Het huisgezin te BethaniŽ.

 

MARIA.

 

Maria van BethaniŽ - welk een reeks van aangename en liefelijke gewaarwordingen knoopt zich vast aan dezen naam! Wie gevoelt zich niet aangetrokken door de stille vroomheid van deze discipelin des Heeren! Hoe kalm en rustig was zij. Geen overijling of haast vindt men bij haar. Zij was vol begeerte om te leeren, en zij was een voortreffelijke scholier. Beter dan alle anderen wist zij in Jezus' gedachten en voornemens door te dringen. Zij wachtte haar tijd af; zij deed niets zonder de overtuiging van in 's Heeren weg te zijn; en op het juiste oogenblik diende zij den Heer. Hoe innig was zij aan Jezus verbonden. Hoeveel schoonheid en heerlijkheid vond hare ziel in Hem. Altijd was zij dicht bij Hem. Voor Hem liet zij alles staan. Zij genoot Hem. En de Heer gevoelde zich wederkeerig tot haar aangetrokken. Wij kunnen het er veilig voor houden, dat Maria, als het ware, de magneet was, die Hem telkens naar BethaniŽ trok. Het huis van Martha was voor Jezus niet alleen een plaats van lichamelijke rust, maar ook van geestelijke verkwikking; want daar vond Hij een ziel, die in Hem haar alles gevonden had, en aan wie Hij zich geheel kon openbaren en mededeelen. Was het gesprek met de Samaritaansche een liefelijke spijs voor zijne ziel, hoeveel te meer zal Maria's belangstelling in zijnen Persoon een' verkwikking, geweest zijn voor zijn hart.

Welk een onderscheid tusschen de bedrijvige Martha en de stille Maria! Wie, naar den oppervlakkigen schijn oordeelende, in het huisgezin te BethaniŽ had vertoefd, zou Martha boven Maria hebben gesteld. Martha toch was de hoofdpersoon in huis, Maria nam de tweede plaats in. Martha trad steeds op den voorgrond, Maria trok zich bescheiden terug. Vol ijver is Martha aan het dienen, terwijl Maria stil zit te luisteren. Maar schijn bedriegt. Hoewel Martha meer de aandacht tot zich trekt, zoo is Maria nochtans onze aandacht dubbel waard. Al is zij niet de hoofdpersoon in huis, zij is nochtans, in geestelijk opzicht, de meerdere. Wordt het huis te BethaniŽ Martha's huis genoemd, van BethaniŽ zelf wordt gesproken als van het vlek van Maria en hare zuster Martha. (Joh. 11:1.) En waarlijk, hoeveel voortreffelijks wij ook bij Martha gevonden hebben, in de schaduw van Maria kan zij niet staan. In geestelijk leven verschillen zij hemelsbreed.

