Een onverdeeld hart voor den Heer.

 

In DaniŽl VI wordt ons een heilige, een getrouw dienstknecht des Heeren voorgesteld. Wij zien over het algemeen in de Schrift, dat de heiligen hier op aarde een nederige, geringe en lage plaats innemen, hier evenwel hebben wij een heilige voor ons, die een hooge plaats inneemt. Koning Darius had hem met twee andere vorsten over honderd en twintig stadhouders gesteld; en van deze drie vorsten zou DaniŽl de eerste zijn; want wij lezen van hem: "Toen overtrof deze DaniŽl die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijker geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het geheele koninkrijk." Welk een hooge plaats bekleedde hij dus, omgeven door roem en eer! En van dien man lezen wij in dit hoofdstuk, welk een getrouwe dienstknecht des Heeren hij was. Kan dit ook van ons gezegd worden? Wandelen ook wij zoo getrouw als DaniŽl, een man onder het oude verbond? Wij moesten veel getrouwer wandelen. Wij hebben hier op deze aarde niets; wij zijn hier vreemdelingen en pelgrims; wij verwachten niets van deze aarde; onze blik is naar boven gericht, vanwaar wij onzen Heiland verwachten.

DaniŽl had nog veel, wat hem kon aftrekken en meÍvoeren. Hij was een vorst, had groote macht, veel aanzien en veel wijsheid, want de Geest van God werkte in hem. Hij leefde onder het oude verbond. En wij, wij hebben hier niets meer te zoeken, wij zijn met Christus gestorven, in Hem gezet in den hemel; wij verwachten Hem uit den hemel; zoodat al wat ons omgeeft, hemelsch is. Voor ons is het veel gemakkelijker om als heiligen te wandelen, en ach! hoe beschamend voor ons, hoe zeer staan wij nog ten achteren bij DaniŽl! hoe dikwijls nemen de aardsche dingen de eerste plaats in onze harten in, rijkdom, eer en wereldschgezindheid!

Hoe schoon is het, DaniŽl in zijne openbaring na te gaan. Daar de Geest Gods in hem werkzaam was, stond hij boven de twee andere vorsten, en dezen zochten iets tegen hem, daar zij hem benijdden. Hoe heerlijk is het dťze getuigenis van hem te vernemen: "Toen zochten die vorsten en die stadhouders gelegenheid te vinden tegen DaniŽl vanwege het koninkrijk, maar zij konden geen gelegenheid of misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd," Schoon getuigenis. Zij konden geen enkelen misstap vinden. Kan de wereld dit ook van ons zeggen? De wereld ziet zoo scherp, zij merkt zoo spoedig onze gebreken op. Zij ziet zeer spoedig, of wij als heiligen wandelen, of dat wij hier nog iets zoeken. Hoe menigmaal zegt de wereld niet: ja, deze menschen kunnen er wel over spreken, maar zij brengen het niet in beoefening; zij openbaren zich evenals wij; zij jagen naar geld, naar winst, evenals ieder ander; wij zien geen onderscheid bij hen. En ach! hoe treurig is dit. Hoe bedroevend voor het harte Gods, ons alzoo te zien wandelen. Maar hoe liefelijk voor zijn hart, het getuigenis van DaniŽl, uit den mond zijner vijanden! Het steeg tot Hem op als een liefelijke reuk. Wanneer wij, even als DaniŽl, hier beneden als heiligen wandelen, als gestorvenen met Christus, en de wereld ook van ons moet zeggen: zij spreken over deze dingen en brengen het ook in beoefening, er valt niets op hen aan te merken, zij zonderen zich geheel en al af, zij jagen niet naar de dingen dezer wereld, zij leven alleen voor hunnen God; hoe kostelijk, hoe liefelijk, zou zulk een getuigenis voor zijn hart zijn!

