezegd wordt; terwijl andere uitdrukkingen het bewijs leveren, hoe deze heiligen op een geheel ander standpunt stonden, dan waarop wij staan. Wij behoeven slechts te herinneren aan hunne smeekingen tot God om zich op hunne vijanden te wreken en hen te verdelgen; (zie o.a. Ps. 137 en 143.) terwijl de Heer tot Johannes en Jakobus, die een dergelijken wensch uitspreken, zegt: "Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt."

Eerst nadat men dit onderscheid van bedeeling en dientengevolge van standpunt heeft begrepen, is het mogelijk een gezegend gebruik van de Psalmen te maken. Door Gods Geest geleid, leert men de gevoelens, welke alle eeuwen door in de harten der geloovigen leven, onderscheiden van de gevoelens, die onder de wet, onder de oud-testamentische bedeeling thuis behooren. Maar bovenal leert men alsdan de Psalmen beschouwen - gelijk wij boven reeds zeiden - als de uitdrukking van de gevoelens van het hart van Christus in zijn leven hier op aarde, in zijn lijden aan het kruis, in zijne overwinning en heerlijkheid; en tegelijkertijd als de uitdrukking van het gevoel des harten van de heiligen der laatste dagen, die door lijden en strijd, door vervolging van hunne vijanden en door kastijding van God tot het inzicht hunner ellende en zonden komen, om zich ten slotte, bij de komst huns Messias, in de heerlijke Godsregeering te verblijden en de hun beloofde zegeningen in het gelukkig vrederijk te genieten.


"Het boek der Psalmen" is een titel, door den Heer zelven aan dit boek gegeven; wij vinden dien in Luk. 20 : 42 en in Hand. 1 : 20.

116 Psalmen hebben een opschrift. Deze opschriften zijn zeer oud, daar zij reeds gevonden worden in de Grieksche vertaling van het Oude Testament, omstreeks 300 jaar vůůr Christus door zeventig geleerden overgezet. Zij hebben betrekking op den dichter, op het onderwerp, dat behandeld wordt, of op de zangwijze, die gebruikt moest worden.

In deze opschriften wordt David zeventig maal als dichter genoemd. Asaf het hoofd van de zangers, die David aanstelde, en die door Salomo in hun ambt bevestigd werden, is de maker van twaalf van deze Psalmen. Elf zijn er toegewijd aan "de kinderen van Korach," de leiders van de eeredienst in IsraŽl. Salomo is het onderwerp van Ps. 72 en de dichter van Ps. 127. Mozes is de dichter van Ps. 90, en Ethan, van wien wij niets met zekerheid weten, de auteur van Ps. 89.

De samenstelling van den geheelen bundel loopt over een tijdperk van bijna 1000 jaren, van Mozes - Psalm 90 - tot de ballingschap van Juda - Psalm 137. Het is van groot gewicht dit op te merken, omdat daardoor het onwedersprekelijk bewijs geleverd is, dat wij geen chronologische orde in de rangschikking van de Psalmen te zoeken hebben. Niet naar tijdorde, maar naar het zedelijk doel, 't welk de Heer bereiken wilde, volgen de Psalmen op elkander. Dit blijkt verder uit de verdeeling van den geheelen bundel in vijf boeken. Deze verdeeling in vijf boeken vindt men in den Hebreeuwschen Bijbel, en is gemakkelijk in onze Hollandsche overzetting terug te vinden door te letten op het slot van elk boek:

Boek I - Psalm 1-41 - eindigt met: "Amen, ja amen."
Boek II - Psalm 42-72 - eindigt met: "Amen, ja amen."
Boek III - Psalm 73-89 - eindigt met: "Amen, ja amen."
Boek IV - Psalm 90-106 - eindigt met: "Amen, Hallelujah!"
Boek V - Psalm 107-150 - eindigt met: "Alles, wat adem heeft, love den Heer! Hallelujah!

Ieder welonderwezen Christen zal door de volmaaktheid en schoonheid van deze goddelijke verdeeling der Psalmen getroffen worden, en er een heerlijk bewijs in vinden van de goddelijke ingeving der Schrift, welke zich niet alleen bepaalt bij den inhoud der verschillende boeken, maar zich ook uitstrekt tot de volgorde, waarin die boeken gerangschikt zijn.

De eerste en de tweede Psalm bevatten, als het ware, de grondgedachte van het geheele boek. Zij vormen een inleiding. De overige Psalmen zijn de uitvoerige uitwerking van deze grondgedachte. Eenige opmerkingen over deze twee Psalmen zullen daarom den lezer niet onwelkom zijn. Zij mogen hem ten leiddraad zijn bij de studie van dit heerlijke boek.