Dit is wel merkwaardig. Ieder toch, die een weinig de gemeenschap der heiligen kent en smaakt, zal hebben opgemerkt, dat er een groot onderscheid in geestelijk leven onder de geloovigen bestaat. De een is veel verder gevorderd in kennis en geloof dan de ander, de een heeft meer liefde dan de ander, is nauwgezetter, geestelijker, meer gescheiden van de wereld, nederiger. Dit is geenszins, in de eerste plaats, het gevolg van verschil van onderwijs, leiding of omgeving; o neen! men vindt dit onderscheid vaak bij geloovigen, die in dezelfde omgeving en onder dezelfde leiding zijn, en die hetzelfde onderwijs genieten. De zusters te BethaniŽ zijn hiervan een duidelijk bewijs. Waren zij niet in dezelfde omgeving? Verkeerden zij niet in dezelfde omstandigheden? Ontvingen zij niet beiden den Heere Jezus in hun huis? En toch welk een onderscheid tusschen die twee! Martha bekommerde en verontrustte zich over vele dingen, Maria had het goede deel uitgekozen. "Martha, Martha! Gij bekommert en verontrust u over vele dingen, maar ťťn ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, 't welk van haar niet zal weggenomen worden." Zoo sprak de Heer, die alle dingen weet, en het binnenste van het hart doorzoekt. En daarin lag de reden van het onderscheid in geestelijk leven tusschen de twee zusters. Martha had den Heer lief, maar zij dacht meer aan haarzelve en aan hare dienst dan aan den Heer. Dienen was voor haar het belangrijkste. Zonder dat geen leven voor Martha. Maria daarentegen had in Jezus iemand gevonden, die hare gansche ziel innam, aan Wien zij met haar geheele hart gehecht was, Wien te kennen voor haar het leven en de zaligheid was. Jezus was voor haar zoo schoon, zoo heerlijk, zoo aantrekkelijk, dat zij alles liet staan om naar Hem te luisteren, en zich in Hem te verlustigen. Was Hij in haar huis, dan zette zij zich aan zijne voeten, om zijne goddelijke onderwijzingen op te vangen en zich aan zijne woorden te laven. Geen oogenblik liet zij verloren gaan. Het zou haar onmogelijk geweest zijn om heen en weer te loopen, en allerlei dingen te verrichten, terwijl Jezus er was, en zoodoende de kostelijke uren voorbij te laten gaan, zonder van Hem te genieten. `t Was Maria te doen om den persoon des Heeren, Die trok haar aan. Niet wat Hij haar gaf, maar wat Hij was. Voorzeker de gaven van iemand, die ons liefheeft, zijn van belang, en verblijden ons; maar de persoon zelf is toch het voornaamste, wij verblijden ons in de gaven, omdat zij van dien persoon komen, die ons zoo dierbaar is.

Martha begreep hier niets van. Zij had zulk een schoonheid niet gevonden in Jezus, dat zij bij machte was om alles te laten staan en aan zijne voeten zich neer te zetten. Hare woorden tot Jezus bewijzen, hoe zij zich verwonderde en ergerde tevens. Voor Maria was dit alles behalve aangenaam. 't Was toch geen traagheid, dat zij Martha liet dienen, en zelf aan Jezus' voeten zat. Geen gebrek aan liefde voor Jezus ook; integendeel, hare liefde was veel inniger dan die van Martha. 't Zal haar wel gegriefd hebben, zoo miskend te worden. Maar hoe heerlijk weet de Heer haar te troosten. Hij verdedigt haar niet alleen, maar Hij stelt haar verre boven Martha. "Martha, gij bekommert u over vele dingen; maar Maria heeft het goede deel uitgekozen, en dat zal van haar niet weggenomen worden." Neen, de Heer laat niet toe, dat Maria opstaat om Martha te helpen. Zij moet aan zijne voeten blijven zitten; zij moet luisteren; Hij wil zich aan haar blijven openbaren; Hij wil haar verder onderwijzen; zij moet Hem nog meer en nog beter leeren kennen. Dat is zijne vreugde.

Eťn ding is noodig. In Jezus te gelooven? O ja, voorzeker; maar dat wordt hier niet bedoeld; want ook Martha geloofde. Eťn ding is noodig voor een iegelijk, die gelooft. En dat ťťne ding is: de persoon van Jezus boven alles dierbaar te achten. Voorzeker, wij hebben overvloedige reden ons te verblijden in de verlossing, die door Jezus teweeg gebracht is. Wij kunnen niet dankbaar genoeg zijn voor de genade, die ons deel geworden is. Wij hebben de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven; wij zijn kinderen Gods en erfgenamen met Christus geworden; de heerlijkheid daarboven wacht ons. Maar boven dit alles gaat de persoon van Christus. Ons in Hem te verblijden en te verlustigen, dat is het goede deel, 't welk Maria had uitgekozen. Hem te leeren kennen in al zijne liefde en genade, in al zijne schoonheid en heerlijkheid, dat is het ťťne noodige voor den Christen. Doen wij dit, dan volgen alle andere dingen vanzelf. Om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, den Heer, achtte Paulus alle dingen schade en drek. Ja, als wij door Jezus aangetrokken worden, dan bekoort ons niets meer. Als Jezus leeft in onze ziel, dan is al het andere de dood. Als onze blik op Hem geslagen is, dan wenden wij dien af van het ijdele en vergankelijke goed der aarde. "Gij zijt de schoonste onder tienduizenden, de schoonste der menschenkinderen, in U heeft mijne ziel een welbehagen, nevens U lust mij niets op aarde," zoo spreekt dan onze ziel. "Eťn ding doe ik, vergetende wat achter is, strek ik mij uit, het wit aanschouwende, naar den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus."

