JEZUS' ARMOEDE ONZE RIJKDOM.

 

Arm te zijn is niet begeerlijk. Velen verlangen naar rijkdom en eer, doch niemand zal zeggen: Was ik maar arm! En geen wonder. Arm te zijn wil niets anders zeggen, dan aan het noodige gebrek te hebben, in kommer en ellende terneer te zitten, van anderen afhankelijk te zijn. En toch is er iets, dat nog erger is. Iemand, die in armoede geboren en opgevoed is, die zijn leven lang in kommervolle omstandigheden heeft doorgebracht, is in betrekkelijken zin daaraan gewoon; hij weet niet beter; hij heeft nooit anders gekend. Maar als men rijk is, en men wordt dan arm; als men alles had, wat men begeerde, en men heeft dan aan alles gebrek; als men in eer en aanzien verkeerde, en men moet dan van aalmoezen leven, zie, dat is verschrikkelijk. Van zulk een toestand kan zelfs een arme, die altijd arm was, zich geen begrip vormen.

Welnu, geliefden! in zulk een toestand was onze Heer Jezus Christus, toen Hij hier beneden rondwandelde. Hoort wat de Apostel van Hem zegt: "Gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden." (2 Kor. 8 : 9.) Kostelijke woorden! Gezegende openbaring! Wonderbare, onuitsprekelijke liefde! Heerlijk heilgeheim, waarin de engelen zich verheugden, en 't welk wij, door Gods genade, vol aanbidding en vreugde aanschouwen.

Hij was rijk. Ja, rijker dan de rijkste vorst op aarde. Alle schatten waren zijn eigendom. Het goud en het zilver waren zijn. Hemel en aarde behoorden Hem toe. Het heerlijk Vaderhuis was zijne woning. De duizende engelen waren zijne dienaren. De aarde was een voetbank zijner voeten. Alle macht, alle heerschappij kwam Hem toe. Alles vloog op zijne wenken. Alle krachten stonden Hem ten dienste. Slechts n woord uit zijnen mond, en wat niet was, bestond. Hij was de Schepper zelf - de Schepper van het heelal. De Koning der koningen en de Heer der heeren.

En dit alles verliet Hij; dit alles gaf Hij prijs. Den hemel der heerlijkheid verwisselde Hij met deze arme, zondige aarde, vol kommer en ellende. Hij werd een mensch zooals wij, zonder zonde voorzeker, afgescheiden van de zondaren, maar toch een mensch zooals wij, in alles den broederen, die Hij verloste, gelijk. (Hebr. 2 : 17.) Zijne goddelijke heerlijkheid verbergde Hij achter de nederige gestalte van een timmermanszoon. Van zijne macht en majesteit deed Hij afstand; zijn heerschersstaf legde Hij neer, om een dienstknecht, een slaaf te zijn hier beneden. Hoort slechts, wat de Apostel zegt: "Die, in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode gelijk te zijn , maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens slaafs aannemende, den menschen gelijk geworden zijnde; en in gedaante gevonden als een mensch, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises." (Fil. 2 : 6-8.) Hij was in de gestaltenis Gods, d.i. Hij was Gode gelijk, Hij was zelf God, en behoefde derhalve de Godheid niet te rooven, zooals de eerste Adam had trachten te doen. Maar Hij vernietigde zichzelven, d.i., Hij ontdeed zich van zijne goddelijke heerlijkheid en majesteit, en nam de gestalte van een slaaf aan. Hij hield niet op God te zijn. O neen! Dit was onmogelijk. Hij kon zijne heerlijkheid verbergen, zijne majesteit prijsgeven, zijn heerschersstaf neerleggen, maar zijn wezen kon Hij niet veranderen. Hij bleef, hoewel Hij als mensch hier beneden wandelde, hoewel Hij slavenwerk verrichtte, (zie Joh. 13) nochtans altijd de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is. (Joh. 1 : 18.) Dit was Hij van eeuwigheid; dit was Hij hier beneden; dit is Hij nu in den hemel, tot in alle eeuwigheid. Hij was, hoewel Hij zich als leeraar in Isral met Nicodemus onderhield, nochtans de Zoon des menschen, die in den hemel is. (Joh. 3 :13.) Al had Hij ook voor het oog der wereld geen gedaante noch heerlijkheid; al was er ook voor de ongeloovige Isralieten geen gestalte aan Hem, dat zij Hem zouden begeerd hebben; (Jes. 53 : 2.) zoo ontdekte nochtans het oog des geloofs onder die nederige gedaante de heerlijkheid en majesteit Gods. "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" - zoo luidde de belijdenis van Petrus, door vleesch en bloed hem niet geopenbaard, maar door den Vader, die in de hemelen is. Telkens en telkens weer vertoonde zich die goddelijke heerlijkheid. Denkt slechts - om n voorbeeld te noemen - aan dat schoone tooneel op het meer van Tiberias. Daar lag Jezus, door vermoeienis uitgeput, te slapen in het achterste gedeelte van het schip. Door den storm beangst, wekken de discipelen Hem op, en roepen Hem toe: "Meester! bekommert het u niet, dat wij vergaan?" En de Heer rijst op uit den slaap, en als de Almachtige, "die den wind in zijne vuisten verzamelt," en "de wateren in een kleed heeft gebonden" bestraft Hij den storm en doet de golven bedaren. Wonderbare vereeniging der goddelijke en menschelijke natuur! De mensch, die daar, niet in schijn, maar werkelijk, door den arbeid vermoeid, ligt te slapen, is God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid. Neemt een ander voorbeeld - de geschiedenis van den stater. Onder de gestalte van een schatplichtige des keizers aanschouwen wij de heerlijkheid van den Heer der gansche aarde, van de zee en hare volheid. Als zoon was Hij vrij, nochtans betaalt Hij de schatting; maar die schatting doet Hij komen uit het hart der zee. Op hetzelfde oogenblik, dat Hij cijnsbaar wilde zijn, is de volheid der aarde aan Hem onderworpen. En bij een andere gelegenheid zien wij onder de nederige gedaante van een gewoon bruiloftsgast, den Schepper van hemel en aarde het water in wijn veranderen. En zoo zouden wij kunnen voortgaan. Honderde bewijzen zijn er aan te voeren. Gelijk de zon, als zij achter de wolken verborgen is, nochtans van tijd tot tijd hare heldere stralen vertoont, zoo ziet het geloof de goddelijke heerlijkheid van Jezus gedurig te voorschijn treden achter de nederige gedaante van den Menschenzoon.