Psalm I bezingt het karakter van den rechtvaardige: negatief in vers 1: hij wandelt niet in den raad der goddeloozen; hij staat niet op den weg der zondaren; hij zit niet in het gestoelte der spotters; positief in vers 2: zijn lust is in des Heeren wet, en hij overdenkt zijne wet dag en nacht; figuurlijk in vers 3 (vergelijk Jeremia 17 : 7, 8.) hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvalt, terwijl van vers 4 tot 6 de rechtvaardige onderscheiden wordt van den goddelooze.

Wij moeten evenwel in het oog houden, dat de rechtstreeksche toepassing van dezen Psalm is op een Godvreezend overblijfsel van Juda en IsraŽl in de laatste dagen, welk overblijfsel uitdrukkelijk gesteld wordt tegenover de goddelooze en afgodische natie. Dit overblijfsel in de laatste dagen, hoofdzakelijk uit Juda, wordt gedurig in de Psalmen en in de Profeten genoemd. Zoolang de lezer dit niet begrepen heeft, is een recht verstand van de toekomstige gebeurtenissen onmogelijk.

Juda zal in het land Kanašn worden teruggebracht door tusschenkomst van een machtige natie, (Jes. 18.) en in ongeloof de stad en den tempel herbouwen. De Geest van God zal in levengevende macht en genade in hen werken, en het gevolg daarvan zal zijn, dat een derde deel getrouw zal blijven aan Jehovah, aan zijn getuigenis en aan zijn verbond. (Zach. 13 : 7-9.) IsraŽl's oude verwachtingen zullen in dit trouwe overblijfsel herleven, en hen doen uitzien naar de heerlijkheid van het beloofde rijk des vredes. Doch vůůrdat dit vrederijk komt, zullen zij den vuuroven der beproeving moeten doorgaan, en gelouterd worden, gelijk men het zilver loutert. Welnu, in de Psalmen worden de verwachtingen, de hoop, de vrees, de gebeden, de ondervindingen van dit overblijfsel, 't welk zich onder de kastijdende hand van God bevindt, 't welk lijdt en gebukt gaat onder de nationale schuld van de verbreking des verbonds en, wat nog erger is, van de verwerping en kruisiging van hunnen Messias, in bijzonderheden beschreven. Met dit overblijfsel vereenzelvigt zich Christus in genade. Door zijn lijden hier op aarde kan Hij in hunne gevoelens en ondervindingen treden, en hun zijn goddelijk medegevoel doen ondervinden.

De toekomstige goddelooze en afgodische toestand der natie wordt kort maar treffend geschetst in MattheŁs 12 vs. 45. De Joden zullen in die dagen dubbel verdrukt worden staatkundig en zedelijk. De koning van het Noorden, (Dan. 11: 40-45.) zoo menigvuldige malen door bijna al de profťten als "de AssyriŽr" aangeduid, in EzechiŽl (hoofdstuk 38 en 39) als "Gog" - Rusland - zal de groote staatkundige vijand der Joden zijn, en de aanvoerder van de verbonden noord-oostelijke machten, die zich te zamen hebben vereenigd om IsraŽl's nationaliteit te vernietigen, en zijn naam en gedachtenis van de aarde te verbannen. (Ps. 88.) Om aan de invallen van dezen grooten en machtigen vijand van hun geslacht en land, die in Gods hand als een geesel over zijn volk gebruikt wordt, weerstand te kunnen bieden, zal de natie den Antichrist - een Jood - tot koning aannemen, (Dan. 11 : 37.) en een verbond sluiten met het machtige hoofd van het herstelde Romeinsche rijk - het beest van Openb. 13:1-8, en de "kleine hoorn" van DaniŽl 7. Dit onheilig verbond van het volk met het herstelde Romeinsche rijk wordt in scherpe bewoordingen bestraft in Jes. 28 en in Dan. 9 : 27. Goddeloosheid en afgoderij zal het land als een vloed overdekken, en Judea zal het slachtveld worden van de volken der aarde.

Onder deze ontzettende omstandigheden zal het geloovige, aan God getrouwe overblijfsel getuigenis van Gods waarheid en gerechtigheid afleggen. "Velen zullen de martelaarskroon verwerven; anderen zullen bewaard worden in het midden van den brandenden oven der verdrukking; en allen zullen deelnemen aan de heerlijkheid van den Messias in zijn gezegend koninkrijk.