Het komt slechts op ťťne zaak aan, en die is: wat de eerste plaats in mijn hart inneemt. Of de Heer de eerste plaats inneemt, of dat het de dingen dezer aarde zijn. Neemt de Heer de eerste plaats in, gaat het ons alleen om zijnen wil te doen en zijnen Naam te verheerlijken, dan zullen wij als heiligen hier beneden wandelen. Zijn het daarentegen de dingen dezer wereld, dan zal er veel gebrek bij ons gevonden worden. Het eerste had bij DaniŽl plaats, en vandaar deze onberispelijke wandel. Zijne vijanden zochten, ja, bedenken wij het wel, zij zochten, maar konden niets vinden. Zij legden alles nauwkeurig op de weegschaal, maar het baatte niets; de weegschaal ging ten allen tijde ten voordeele van DaniŽl over. Welk een heerlijk getuigenis! Ja, wij hebben wel reden ons te schamen, zooveel ontrouw, zooveel gelijkvormigheid aan de wereld bij ons te ontdekken, en wij zijn den Heer tot oneer.

Zooals wij gezien hebben, konden zij aangaande het leven van DaniŽl, aangaande zijnen wandel hier beneden, niets vinden. Daarop zochten zij gelegenheid tegen hem in de wet zijns Gods, in zijne dienst voor God. Alzoo gingen de vorsten en de stadhouders met hoopen tot den koning, en lieten hem een gebod onderteekenen, dat niemand in dertig dagen een verzoek mocht doen aan eenigen god of mensch, behalve aan den koning; daarbij voegende, dat al de vorsten des rijks zich beraadslaagd hadden, dit tot een gebod te stellen. Dit was een leugen. Want DaniŽl, die de hoogste der drie vorsten was, en die bij den koning zeer in aanzien was, dien hij zeer lief had, was hiervan geheel en al onbewust. Ja, het was zelfs om zijnen ondergang te doen. Door deze leugen wisten zij de oogen des konings te verblinden en hem in hun net te krijgen. De koning teekende het gebod, en nu was de ondergang van DaniŽl verzekerd.

Zooals wij lezen, had DaniŽl een zomerhuis, en daarin een opperzaal met opene vensters tegen Jeruzalem. Daar was hij gewoon drie tijden 's daags op zijne knieŽn te vallen, te bidden en belijdenis te doen voor zijnen God. DaniŽl vernam het gebod des konings, en hij wist, dat het, naar de wet der Meden en Perzen, niet verbroken kon worden, en toch ging hij rustig zijnen gang, en liet zich in zijne eeredienst hierdoor niet storen. Wel wist hij, dat hem niets anders wachtte dan in den kuil der leeuwen geworpen te worden, maar nochtans wilde hij zijnen God loven en prijzen, zooals hij gewoon was. En wij lezen: "Toen nu DaniŽl verstond, dat dit schrift geteekend was, ging hij in zijn huis, (hij nu had in zijne opperzaal opene vensters tegen Jeruzalem aan) en hij knielde drie tijden 's daags op zijne knieŽn, en hij bad en deed belijdenis voor zijnen God, ganschelijk gelijk hij voor dezen gedaan had. Toen kwamen die mannen met hoopen, en zij vonden DaniŽl biddende en smeekende voor zijnen God." Menigeen zou misschien anders gehandeld hebben, als hij in DaniŽlís plaats geweest was. Menigeen zou gedacht hebben: "ja, ik zal evengoed drie tijden 's daags bidden, ik zal mijne eeredienst niet verminderen, maar ik zal het nu 's morgens vroeg doen, wanneer niemand mij ziet, en 's avonds, wanneer allen slapen, vervolgens 's nachts om twaalf uur; zoo ga ik evengoed driemaal in het gebed, ik kan rustig mijn gang gaan en niemand zal mij bespieden. Het is den Heer toch hetzelfde, of ik 's morgens of 's avonds bid, een uur vroeger of later." - Ja, zoo zou menigeen denken, maar DaniŽl dacht zoo niet. Hij deed, zooals hij gedaan had voor dezen. Het was niet, omdat hij juist op hetzelfde uur wilde bidden en danken maar omdat zijn God de eerste plaats in zijn hart had, en