Voor het uitwendige evenwel had Hij geen gedaante noch heerlijkheid. Niet in Griekenland of Rome werd Hij geboren, maar in het kleinste land der wereld. En in dat land woonde Hij, niet in Jeruzalem, de koninklijke stad, maar in het verachtste gedeelte des lands, zoodat de Joden smalend zeiden: "Onderzoek en zie, dat er uit Galilea geen profeet is opgestaan." En van dat verachte gedeelte koos Hij zich de kleinste stad ter woning, zoodat Nathanal uitriep: "Kan uit Nazareth iets goeds zijn!" Daar in dien vergeten achterhoek der aarde bracht Hij het grootste gedeelte zijns levens door. Dertig jaren leefde Hij als een onbekend burger hier beneden. Welk een vernedering! Maar in die vernedering welk een grootheid en heerlijkheid! De Schepper van hemel en aarde, de Heer der heeren en de Koning der koningen, God geopenbaard in het vleesch, vertoefde dertig jaren hier beneden, zonder dat iemand zich om Hem bekommerde, terwijl bijna niemand wist, dat Hij er was. Als een arme timmermanszoon sleet Hij zijne dagen in vergetelheid en eenzaamheid - zoo zelfs, dat er van al die jaren geen enkele gebeurtenis in de Schrift staat opgeteekend, dan zijn optreden in den tempel op twaalfjarigen leeftijd. Wie knielt hier niet in aanbidding neer! Vol bewondering hebben voorzeker de engelen hunne blikken gericht naar dat kleine, verachte Nazareth, waar hun Heer en Koning, niet enkele dagen, maar dertig lange jaren, als ware Hij een gewoon mensch - een mensch zonder beteekenis, doorbracht. Waarlijk, ik kan mij niets verheveners denken. Geen tooneel uit Jezus' levensgeschiedenis maakt zulk een indruk van goddelijke grootheid en heerlijkheid op mij, dan die jaren zonder geschiedenis. Elk oogenblik had Hij uit zijn schuilhoek te voorschijn kunnen komen, en toch Hij bleef daar tot op den bepaalden tijd voor ieders oog verborgen.