Hebt gij dat goede deel reeds uitgekozen, lezer? Is de Heere Jezus u boven alles waard? Zijt gij aan Hem verbonden met al de liefde uwer ziel? Trekt Hij u aan, zoodat gij gaarne zooveel mogelijk in zijne nabijheid vertoeft? O, het is bij Hem zoo goed, zoo heerlijk, zoo zalig. Niet alleen, wat Hij geeft, is heerlijk, maar Hijzelf is zoo schoon, zoo liefelijk. Ieder, die Hem waarlijk kent, hangt Hem aan. Kent gij Hem? Ik vraag u niet, of gij bekeerd zijt, of gij weet een kind Gods te zijn, of gij de vergeving hebt van al uwe zonden. Ik vraag u ook niet, of gij weet, dat Jezus uw Zaligmaker is. Dit alles kan waar zijn, dit alles kunt gij weten, zonder dat gij Hem waarlijk kent, gelijk Hij is, zonder dat zijn heerlijke Persoon u boven alles dierbaar is. Ach, vele geloovigen denken zoo weinig daaraan. Het peil van geestelijk leven is bij de meesten zoo laag. Er zijn meer Martha's dan Maria's. Het leven wordt veel meer gezocht in het verrichten van allerlei christelijke werkzaamheden dan in het kennen van Jezus, in het wandelen met Hem, in het luisteren naar zijne woorden. Ja, velen zijn er, die meenen, dat zij het toppunt van geestelijk leven hebben bereikt, als zij met zekerheid weten, dat zij kinderen Gods zijn. Hoe arm is zulk een leven! Hoe weinig wordt zoodoende de Heer verheerlijkt. Want al wat God verheerlijkt, kan alleen het gevolg zijn van het kennen van Jezus. Die Hem kent, heeft Hem lief. En die Hem lief heeft, doet gaarne wat Hij wil. Die Hem kent, gevoelt zich onweerstaanbaar tot Hem aangetrokken, en vindt niemand schooner dan Hem, en keert zich daarom van alles af, wat buiten Hem is. Die Hem kent, luistert gaarne naar zijne woorden, en leert daardoor meer en meer zijne gedachten verstaan.

