Het huisgezin te BethaniŰ.

 

LAZARUS.

 

Na Martha en Maria komt Lazarus - de laatste van het gezegende drietal te BethaniŰ. Veel wordt ons van hem niet gemeld, maar toch genoeg om er enkele oogenblikken bij stil te staan. Zelfs zullen de weinige bijzonderheden, die van hem staan opgeteekend, bij eenig nadenken, ons uiterst belangrijk en vertroostend voorkomen. Er is een stem des Heeren in deze geschiedenis van Lazarus. Ook het zwijgen is soms welsprekend. Lazarus is de type van een groote schaar van discipelen van Jezus.

Er zijn vele geloovigen, die weinig bekend zijn. Niet alleen zijn hunne namen onbekend in het land, maar zelfs in de stad of het dorp hunner inwoning zijn er slechts weinigen, soms maar een enkele, die hen kennen. In eenvoudigheid gaan zij hunnen weg. Groote dingen verrichten zij niet. Bijbellezingen of evangelie-predikingen houden zij niet, om de eenvoudige reden, dat zij dit niet kunnen. Zelfs in de vergadering hoort men zelden of nooit hunne stem. Anderen liggen maanden en jaren op hun ziekbed uitgestrekt, of zitten altijd opgesloten binnen de enge muren hunner woning, schijnbaar niets anders doende dan lijden en dulden. Menige huismoeder is, als het ware, verscholen in de drukte van het huishouden en van de kinderen. Zijn zij minder dan de anderen? O neen! Zij beslaan de plaats, door God hun aangewezen. Er zijn sierlijke en onsierlijke leden in het lichaam, zegt de Apostel. Er zijn niet alleen apostelen en profeten, herders, leeraars en evangelisten in de gemeente, maar ook behulpsels. Worden aan den een vijf, en aan den tweede drie talenten gegeven, de derde ontvangt er ÚÚn. Hebt gij vijf talenten ontvangen, en gij gebruikt ze niet, dan zult gij geoordeeld worden; hebt gij er ÚÚn ontvangen, en gij handelt daarmede verstandig, dan zult gij loon ontvangen. Wees niet traag, als God u vele gaven geschonken heeft. Besteed ze met ijver en trouw. Maar hebt gij er weinige ontvangen, wees dan tevreden met hetgeen gij hebt. Denk niet, dat gij onnut de aarde beslaat. Het talent, dat God u gaf, is juist voldoende voor u, de plaats, die God u aanwees, is juist voor u geschikt; de omstandigheden, waarin gij verkeert, zijn voor u juist de meest geschikte en gezegende. Veel kunt gij misschien niet doen, maar bedenk, dat, wat gij doet, even gewichtig en noodig is als hetgeen anderen verrichten. Wat gij doet, schijnt u zoo klein en zoo nietig, maar bedenk, dat God gansch anders oordeelt. Het onbeduidendste lid van een lichaam is even noodzakelijk als al de andere leden. De kleinste schakel kan in een ketting niet gemist worden, of het geheel valt uit elkaar. Gij moogt onbekend zijn bij de menschen, bij God zijt gij niet vergeten.

Zie, dit leert ons de geschiedenis van Lazarus. Lazarus was zulk een stille in den lande. Slechts in ÚÚn Evangelie wordt zijn naam genoemd. De eerste maal, dat wij van het huisgezin te BethaniŰ hooren, vernemen wij geen enkel woord van Lazarus. Hadden wij alleen de geschiedenis in Lukas 10, wij zouden niet eens weten, dat Martha en Maria nog een broeder hadden. Ook MattheŘs en Markus, die ons, evenals Johannes, de zalving van Jezus door Maria verhalen, vermelden geen woord van Lazarus. Alleen in Johannes' Evangelie hooren wij van hem. Doch hetgeen wij daar van hem hooren, bevestigt wat ik zoo oven zeide: Lazarus was een stille in den lande. Geen enkele daad wordt ons van hem medegedeeld, geen enkel goed werk wordt er van hem vermeld, geen enkel woord staat er van hem opgeteekend. Wij vernemen, dat hij krank was en stierf; dat Jezus hem opwekte uit de dooden, en dat hij daarna met Jezus aanzat aan den maaltijd bij Simon den melaatsche. Ziedaar alles. Hoe onbeduidend! zal menigeen zeggen. Ja, zoo denken wij, maar zoo denkt God niet. Als wij een oogenblik bij de geschiedenis in Joh. 11 en 12 stilgestaan hebben, zult gij misschien heel wat anders zeggen. Dat onbeduidende leven zal een leven van groote, heerlijke beteekenis voor u worden, en gij zult God danken, dat Hij ons nevens Martha en Maria ook Lazarus' beeld heeft geteekend.