koning Darius de tweede. Had hij naar het gebod geluisterd, of had hij de uren zijner godsdienstoefening veranderd, wijl dat gebod was uitgegeven, dan had koning Darius de eerste en zijn God de tweede plaats gekregen, dan had hij den koning meer gehoorzaamd dan God. Hoe treffend! Liever in den kuil der leeuwen, dan zijn God de tweede plaats te geven. Liever door de leeuwen opgegeten, dan den koning te gehoorzamen. Dit zien wij ook bij de drie jongelingen in den vurigen oven; zij wilden geen anderen god aanbidden dan hunnen God. Liever worden zij in den oven geworpen, dan het beeld te aanbidden; liever met vuur verbrand, dan Nebukadnezar te gehoorzamen, en hunnen God te verloochenen. Is dit ook zoo bij ons? Heeft de Heere God ook bij ons de eerste plaats in het hart? DaniŽl had alles voor Hem veil: eer, aanzien en rijkdom, en hij verkoos in den kuil der leeuwen geworpen te worden. Is Hij ons ook dierbaarder dan al het goud en allen rijkdom, eer en aanzien dezer wereld? Gaat het ons ook slechts om zijnen naam te verheerlijken, en zijn wij gewillig om smaad en hoon, vervolging en verachting voor Hem te ondervinden? Of zouden wij eerder het uur der aanbidding verzetten, ten einde er onbespied en zonder letsel af te komen? Hoeveel reden hebben wij ons te schamen, wanneer wij het leven van DaniŽl nagaan, hij een man onder het oude verbond, die verstoken was van de vele voorrechten, welke wij bezitten.

Maar waarom kon DaniŽl aldus handelen, waarom nam zijn God de eerste plaats in zijn hart in? Wij lezen: "En hij knielde drie tijden 's daags op zijne knieŽn." Ja, driemaal 's daags bad hij tot zijnen God, driemaal 's daags oefende hij gemeenschap met Hem; en daarin vond hij zijne kracht; daardoor leerde hij zijnen God meer kennen; daardoor kreeg de Heer meer waarde voor hem. Ziedaar de oorzaak. Het gebed is voor ons zoo noodig; en ik vraag u: maakt gij er ook veel gebruik van? Hoeveel wordt het gebed nagelaten! 's Morgens is men te laat opgestaan, ís middags heeft men het te druk met zijne bezigheden, dan zijn de kinderen om ons heen; 's avonds, ja, dan moet men gaan slapen; men is te vermoeid; en op deze wijze wordt het gebed nagelaten. Hoe heerlijk is het echter, wanneer men alleen is in zijn kamertje om Hem te loven en te prijzen. Hoe aangenaam, wanneer 's avonds de kinderen zich ter ruste begeven hebben, en wij alleen zijn, en alles zoo stil om ons heen is, onze knieŽn te buigen voor onzen God en Vader, Hem te loven en te prijzen, en onze harten voor Hem uit te storten; ja, welk een kracht ligt daarin voor ons.

DaniŽl ging drie tijden 's daags, maar wij zullen het niet driemaal daags, maar zonder ophouden doen. Wij lezen: "Bidt zonder ophouden." - Wij moeten in een voortdurend gebed zijn, in een voortdurende gemeenschap met God, onze eenige gedachte zal steeds zijn: wat wil God, dat ik doen zal, waarmede kan ik zijnen Naam verheerlijken; dat zal de ware kracht voor onzen wandel zijn.