Hebt gij dit goede deel uitgekozen, lezer? En hebt gij het behouden? Paulus kon niet alleen zeggen: "Wat mij gewin was, heb ik om Christus wil schade geacht;" maar ook: "ik acht alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, mijnen Heer." Christus was hem niet dierbaar voor een tijd, neen! voortdurend; ja, Hij werd hem gedurig heerlijker en dierbaarder. Zoo was het met Maria ook. Jezus werd haar altijd meer dierbaar. In den toestand, waarin wij haar de eerste maal ontmoeten, vinden wij haar telkens terug. Aan de voeten van Jezus, daar was hare eigenaardige plaats - de plaats, die zij zelve zich uitgekozen had. Aan de voeten van Jezus zat zij neer om te leeren - aan de voeten van Jezus lag zij om getroost te worden - aan de voeten van Jezus knielde zij om Hem hare dankbare hulde te brengen. Hare liefde verminderde niet, neen! zij nam toe. Zij leerde Jezus gedurig meer kennen en liefhebben, zoodat zij Hem eindelijk bracht het kostelijkste, wat zij had. Gaat het met u ook zoo, lieve lezer? Is Jezus u nu dierbaarder, dan toen gij Hem eerst leerdet kennen? Zoo behoort het te zijn. Is dit zoo niet, dan hebt gij niet met Hem gewandeld, dan zijt gij niet opgewassen in zijne kennis. Of is het misschien het tegenovergestelde met u? Hebt gij misschien uwe eerste liefde verlaten? Helaas! dit gebeurt dikwijls genoeg. 't Is zoo gegaan met de gemeente te Efeze. (Zie Openb. 3.) Hoe innig was zij aan Jezus verbonden, en hoe diep drong zij door in zijne gedachten en plannen, getuige de brief van Paulus aan haar. Maar zij verloor hare gehechtheid aan Jezus; haar hart verkoelde jegens Hem; Hij was niet meer haar ťťn en haar alles. De Heer gevoelde dit. Hoewel uitwendig alles nog in de beste orde was, hoewel alles nog even geregeld als vroeger zijn gang ging, en geen menschelijk oog een verandering zou hebben bespeurd, zoo gevoelde de Heer, dat de vurige liefde der ziel verdwenen was; en daarom zegt Hij: "gij hebt uwe eerste liefde verlaten." Is het met u misschien ook zoo? Ach, keer dan terug. Is Jezus u waarlijk eenmaal dierbaar geweest boven alles, en zijt gij nu van Hem afgeweken, o, keer dan toch weer! Wellicht zegt gij: "Maar ik doe niets kwaads, ik doe alles zooals vroeger." Dit is wel mogelijk, maar durft gij met de hand op het hart zeggen: de Heer weet, dat ik Hem nog even lief heb als vroeger, dat ik nog evenzeer aan Hem gehecht ben en Hem boven alles kies en begeer? Indien niet; o laat u dan niet door den schijn bedriegen; maar buig u neer voor Hem met schuldbelijdenis en berouw, en bekeer u , dat is, keer tot uwe oude liefde weer; laat opnieuw alles schade en drek worden om de uitnemendheid zijner kennis. Bedenk, de Heer heeft u nog even lief als vroeger, ja, Hij heeft u geen oogenblik minder lief gehad, ook toen uw hart koel werd en koud. Onuitsprekelijk zalig bewustzijn! Zijne liefde is onveranderlijk en eeuwig; van niets en niemand hangt zij af; zij heeft haar oorsprong in Hemzelven.

Maria had alzoo het goede deel uitgekozen, 't welk niet van haar zou weggenomen worden. En het is niet van haar weggenomen. Integendeel, zij is toegenomen in kennis en geloof, in liefde en toewijding aan den Heer. Hare verdere geschiedenis levert ons hiervan het treffende bewijs. 't Zal wel op haar aanraden zijn geweest, zou ik zoo denken, dat de zusters, toen Lazarus ziek werd, de merkwaardige boodschap tot Jezus zonden: "Heer! zie, dien gij liefhebt, is krank." Welk een vertrouwen in Jezus' liefde ligt in deze woorden opgesloten! En welk een rust tegelijkertijd. En dit was geheel in overeenstemming met de gemoedsstemming van Maria. Zij was kalm, bedaard en rustig. Roepen wij ons de aangrijpende omstandigheden van die dagen voor den geest. Lazarus werd krank. Maria en Martha zenden tot Jezus, natuurlijk in de stellige verwachting, dat de Heer dadelijk zal komen om Lazarus gezond te maken. Maar Jezus komt niet. Lazarus wordt erger en sterft. Lazarus wordt begraven, en ligt reeds vier dagen in het graf, en nog is Jezus er niet. Wat zal er veel in Maria's ziel zijn omgegaan in die dagen! Zij was bitterlijk bedroefd over den dood van haren geliefden broeder. Onverklaarbaar zal haar Jezus' toeven geweest zijn. Hoe gaarne had zij Hem bij zich gehad, al was het dan maar alleen om bij Hem hare smart uit te weenen. Maar toch, zij verloor haar geloof in Jezus' liefde niet. Hoe onverklaarbaar haar alles was, zij twijfelde er niet aan, of alles was, zooals het wezen moest. Bedroefd was zij, maar rustig tevens. Het bericht komt, dat Jezus naderde. Nauwelijks heeft Martha dit vernomen, of met hare gewone drift vliegt zij Hem tegemoet. En Maria? "Doch," lezen wij, "Maria bleef in huis zitten." Hoe schoon! Rustig wachtte zij de komst van Jezus af. Wat zou het haar baten, of zij Hem al tegemoet ijlde. In al die drukte kon zij Hem toch niet genieten, noch haar hart voor Hem uitstorten. Maar zie, daar keert Martha terug. "De Meester is daar, en Hij roept u," is hare boodschap. Nu kan zij niet langer blijven, zij staat haastelijk op, en gaat tot Hem.