"En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van BethaniŰ. Zijne zusters dan zonden tot Jezus, zeggende: Heer, zie, dien gij liefhebt, is krank." Ziedaar de eerste meededeeling. En de tweede is: "Jezus nu had Martha, en hare zuster, en Lazarus lief." Ja, niet alleen de bedrijvige Martha en de zoo innig aan Hem verbondene Maria, maar ook Lazarus. En die liefde van Jezus tot Lazarus was zoo duidelijk zichtbaar geweest, dat de zusters de boodschap tot den Heer konden zenden: "Heer, zie, dien gij liefhebt, is krank." Zie, dat is treffend en schoon. Onze liefde bepaalt zich dikwerf naar het karakter en de hoedanigheden der geloovigen. De goddelijke liefde daarentegen omvat allen. Liefde tot alle heiligen te hebben, was een toestand door Paulus hoogelijk geprezen.

Jezus had Lazarus lief, zˇˇ lief, dat Hij tot de discipelen zegt: "Lazarus, onze vriend, slaapt." Onze vriend - hoe gemeenzaam! Niet mijn vriend, maar onze vriend. Hij verbindt de discipelen met zich, 't Is alsof zij ÚÚne familie uitmaken. Welk een nederbuigende goedheid! Ja, de geloovigen zijn op de nauwste, op de innigste wijze met Jezus verbonden. "Ik heet u niet meer dienstknechten, maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt.'' Zˇˇ sprak Jezus tot zijne discipelen. Later, na de opstanding, gaat de Heer nog verder. Toen heette Hij de discipelen zijne broeders. Hij de eerstgeborene veler broederen , zegt: "Ga heen tot mijne broeders, en zeg hun: ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God." Hij schaamt zich niet ons broeders te noemen. (Hebr 2 : 11.)

Doch keeren wij tot de geschiedenis term,. "Lazarus, onze vriend slaapt," zegt Jezus. Is dat niet heerlijk? Die onbekende, stille Lazarus, die door Martha en Maria geheel in de schaduw gesteld wordt, uit wiens mond wij geen enkel woord hooren, van wien geen enkele daad staat vermeld, die Lazarus is een vriend van Jezus. Gij, die daar vergeten op een zolderkamertje woont, gij zijt een vriend van Jezus. Gij, die den kring uwer kinderen niet kunt verlaten, en uw leven slechts wijden kunt aan hunne opvoeding en verzorging, gij zijt een vriendin van Jezus. Gij , die daar op uw ziekbed ligt uitgestrekt, en slechts zelden een geloovigen ontmoet, gij zijt een vriend, een vriendin van Jezus. Dit vergoedt alles. Denk daar veel aan. Er is geen trouwer vriend dan de Heer. O, Hij bemint de zijnen zoo teer! Hij kent al hunne behoeften, en nooden, en zorgen; en op zijn tijd en op zijne wijze wil Hij daarin voorzien. Denk niet, dat Hij u vergeet, nu Hij in den hemel woont, en met heerlijkheid is gekroond. O neen! Hij is dezelfde, als toen Hij hier beneden wandelde. Hij is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Hij weet, waar gij woont; Hij kent uw adres. Denk slechts aan de geschiedenis van Saulus en Ananias. Tot Ananias zegt de verheerlijkte Heer: "Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen, want zie, hij bidt." Zoo kent Hij ook uw naam; zoo weet Hij ook de straat, waarin gij woont, het nummer van uw huis, het kamertje, waar gij uw verblijf houdt. En Hij weet al wat gij doet. Zie dat is heerlijk en vertroostend! Al zou niemand u kennen: Hij kent u. Al zou iedereen u vergeten, Hij vergeet u niet. Hoe arm en veracht gij ook zijt, voor Hem zijt gij niet te arm, niet te veracht. Hij zoekt u, en bewijst u zijne vriendschap. O, dat gij steeds zijne tegenwoordigheid moogt bespeuren! Hoe gelukkig zou uw leven zijn, hoevele zegeningen zoudt gij genieten!

"Lazarus, onze vriend slaapt," zegt de Heer. Onze vriend; ja Lazarus was niet alleen de vriend van Jezus, maar ook de vriend der discipelen. Hebt gij ook een vriend? Niet alleen onder de begaafden en bekenden, ook onder de stillen in den lande? Een vriend of vriendin op een zolderkamertje? Een kranke, die door niemand wordt bezocht? Een beproefde, die door allen is verlaten? Een weduwe of een wees? O, doe als Jezus! zoek uwe vrienden ook onder dezulken.