Dan zien wij, dat DaniŽl in zijn gebed slechts bad, loofde en prees. Geen angstgeschrei kwam over zijne lippen, geen vrees noch benauwdheid werd bij hem gevonden, geen roepen om verlossing; neen dank en lof! Hoe beschamend! Wanneer wij ons in zulk een toestand bevonden, wanneer ons niets anders te wachten stond dan de kuil der leeuwen, hoe geheel anders zou onze openbaring zijn. Als wij in nood zijn, dan worden wij door angst gedreven, en roepen uit: "O God, verlos mij! o God, erbarm U over mij! o God, red mij uit deze benauwdheid!" Ja, wanneer ook anders geen gebed bij ons gevonden wordt, dŠn kunnen wij wel bidden; wanneer wij ook anders den Heer niet noodig hebben, dŠn loopen wij Hem aan. Maar waar wordt dan die lof, die dankzegging gevonden, welke bij DaniŽl gevonden werd? Daaraan denkt men zoo weinig. Zoo dikwerf denkt men slechts aan zichzelven. Ook al zijn er geen bepaald ernstige omstandigheden aanwezig, waarin angst en nood ons drijven, dan nog wordt er zoo weinig lof en aanbidding in ons gebed gevonden, ook dan zijn wij nog zoozeer met onszelven bezig. Bij DaniŽl is het niet alzoo; want terwijl hem het verschrikkelijkste te wachten staat, looft en prijst Hij nochtans zijnen God gelijk voorheen, toen hij nog in eer en aanzien was; en dit alleen, omdat zijn God de eerste plaats in zijn hart innam.

DaniŽl werd bespied door zijne vijanden, en hij werd ter dood veroordeeld. En was geen uitweg voor hem. Zij gingen tot den koning, en deelden hem dit mede. Koning Darius was zeer bedroefd, toen hij het hoorde, want hij beminde DaniŽl. Nu werd de leugen openbaar, maar nu was het laat. De koning was in het net gevangen; de wet der Perzen en Meden mocht niet verbroken worden. Ziedaar Darius in een beklagenswaardigen toestand! Hij had zich tot god laten maken. Aan geen god mocht eenig verzoek worden gedaan alleen aan hem. Hij stond dus boven aan. Dertig dagen werd hij tot god gemaakt, en reeds op den eersten dag had hij er zich over te beklagen, reeds op den eersten dag moest hij zien, dat zijn knecht, welken hij liefhad, veroordeeld werd om in den leeuwenkuil geworpen te worden, en hij kon hem niet verlossen. Welk een arme god was Darius! Arme god! hij kon niet slapen, toen DaniŽl in den kuil was geworpen, alhoewel hij een zacht bed had, Arme god! wel had hij een groot paleis; pracht en sieraad omgaf hem, maar hij was bedroefd, hij liep onrustig heen en weer, hij liet geen vreugdespel voor zich brengen, hij bleef nuchteren. Arme god! dŠŠr zat zijn dienstknecht in den kuil der leeuwen, hij wilde hem uitredden, maar hij kůn niet. Wij zien hierin dat, hoe hooger de mensch zich verheft, hoe afschuwelijker hij wordt.

Maar DaniŽl, in den kuil der leeuwen, over wien Darius zich zoo beangstigde, was niet ongerust; hij zat rustig te midden der hongerige leeuwen; hij zat rustig, dŠŠr waar niets dan een schrikkelijke dood hem wachtte. Hij had Darius niet tot god, neen! hij had een anderen God, die over alles te gebieden had, dien hij steeds diende, die hem liefhad. Waarom zat hij daar zoo rustig, vol vrede in het hart? Omdat hij overgegeven was aan zijnen God; omdat hij alles in diens handen stelde; omdat hij door zijne gemeenschapsoefening met Hem, zijne liefde en zijne trouw had leeren kennen. Hij had voorzeker gehoord van zijne trouw ten opzichte van de drie jongelingen. Die God kon ook hem uitredden uit den muil der leeuwen. Hetzelfde geloof vinden wij bij de drie jongelingen in den vurigen oven. Wij lezen in DaniŽl 3 : 16 "Sadrach, Mesach en Abednego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: Wij hebben niet noodig u op deze zaak te antwoorden. Zal het zoo zijn, onze God, dien wij eeren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o koning! verlossen. Maar zoo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden." - Volkomene overgegevenheid, volkomen vertrouwen op hunnen God! Hij had de eerste plaats in hunne harten; Hij moest verheerlijkt worden; al het andere stond ten achteren. Liever in den oven geworpen, liever levend verbrand, indien het niet anders kon zijn, dan hunnen God te onteeren of te verlagen. En zoo ook bij DaniŽl! Door zijnen omgang met God, door het voortdurend gebed had hij zijnen God in zijne almacht en trouw leeren kennen; hij was ook geheel en al aan Hem overgegeven.