Hoe heerlijk is dit! Die rust en die gehoorzaamheid leerde Maria in den omgang met Jezus. Wie met Jezus verkeert, wordt gelijk Hij. Wie met Hem wandelt, wordt zijn navolger. Onwillekeurig neemt men van Hem over. Zijne liefde, zijne rust, zijne nederigheid, zijne gehoorzaamheid wordt, als het ware, in ons overgestort. Deze zelfde geschiedenis is daarvan een treffend bewijs. Jezus ontvangt de boodschap, dat Lazarus krank is, en Hij blijft nog twee dagen in de plaats, waar Hij was. Was dit onverschilligheid? O, neen! Jezus had Lazarus - Jezus had Maria en Martha innig lief. Hij deelde in hunne droefheid; Hij gevoelde hunne smart. En toch bleef Hij rustig in de plaats, waar Hij was; niettegenstaande Hij wist, dat Lazarus in dien tijd sterven zou. Waartoe dit? Omdat het zijne spijze was te doen den wil des Vaders. De heerlijkheid Gods moest worden geopenbaard, en daartoe was het noodig, dat Lazarus stierf. En hoezeer Jezus' hart ook naar BethaniŽ heentrok, Hij bleef waar Hij was, omdat de Vader niet wilde, dat Hij gaan zou. En Maria? Handelde zij niet op dezelfde wijze? Hoewel zij vurig naar Jezus' komst verlangde, hoewel hare ziel smachtte om Hem te zien en te spreken, zoo bleef zij nochtans rustig in huis zitten, totdat er een boodschap van Jezus kwam, dat zij komen moest.

Doch er is hier meer te leeren. Wie op den rechten tijd Jezus' onderwijs genoten heeft, kan in droefheid zijne vertroosting en sympathie genieten. Als men bij het graf van een geliefden broeder staat, is het waarlijk niet de geschikte tijd om over de waarheid te gaan redeneeren. In zulke omstandigheden heeft men behoefte aan troost en medegevoel. Die vond Maria in ruime mate. Waar Martha een gesprek met Jezus aanknoopt over de waarheid, valt Maria aan zijne voeten neer, om in een stroom van tranen haar vol gemoed uit te storten. Waar Jezus Martha moet onderwijzen, kan Hij met Maria weenen. "Jezus weende." Aandoenlijke woorden! Toen Hij Maria zag weenen en de Joden, die met haar gekomen waren, ontroerde Hij in zichzelven. De ellende, door de zonde in de wereld gekomen, stond in al hare verschrikkelijkheid voor Hem. Door de zonde is de dood. En de dood had zijn vriend Lazarus weggenomen. De dood had de teederste banden verbroken, had het teederminnende hart van Maria verbrijzeld. Hij ontroerde in zichzelven; Hij weende. O, Hij wist het wel, dat de heerlijkheid Gods zich openbaren zou; dat eenige oogenblikken later het graf zijn prooi zou hergeven, en de droefheid in vreugde zou veranderd zijn. Maar dit nam niet weg, dat Hij nu in het midden van de ellende en de droefheid stond. Dit greep zijne ziel aan. Hij gevoelde met de lijdenden, ja, Hij gevoelde dieper dan zij gevoelen konden. Welk een troost voor Maria! Dat was balsem in de wonde. Dat heeft hare ziel verkwikt en gesterkt. Dat was een nieuwe ervaring van Jezus' onuitsprekelijke liefde - een nieuwe trek van zijne onvergelijkelijke schoonheid. Om dat te ondervinden, om op die wijze den Heer te leeren kennen, was het wel der moeite waard zulk een weg van smart en lijden te bewandelen. Hebt gij in smart wel eens een vriend gehad, die met u leed - in droefheid een vriend, die met u weende? Ja? Was dat niet heerlijk? Deed u dat niet ruimer ademhalen? Was het u niet, alsof de smart niet zoo zwaar, de droefheid niet zoo groot meer was? O, en dan een vriend te hebben als Jezus is, Die in alles is verzocht geweest, gelijk als wij, uitgenomen de zonde. Een vriend als Jezus, die altijd zeggen kan: Ik weet wat het is; ik ondervond het zelf; ik leed ook zoo; ik gevoelde diezelfde smart. Een zalige ondervinding is het, dat verzeker ik u. Maar denk er wel over na, dat deze ondervinding alleen door de Maria's en geenszins door de Martha's gesmaakt wordt. Om Jezus' medegevoel te smaken, moet men Hem kennen gelijk Maria Hem kende. Men moet zijn liefdevol hart kennen. Men moet het weten, dat men vrij tot Hem kan gaan met alle leed en smart, en aan zijne borst gerust mag uitweenen.