Doch hiermede is de geschiedenis van Lazarus niet ten einde; neen! het belangrijkste moet nog komen. Die stille, schijnbaar onbeduidende man werd een belangrijk persoon, van wien gansch Jeruzalem gewaagde. Wat zegt de Heer, toen Hij vernam, dat Lazarus krank was? "Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods daardoor verheerlijkt worde." Heerlijke woorden! Deze krankheid zou zijn ter heerlijkheid Gods. De Zoon van God zou er door verheerlijkt worden. Gods macht zou zich openbaren, en Jezus zou als Zoon van God zijne heerlijkheid tentoonspreiden. De Heer gaat niet terstond naar BethaniŰ, maar blijft twee dagen, waar hij was. Lazarus sterft, en wordt begraven. Daar komt Jezus, en Lazarus wordt uit de dooden opgewekt. Hoewel hij reeds vier dagen in het graf gelegen had, staat hij op uit de dooden. Als een toonbeeld van Jezus' goddelijke macht staat hij daar. Het grootste wonder, ooit door Jezus op aarde verricht, werd aan hem gedaan. Waar de dood reeds zijne vernielende macht was begonnen, daar triomfeert de Heer over den dood en zijne vreeselijke gevolgen, en roept Lazarus in het leven terug. Welk een eer voor Lazarus! Wat niemand anders te beurt viel, dat viel hem te beurt. Wat met hem plaats vond, was ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon van God zou verheerlijkt worden. Hoe zal hij zich hebben verblijd! Jezus had hem lief; Jezus noemde hem zijn vriend; Hij had die liefde ondervonden, die vriendschap genoten; en nu mocht hij een toonbeeld van Jezus' heerlijkheid zijn. En meer nog,. Wij lezen, dat velen uit de Joden, die tot Maria gekomen waren om haar te vertroosten, nadat zij aanschouwd hadden, wat er gebeurd was, in Jezus geloofden. (Joh. 11 : 45.) Zoo werd hetgeen er met hem plaats vond, hetgeen de Heer aan hem deed, een middel tot bekeering van zondaren. Ja, zulk een indruk had de opwekking van Lazarus gemaakt, dat een groote schaar der Joden, verstaande dat Jezus in BethaniŰ was, daarheen kwam, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zien zouden, dien Hij uit de dooden opgewekt had. (Joh. 12 : 9.)

Is dit alles niet treffend, lieve lezer? Valt er niet veel uit te leeren? Gij hebt misschien weinige gaven; gij spreekt niet in de vergadering; gij kunt geen bezoeken maken; gij zijt een stille in den lande - en toch kunt gij ter heerlijkheid Gods zijn. Een ieder op zijne wijs en naar zijne maat. Dat is heerlijk. Wees slechts getrouw; doe slechts wat uwe hand vindt om te doen; geef u slechts geheel aan de leiding des Heeren over; en Hij zal alles heerlijk doen uitkomen. Opdat de Zoon van God verheerlijkt worde, zijn geen schitterende gaven noodig. Die kan verheerlijkt worden op het krankbed, zoowel als in de vergadering; in uw dagelijksch werk, zoowel als in de prediking des evangelies; in den huiselijken kring, zoowel als in den arbeid onder de heidenen. Het komt er maar op aan, of wij die plaats innemen, ons door den Heer aangewezen. Zijt gij een behulpsel, en wilt gij tot elken prijs een profeet zijn, dan zult gij slechts een ellendig namaaksel kunnen leveren van die heerlijke gave Gods; en bovendien zult gij de gave u verleend niet kunnen besteden. 't Ligt niet in het groote en schitterende, maar in de genade des Heeren. Is ieder lid op zijn plaats, dan dient elk tot de opbouwing des lichaams en tot verheerlijking van het hoofd.

"Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods." Welk een troost voor kranken en lijdenden! Zij weenen zoo dikwijls, dat zij niets doen kunnen, dat zij slechts onnut de aarde beslaan. O, denk dit niet, gij, die krank zijt en lijdt. Denk aan Lazarus. Die was niet alleen krank, maar hij was gestorven, en toch werd de Zoon van God in hem verheerlijkt. Al is het niet op dezelfde wijze, toch kan dit met u ook het geval zijn. Indien gij geduldig zijt en zachtmoedig; indien ge niet klaagt of zucht; indien ge u verblijdt in den Heer, en roemt in de verdrukking, dan wordt de naam van God en van Jezus door u verheerlijkt. De wereld zal moeten bekennen, dat alleen een Christen zˇˇ vermag te lijden. Onder het lijden te juichen, op het krankbed zich te verblijden, en anderen te kunnen troosten, dat is de triomf des geloofs. Bij het naderen van den dood niet alleen kalm en rustig, maar gelukkig en verblijd te zijn, dat toont ons de kracht van het Christendom, de kracht van het geloof in Jezus. Ik kan mij niets heerlijkers denken! Een Christen vroolijk te zien sterven, verkwikt altijd mijne ziel. Menig ongeloovige is er door getroffen geworden en tot nadenken gebracht. Aldus wordt Gods Naam verheerlijkt.