Wij zien, dat ook Darius eenige hoop had, dat de God van DaniŽl hem zou verlossen, want hij zegt in vers 17: "Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosse u!" En toen hij in den morgenstond naar den kuil ging, riep hij: "O DaniŽl, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?" Een straal van hoop was in zijn hart, dat die God, dien DaniŽl geduriglijk eerde, ja eerde, terwijl de leeuwenkuil voor hem geopend was, een getrouwe God moest zijn, dat deze hem wel verlossen zou.

Darius daarentegen, die zichzelven tot god had laten verheffen, was vol droefheid en angst, hij kon niets doen. Hij kon de wet der Meden en Perzen niet verbreken; hij kon zijnen zoon niet geven om in DaniŽls plaats in den kuil der leeuwen geworpen te worden. Hij had DaniŽl lief, doch kon geen vinger tot zijne verlossing uitsteken. Maar hoe schoon zijn de woorden van den knecht des levenden Gods: "Toen sprak DaniŽl tot den koning: O koning! leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijnen Engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan. Toen werd de koning bij zichzelven zeer vroolijk, en zeide, dat men DaniŽl uit den kuil zou trekken. Toen DaniŽl uit den kuil opgetrokken was, zoo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijnen God geloofd had." Ziedaar een man, die in zijnen God geloofde, en alles aan Hem overgaf. O, vanwaar zooveel onrust, angst en vrees bij ons, als wij in moeielijke omstandigheden zijn? Hebben wij niet veel heerlijker voorrechten? Weten wij niet, dat DaniŽls God niet alleen onze God, maar ook onze Vader is? DaniŽl wordt vele malen de "zeer gewenschte man" genoemd door God, maar wij zijn zijne geliefde kinderen;" en dit is veel meer. Wanneer ik een knecht heb, dien ik zeer op prijs stel, met wien ik vertrouwelijk omga, zoo kan ik hem van harte liefhebben; maar de band, die er tusschen mij en mijn kind bestaat, wordt toch niet gevonden. Zoo is het met ons. DaniŽl was "de zeer gewenschte man, de getrouwe knecht des Heeren," maar de innige band van een kind tot zijnen vader bestond toen nog niet. Doch wij kunnen op Hem rekenen als op onzen liefhebbenden Vader. En welk een onuitsprekelijke liefde woont er in Hem voor ons! Wat Darius niet kon, vermocht Hij. Hij gaf zijnen eenigen, zijnen geliefden Zoon, opdat wij het oordeel niet zouden dragen. De Heer sprak tot DaniŽl door een engel, door droomen; maar dit behoeft niet meer, want Hij heeft zich aan ons geopenbaard door zijnen Zoon, en ons alles medegedeeld in zijn Woord. De Heer Jezus is ons Voorbeeld, Gods Woord het richtsnoer voor onzen wandel. Waarom wordt er dan bij ons zooveel vrees en angst gevonden? Weten wij dit alles niet? Ja, voorzeker; wij weten dit alles wel, maar wij wandelen nog zoo weinig als heiligen hier beneden; wij zoeken nog zoo zeer de dingen, die op deze aarde zijn; wij zijn nog zoo weinig overgegeven, en berusten nog zoo weinig in den wil van onzen Vader.