In die dagen van smart en rouw heeft Maria, voorzeker, veel geleerd. Haar geloof werd zwaar beproefd. De boom werd hevig geschud. Doch 't diende slechts, om de wortels dieper in de aarde te doen schieten. Bij Lazarus' krankbed verbeidde zij van dag tot dag Jezus' komst. Zij verwachtte Hem stellig. Doch Hij kwam niet. Ook niet op het laatste oogenblik. Lazarus stierf. Hare hoop was vervlogen. Hare verwachting teleurgesteld. Al kwam nu Jezus, het was toch te laat. Lazarus was niet meer. "Heer! waart gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorven," roept zij al weenende uit. Er was niets meer aan te verhelpen. De onverbiddelijke dood had haar broeder weggenomen. Nu, bleef er niets anders over dan Jezus' medelijdende liefde te genieten. En die genoot zij in volle mate. De Heer vertroostte zijne vriendin op uitnemende wijze. Maar Hij deed meer, Hij riep Lazarus in het leven terug. De heerlijkheid Gods moest geopenbaard worden. Daarom was Hij weggebleven; daarom was Lazarus gestorven, daarom moest Maria's hart als vaneengereten worden. Door den dood ging het tot het leven. Zoo ging het met Lazarus. Maar zoo ging het ook in Maria's ziel. Zij ging, als het ware, door den dood tot het leven. De banden, waarmeÍ zij aan Lazarus gebonden was, werden verbroken; en daarna werd Lazarus haar door den Heer wedergegeven.

Zoo zijn wegen van lijden en smart vaak wegen van zegen en genot. Door lijden gaat het tot de heerlijkheid. In letterlijken zin straks, als Jezus komt. Maar in figuurlijken zin reeds nu meermalen. Gods wegen zijn soms onbegrijpelijk. Ons gebed blijft soms lang onverhoord. In plaats van licht wordt het hoe langer zoo duisterder. In plaats van redding uit den nood schijnt de nood steeds hooger te stijgen. Wij zijn dan geneigd moedeloos te worden en te murmureeren. Doen wij dit niet. De heerlijkheid Gods zal geopenbaard worden. Het eind zal goed en heerlijk zijn. Aan het einde zullen wij God prijzen voor het lijden en de smart. De kastijding werkt een vreedzame vrucht der gerechtigheid voor hen, die er door geoefend worden. Maria wist niet, waarom Jezus niet kwam; maar daarna heeft zij het niet alleen begrepen, maar er Hem voor gedankt. Ware Lazarus niet gestorven, zij zou Jezus' sympathie niet hebben leeren kennen, en zij zou Gods heerlijkheid niet gezien hebben.