Nog twee dingen lezen wij van Lazarus. Na zijne opwekking uit de dooden zat hij met Jezus aan in het huis van Simon, den melaatsche. Uit het verhaal in Joh. 12 blijkt, dat Lazarus een belangrijk persoon geworden was. In het eerste vers lezen wij: "Jezus dan kwam zes dagen vˇˇr het pascha te BethaniŰ, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hij opgewekt had uit de dooden." En in het tweede vers wordt ons meegedeeld, dat Lazarus een was van hen, die met Jezus aanzaten. Wat zal dat een vreugde voor Lazarus geweest zijn! Met Jezus aan te zitten, nadat de Heer hem zulk een groote genade bewezen had, en zijne almachtige kracht zoo heerlijk aan hem had geopenbaard. Ook hij had Jezus beter leeren kennen. Ook hij had in den Heer een vriend gevonden, zooals er geen tweede op aarde bestond. Zalige oogenblikken zullen het voor Lazarus geweest zijn! En dan, hij werd verwaardigd om de smaadheid van Jezus te dragen. De Joden hadden besloten om Jezus te dooden, en nu beraadslaagden zij, om ook Lazarus te dooden. Niets was natuurlijker dan dit. Lazarus was een levende getuige van de goddelijke macht van Jezus. Al wie naar BethaniŰ ging, kon daar de geschiedenis van Lazarus' opwekking hooren verhalen, en Lazarus zelven zien. Honderden gingen daarheen. Dit ergerde en verbitterde de Joden; en daarom besloten zij niet alleen Jezus, maar ook Lazarus te dooden. Zoo deelde Lazarus in de smaadheid van Jezus. En om Jezus' wil te lijden is een groote eer, een heerlijk voorrecht. "Acht het voor groote vreugde, mijne broeders! wanneer gij in menigerlei verzoekingen valt." (Jak. 1.) "U is uit genade gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te gelooven, maar ook voor Hem te lijden." (Fil. 1 : 29.) "Indien gij lijdt om der gerechtigheid wil zoo zijt gij zalig." (1 Petr. 3 : 14.) Voor Jezus te lijden is derhalve een genade, het is louter vreugde, het is zalig voor het hart. Dit voorrecht viel Lazarus te beurt. Noch van Martha, noch van Maria lezen wij zulks. De stille, vergetene, schijnbaar onbeduidende Lazarus ontving deze groote eer. Hoe schoon en treffend is dit! De Heer weet de nederigen te verhoogen, de kleinen en zwakken op te heffen en te sterken.

Zoo is dan ook Lazarus een belangrijk persoon voor ons geworden. Het weinige, dat ons van hem wordt medegedeeld, is gewichtig en leerrijk genoeg. 't Is waar, hij trad niet op den voorgrond, hij nam de bescheidenste plaats in huis in; zijn naam wordt slechts enkele keeren genoemd; van wat hij deed of sprak, staat geen woord vermeld; maar hij werd door Jezus bemind; Jezus noemt hem zijn vriend; Hij wordt een getuige van de opstandingsmacht van Jezus, en een deelgenoot van Jezus in het lijden en den smaad. Naast de bedrijvige Martha en de overgegevene Maria staat de stille, schijnbaar onbeduidende Lazarus. Zijn beeld mocht op de schilderij niet ontbreken. De toestand der geloovigen is zeer verschillend. Gelijken velen op Martha, bevinden slechts weinigen zich in den toestand van Maria, menigeen zal zijn beeld in Lazarus geteekend vinden. De Heer zorgt voor alles, ook in dit opzicht. Voor alle geloovigen, hoe verschillend hun toestand en karakter ook zijn moge, gaf Hij aanwijzingen. Niemand behoeft verlegen te staan. Geen enkele wordt zonder troost en bemoediging heengezonden. Het Woord Gods voldoet aan allen en voor alles. En wat boven alles heerlijk en kostelijk is voor het hart, is, dat Jezus al de zijnen met teedere liefde omvat, en hen leidt en zegent, vermaant en vertroost, naardat een iegelijk van noode heeft. Geve de Heer ons genade, om steeds zijne stem te onderscheiden en naar zijne woorden te luisteren!