Jezus was rijk, en Hij werd arm. Ja, armer dan een van ons, armer dan de armste mensch. Niet in een koninklijk paleis; maar in een stal werd Hij geboren. Als een profetie voor geheel zijn volgend leven was er geen plaats voor Hem in de herberg. Een beestenkribbe was zijne eerste rustplaats. Wonderbare aanblik! Gods Zoon liggende als een hulpeloos wicht in een kribbe! Z arm waren Jozef en Maria, dat, toen zij hem in den tempel den Heere voorstelden, zij slechts een paar tortelduiven of twee jonge duiven konden offeren. Te Nazareth hielp Hij Jozef in zijn werk, en voorzag Hij als timmerman in zijne eigene behoeften. (zie Mark. 6 : 3.) En toen Hij openlijk in Isral was opgetreden, toen had Hij geen plaats, die Hij de zijne kon noemen. De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft geen plaats, waar Hij zijn hoofd kan neerleggen. Het gansch heelal behoorde Hem toe, en toch kon Hij op aarde geen enkel stukje grond, geen enkel huis het zijne noemen. Geld had Hij evenmin. Wat Hij voor zich en zijne discipelen noodig had, werd Hem gegeven door anderen. Enkele vrouwen onderhielden Hem van hare goederen; (Luk. 8 : 3.) Judas droeg de beurs, en in die beurs was het geld, dat gegeven werd; (Joh. 12 : 6.) en van dit geld maakten zij gebruik, zoowel om in hunne, behoeften te voorzien, als om den armen te geven. (Joh. 13 : 20; Joh. 4 : 8.) Soms was er geen geld. Toen de ontvangers van de schatting voor den tempel aan Petrus vraagden: "Uw meester betaalt hij de didrachmen niet?" en Petrus met zijne gewone overijling toestemmend had geantwoord, was er geen geld om te betalen. Ware er geld voorhanden geweest, Jezus zou geen stater uit de zee hebben doen opkomen. Nooit deed Hij een wonder voor zichzelven. En deed Hij er een voor anderen, dan gebruikte Hij toch steeds hetgeen voorhanden was.

Bedenken wij hierbij, dat Jezus elk oogenblik de omstandigheden, waarin Hij was, veranderen kon. Vooronderstel, gij waart arm, maar gij hadt de macht om u in n oogenblik rijk te maken, zoudt gij het niet doen? Voorzeker; gij zoudt er u niet over bedenken. Welnu, de Heer Jezus had de macht om het te doen; doch Hij deed het niet. Hij was niet alleen rijk en werd arm, maar toen Hij arm was, kon Hij, indien Hij wilde, elk oogenblik rijk zijn. Hij kon vijfduizend mannen met weinige brooden verzadigen, ja, zelfs maken, dat er meer overbleef, dan er geweest was; en toch zat Hij als een moede pelgrim, hongerig en dorstig, bij Jakobs fontein neder, en werd de schuldenaar voor een dronk waters bij een arme, overspelige vrouw. Hij kon geld in overvloed uit de zee doen opkomen, en toch liet Hij zich onderhouden en dienen door de vrouwen, en wandelde als een arme vreemdeling door Palestina's steden en dorpen. Hij kon water in wijn veranderen, maar toen Hem hongerde in de woestijn, weigerde Hij om van steenen brood te maken. Met n woord deed Hij de bende krijgsknechten ter aarde vallen, en trad in den hof, ter bescherming zijner discipelen, als bevelhebber op; en toch liet Hij zich binden en gevangen nemen. Twaalf legioenen engelen stonden Hem ten dienste om Hem te verlossen, doch Hij gebruikte ze niet; integendeel als een lam ging Hij ter slachtbank, en als een schaap, dat stemmeloos is voor dien, die het scheert, gaf Hij zich over in den schandelijken kruisdood. Elk oogenblik was Hij bij machte verandering in zijnen toestand te brengen en zich met al de goederen der aarde te omringen; doch Hij deed het niet. Hij was arm en veracht, een man van smarten en door lijden verzocht. Hij was moede, en hongerig, en dorstig. Hij werd gehoond en berispt, geslagen, bespuwd en gegeeseld - met n woord, Hij was voor het natuurlijk oog de onwaardigste onder de menschen. Niemand begeerde Hem; allen wendden ten slotte hun aangezicht van hem af, en verdreven Hem van den aardbodem. Wonderbare liefde! Onuitsprekelijke genade!