DaniŽl zat te midden der hongerige leeuwen, maar zijn hart was in rust; hij rustte in zijnen God; zooals Die het maakte, was het hem goed. Wanneer wij in nood zijn, wanneer de Heer ons iets ontneemt, wanneer onze zaken tegenloopen, wanneer smaad of vervolging ons wacht, welk een onrust, welk een gejaagdheid wordt er dan soms bij ons gevonden. Welk een smeeken tot God, in plaats van in zijnen wil te berusten, Hem de eerste plaats in ons hart te geven. Is dit het geval, dan zullen alle andere dingen moeten wijken; dan zullen wij alles voor schade en drek achten, dan zullen wij alles kunnen dragen, indien zijn Naam slechts verheerlijkt wordt, dan zal ons vertrouwen alleen op Hem gesteld zijn. De Heer Jezus zegt tot ons (zijne discipelen): "Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde;" en: "opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven." De Heer wil, dat wij gelukkig zijn, vol vrede in het hart; en dit kan plaats hebben, wanneer wij in een voortdurend gebed zijn met onzen Vader, geen stap verder gaan zonder te vragen, wat Hij wil, en dan geheel en al overgegeven zijn.

Daarna zien wij, dat zij, die DaniŽl openlijk beschuldigd hadden, en hem meenden in het verderf te storten, op bevel des konings in den kuil geworpen werden, zij met hunne vrouwen en hunne kinderen, en dat de leeuwen, vůůrdat zij nog op den grond waren, hen opaten. Het waren dezelfde leeuwen, in wier midden DaniŽl zoo rustig gezeten had, zoodat er geen schade aan hem gevonden werd, want God had hunnen muil toegestopt.

Wij leeren uit deze geschiedenis, hoe heerlijk het is, indien men als een heilige hierbeneden wandelt. "Ja, maar wij zijn zoo zwak, onze wandel is zoo gebrekkig," hoort men dikwijls zeggen. Al ben ik nog zoo zwak, mijne verantwoordelijkheid om als een heilige te wandelen, wordt daardoor niet weggenomen. Ontbreekt mij wijsheid, ik kan ze van God begeeren. Wij zien bij DaniŽl, dat een voortreffelijker Geest in hem was; en wij lezen in de Schrift: "indien aan iemand uwer wijsheid ontbreekt, hij begeere haar van God, die aan allen mildelijk geeft en niet verwijt, en zij zal hem gegeven worden." Een iegelijk van ons is verantwoordelijk. Bij DaniŽl zochten zij naar iets, waarvan zij hem beschuldigen konden, doch vonden niets. Kan dit de wereld ook van ons zeggen? Wandelen wij met onze kinderen, met onze dienstboden en knechten, in ons werk op zulk een wijze, dat zij ook bij ons niets vinden kunnen, ja, dat zij moeten zeggen: deze leeft geheel en al voor zijnen God, en dient Hem getrouw? De Heer Jezus is het Licht der wereld, en wij lezen in Joh. 1 : 5. "En het licht schijnt in de duisternis" en in Fil. 2 : 15 : "Opdat gij moogt onberispelijk en rein zijn, onstraffelijke kinderen Gods in het midden van een verdraaid en verdorven geslacht, onder welken gij schijnt als lichten in de wereld." Wij moeten hier beneden als zijne getuigen wandelen, en dit zal strekken tot verheerlijking van God.

O, lieve lezer! moge de Heer toch de eerste plaats in onze harten innemen! Mogen wij toch ons gansche vertrouwen op Hem stellen! Hij is het zoo waard! Hij doet nimmer beschaamd uitkomen, die op Hem bouwen. Zoo God vůůr ons is, wie zal tegen ons zijn? Met Hem vermogen wij alles. Niemand kan voor Hem bestaan. Geven wij ons daarom met vast vertrouwen, met een onverdeeld hart aan Hem over! Rust en vrede zal dan ons deel zijn en Gods Naam zal worden verheerlijkt.