Psalm II voert ons in de vergaderzaal der volken, koningen en vorsten der aarde. Deze beraadslagende vergadering van de macht en de wijsheid dezer wereld houdt zich met een gewichtig onderwerp bezig. Zij beramen een opstand tegen Jehovah en tegen zijnen Gezalfde; en terwijl de heidenen woeden in een oproerige vergadering, kondigen de opgestane volken het resultaat van hunne beraadslagingen aan. (vers 1-3.) Jehovah, wiens zetel is in de hemelen, lacht spottend over de ijdelheid en dwaasheid van den mensch; daarna spreekt Hij in zijnen toorn, en zalft zijnen Koning over Sion, den berg zijner heerlijkheid, den zetel van alle aardsche macht. (vers 4-6.) De Koning, die niemand anders is dan de Zoon des menschen, kondigt openlijk de besluiten van Jehovah af. Zoonschap en erfrecht behooren Hem. De Zoon heeft slechts te "vragen", en Jehovah zal "geven."Wij waren het onderwerp van zijne smeekingen in zijn merkwaardig en heerlijk gebed in Joh. 17: "ik vraag voor hen, ik vraag niet voor de wereld." (vs 9.) Doch spoedig zal Hij bidden voor de wereld, in overeenstemming met de woorden van dezen verheven Psalm; en Jehovah zal Hem de heidenen geven tot een erfdeel, en de einden der aarde tot een bezitting. Doch op welke wijze zal Hem dit geschonken worden? Door schrikkelijke oordeelen, welke over de aarde komen zullen, "Gij zult hen verpletteren met een ijzeren schepter; gij zult hen in stukken slaan als een pottebakkers vat." (vs. 6-9.) O, dat de grooten en machtigen der aarde de vermaningen aan het slot van dezen Psalm mochten ter harte nemen! (vs. 10-12.)

De beschrijving van het karakter van het godvreezend overblijfsel in IsraŽl is derhalve het onderwerp van den eersten Psalm, terwijl in den tweeden de raadsbesluiten van Jehovah ten opzichte van zijnen Gezalfde worden ontvouwd. Zooals ik reeds zeide, bevatten deze twee Psalmen de grondgedachte van het geheele Boek. Houdt men dit in het oog, dan zal men de ontwikkeling van deze grondgedachte achtereenvolgens vinden in de vijf boeken, waarin deze bundel is afgedeeld.

Het eerste boek, bevattende Psalm 1-41, stelt ons Christus voor, die zich met een getrouw, maar lijdend overblijfsel der Joden in Judťa, en voornamelijk in Jeruzalem, vereenigt. Zijn lijden aan het kruis, en dientengevolge de verzoening hunner zonden, is de grond, waarop een vereeniging met hen mogelijk is. - In dit boek komt de naam "Jehovah", de naam van den God des verbonds, meer dan 270 maal voor; terwijl de naam "God", de naam van den Schepper des heelals, slechts 50 maal voorkomt.

Het tweede boek, bevattende Psalm 42-72, beschrijft ons het getrouwe overblijfsel der Joden, verworpen en uit hun land en hunne geliefde stad verdreven, ronddolende onder de volken en verdrukt door hunne vijanden. De Messias neemt zijne plaats onder hen in, en richt hunne blikken op de heerlijkheid en de zegening van het toekomstig koninkrijk. - Daar de Joden niet openlijk als volk worden erkend, aangezien ze buiten hun land zijn, zoo komt de verbondsnaam "Jehovah" slechts ongeveer 30 malen voor , terwijl "God", de Schepper, meer dan 200 maal genoemd wordt.

Het derde boek, Psalm 73-89, bevat de geschiedenis en de wegen van gansch IsraŽl, van hun ontstaan als volk af tot hunne volle zegening onder de regeering van den Messias. Christus in koninklijke genade is de hoop der natie. - "Jehovah" komt 50 maal, "God" ongeveer 30 maal voor.

Het vierde boek, bevattende Psalm 90-106, beschrijft den stroom van zegen, die over IsraŽl, de volken en de geheele schepping wordt uitgestort. De Joden zijn het middelpunt, en Jeruzalem is het centrum van alle aardsche zegening en heerlijkheid. - Zooals vanzelf spreekt, komt in dit boek bijna uitsluitend de verbondsnaam "Jehovah" voor. Meer dan 100 maal vinden wij dien naam; terwijl "God" slechts 20 maal voorkomt, en dan alleen in verband met de heerlijkheid des duizendjarigen rijks.

Het vijfde boek, Psalm 107-150, bevat bijna uitsluitend lofzangen. De vijftien liederen Hammašloth, dat is trapliederen, kunnen zeer wel beschouwd worden als de opeenvolgende phasen van IsraŽls terugkeer tot Jehovah. Ė "God" komt hier slechts 30 maal voor, terwijl wij den naam "Jehovah" meer dan 230 maal vinden.