Want ja, zijne vernedering was een vrijwillige. "Gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was," zegt de Apostel. Voorzeker, de Vader zond zijnen eeniggeboren, veelgeliefden Zoon op deze aarde om voor ons te lijden en te sterven, en Jezus was aan het bevel des Vaders gehoorzaam tot den dood, ja, tot den dood des kruises. Dit verklaart ons de liefde Gods ten onzen opzichte, en de volmaakte gehoorzaamheid van Jezus. Het was zijne spijze den wil te doen des Vaders, die in de hemelen is. Maar de Zoon kwam ook uit zichzelven, gedreven door de liefde zijns harten, met innerlijke ontferming bewogen over ons lot. Komende in de wereld, zegt Hij: zie, ik kom om uwen wil te doen; o God! In de gestaltenis Gods zijnde, achtte Hij het geen roof God gelijk te zijn, maar vernietigde zichzelven, en nam de gestaltenis van een slaaf aan. Gelijk een slaaf in Isral, zoo liet Hij zijn oor doorboren, gaf zich vrijwillig over, om den wil van God te volbrengen. Hij wist, waarom Hij den hemel verliet en op aarde verscheen. Hij wist al wat Hem daar wachtte. Het einde van den weg kende Hij van het eerste oogenblik af. Hij deed het vrijwillig. Het is de genade van onzen Heer Jezus Christus. Het is niet alleen een bloote uitvinding van den menschelijken geest, maar den Heer onwaardig, als men leert, dat Jezus als kind niet wist, wie hij was, en slechts langzamerhand door de lezing des Ouden Testaments en de merkwaardige voorvallen bij zijne geboorte tot het vermoeden, en van het vermoeden tot de zekerheid kwam, dat Hij de beloofde Messias was. Om te verklaren wat onmogelijk verklaard kan worden, neemt men de toevlucht tot dergelijke, Gode onwaardige, voorstelling. Men vergeet, dat de Zoon des menschen tevens de Zoon van God is; dat Hij, hoewel een waarachtig mensch, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde, nochtans was de eeniggeboren Zoon des Vaders, die in den schoot des Vaders is; en hoewel op aarde wandelende, toch tegelijkertijd in den hemel zich bevond. En bovendien, de geschiedenis van den twaalfjarigen Jezus in den tempel werpt de geheele theorie omver. Of zou men waarlijk meenen, dat, wanneer Jezus tot Maria zegt: "Wist gij niet, dat ik zijn moest in de dingen mijns Vaders?" hij de beteekenis dier woorden niet begreep, en zich zijner zending niet ten volle bewust was? De Schrift leert ons duidelijk, dat zijne komst op aarde, zijn wandelen hier beneden, zijne overgave aan al de moeiten, zorgen en ellenden des levens een daad was van zijnen eigenen wil. Bij al wat Hij deed, wist Hij, waarom Hij het deed. Elke nieuwe vernedering was een nieuwe daad van zelfverloochening, een nieuwe genade, welke Hij openbaarde.

Indien wij aldus Jezus' leven op aarde beschouwen, hoe groot en heerlijk wordt ons dan zijne liefde. Vol bewondering en aanbidding buigen wij ons voor Hem neer. Ja, Hij had ons lief, z lief, dat Hij alles, alles voor ons prijs gaf - zijne hemelsche en aardsche heerlijkheid, zijne grootheid en majesteit, zijne macht en heerschappij, alles, tot zelfs zijn eigen leven! Hij gaf niet alleen alles, wat hij had, Hij gaf zichzelven. Hoe meer wij dit verstaan, des te meer zal onze ziel zich aan Hem verbonden gevoelen. Al wat schoon en heerlijk is op deze aarde verdwijnt daarbij in het niet; zelfs de heerlijkheid des hemels is daarbij niet te vergelijken. De liefde zijns harten toch is meer dan de heerlijkheid. De heerlijkheid is een deel van Hem; de liefde is Hij-zelf, God is liefde, en Jezus is het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. Dit deed Paulus zeggen: Ik acht alle dingen schade en drek bij de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, mijnen Heer. Wonderbare genade, dat wij verwaardigd zijn om ons te verlustigen in Hem, die de vreugde, het welbehagen des Vaders is - verwaardigd zijn om alzoo gemeenschap te hebben met God, van nu aan tot in eeuwigheid.

Ja, van nu aan tot in eeuwigheid! Want hoort slechts wat Paulus zegt: "Gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden! Om onzentwil. Hij was rijk en werd arm, en dit deed Hij om onzentwil. En waarom? Hij wilde ons rijk maken. Er wordt hier niet gesproken van de verzoening of van de verlossing, hoewel wij weten, dat wij onmogelijk rijk konden worden, indien wij niet eerst met God verzoend en van de zonde en den dood verlost waren. Op andere plaatsen der Schrift wordt ons dit duidelijk geleerd. Hier wil de Heilige Geest ons de diepe vernedering van den Heer Jezus voorstellen, en de liefde, die Hem dreef om zich aldus te vernederen. En uit dit oogpunt beschouwd, zijn wij door de armoede van Jezus rijk geworden. Ware Hij in den hemel gebleven, had Hij zichzelven niet vernederd, ware Hij niet een arm mensch, een slaaf hier beneden geworden, wij hadden onmogelijk rijk kunnen worden. Hij moest alles verlaten om ons alles te kunnen geven; Hij moest in onze ellende neerdalen, om ons uit onze ellende te kunnen opheffen; Hij moest de laagste plaats op aarde innemen, om ons te kunnen dienen. En zie, dat heeft Hij gedaan, en daardoor zijn wij rijk geworden.

Rijk geworden, ja, geliefden! en wel zoo rijk als Jezus is. Hoort slechts, wat Hij-zelf zegt in zijn gebed tot den Vader. "Ik heb U verheerlijkt op de aarde; ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen; en nu verheerlijk mij, Gij Vader! bij U zelven, met de heerlijkheid, die ik bij U had, eer de wereld was." Dit bidt Hij voor zichzelven. En de Vader heeft Hem verhoord, en Hem gezet aan zijne rechterhand in den hemel, en Hem daar met eer en heerlijkheid gekroond. Maar dan bidt de Heer voor ons. "En ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in mij gelooven zullen opdat zij allen n zijn, gelijk Gij, Vader! in mij, en ik in U, dat ook zij in ons n zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt. En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij n zijn, gelijk als wij n zijn; ik in hen, en Gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in n, en opdat de wereld bekenne, dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij mij liefgehad hebt. Vader! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt, want Gij hebt mij liefgehad vr de grondlegging der wereld." Voorwaar, dit overtreft al onze gedachten. Als de Heer zelf het niet gezegd had, wij zouden het onmogelijk kunnen gelooven. Niets minder toch dan de eigene heerlijkheid, die Jezus van den Vader ontvangen heeft, zal ons deel zijn. Zijne heerlijkheid zullen wij aanschouwen en met Hem deelen. Daar, waar Hij is, zullen wij zijn. Dezelfde liefde, waarmede de Vader Hem liefheeft, is de liefde, waarmede wij bemind worden, en waarin wij ons eeuwiglijk zullen verlustigen. Ja, Hij heeft ons tot kinderen Gods gemaakt, en omdat wij kinderen zijn, zijn wij ook erfgenamen. Van wien? Van God zelven. En omdat Hij, de Zoon, de erfgenaam is van alles, wat de Vader heeft, zijn wij erfgenamen met Hem. Jezus is de eerstgeborene veler broederen. Nu reeds zijn wij in Hem, maar wij zullen eeuwig met Hem zijn. Wij zullen Hem zien gelijk Hij is, en Hem gelijk zijn. Van het oogenblik af, dat Hij ons opneemt in den hemel, in het Vaderhuis met zijne vele woningen, zullen wij altijd bij en met Hem zijn. Welk een rijkdom! Een onverderfelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis is ons deel. Deze erfenis wordt in de hemelen voor ons bewaard, en wij, de erfgenamen, die nog hier beneden vertoeven, worden in de kracht Gods bewaard tot de zaligheid. Die erfenis bestaat in al wat God aan Christus gegeven heeft, en dit is alles wat Hij bezit. Maar meer dan de erfenis is onze vereeniging met Christus, is het wonen in het Vaderhuis, is het genot van Jezus' liefde en van de liefde des Vaders. O, moge de Heer ons geven, dat wij ons nu reeds meer verlustigen in de oneindige liefde van Jezus, in de onuitsprekelijke heerlijkheid van zijn Persoon! Een heerlijkheid z groot, dat de hemelen haar niet bevatten kunnen - z groot, dat zij de onuitputtelijke bron zal blijven van ons genot en van onze vreugde.