Deze heerlijke ondervinding verbond Maria's ziel nog inniger aan Jezus; zijn persoon was er haar te dierbaarder door geworden. En weldra zou zij gelegenheid hebben om dit op schitterende wijze te toonen. Jezus kwam weer te BethaniŽ, en wel zes dagen vůůr het pascha, zes dagen vůůr zijnen dood aan het kruis. In het huis van Simon den melaatsche wordt Hem een maaltijd bereid. Martha dient. Lazarus is een van hen, die met Hem aanzitten. Daar komt Maria met een pond zalf van onvervalschten zeer kostelijken nardus, en zalft de voeten van Jezus, en droogt ze af met hare haren. "Welk een verkwisting!" roept Judas uit; "die zalf is wel drie honderd penningen waard; welk een verkwisting, om die zoo doelloos uit te gieten; waarom ze niet verkocht en het geld aan de armen gegeven?" Waarom niet, Judas? Omdat Jezus meer waard is dan de armen. Gij begrijpt dit niet; o neen! gij zult voor dertig zilverlingen den Meester verkoopen. De andere discipelen begrijpen het ook niet. Maar Maria begreep het, en Jezus ook. Voor Maria was er niets zoo kostelijk, of Jezus was het waard. Het beste, het kostbaarste, wat zij had, dat gaf zij voor Hem. Niet om Hem een geschenk te geven; o neen! Zij voorzag geenszins in zijne behoefte; zij bereidde geen maaltijd voor Hem. Was dit hare bedoeling geweest; dan had zij de zalf moeten verkoopen, en het geld aan Jezus moeten geven, of voor dat geld zich iets moeten aanschaffen, dat Hem nuttig kon zijn. Maar dit deed zij niet. Zij kwam met de zalf, en goot die uit op zijne voeten. Zij wilde den Heer geen geschenk brengen; zij wilde Hem verheerlijken, Hem hulde bewijzen. Zijn Persoon was voor haar zoo onuitsprekelijk liefelijk en heŤrlijk, zijne schoonheid was voor haar zoo onvergelijkelijk, dat zij niet anders kon, dat Hem hare dankbare hulde te brengen. Jezus moest verheerlijkt worden, Jezus' naam moest worden groot gemaakt, Jezus' lof worden verteld. En het huis werd vervuld van den reuk der zalf. En Jezus noemde hare daad een goed werk aan Hem verricht. De offerande, door haar gebracht, steeg als een liefelijke reuk naar boven, en was aangenaam in Gods oogen.

Zie, waarde lezer! hier leeren wij wat aanbidding, wat eeredienst is. Een IsraŽliet in het Oude Testament, uit Egypte verlost, in de woestijn bewaard, gekomen in het beloofde land, bracht de eerstelingsvrucht van het land als een dankbare offerande aan God. Maria, vol van de heerlijkheid en schoonheid van Jezus, vervult het geheele huis met den reuk der zalf, die zij tot verheerlijking van Jezus op zijne voeten had uitgegoten. De ouderlingen in den hemel vallen, zoodra de lof van het Lam wordt verkondigd, op hunne knieŽn, werpen hunne kronen aan de voeten van het Lam, en aanbidden Hem, die hen kocht met zijn bloed. Zoo brengen wij, aan de tafel des Heeren gezeten, onzen lof en dank aan Hem, die voor ons leed en stierf. Maar om dit waarlijk te kunnen doen, moet onze ziel met Jezus' heerlijkheid zijn vervuld. Onze mond kan zingen, onze lippen kunnen zich bewegen, onze knieŽn zich buigen; maar indien ons hart niet ingenomen is met Jezus, indien wij Hem niet boven alles schatten, en zijne uitnemende schoonheid ons niet aantrekt, dan zal alles koud en zonder leven zijn. O, dat wij meer verstonden, wat aanbidding is. Dat onze ziel meer in een stemming mocht zijn, om Hem die geestelijke offeranden op te offeren, welke Hem zoo aangenaam zijn en zijn hart verkwikken!

Welk een heerlijk woord voor Maria, dat woord van Jezus: "Waartoe doet gij haar moeite aan? Want zij heeft een goed werk aan mij gedaan." Het was de tweede keer, dat de Heer zijne vriendin verdedigde. Eerst tegenover Martha, hier tegenover de discipelen. Door Martha werd zij van onverschilligheid, door de discipelen van verkwisting beschuldigd. Niemand begreep haar. Al wat zij deed, vond men zonderling en ongepast. Wel was dit grievend voor Maria. Wel zal het haar pijn gedaan hebben, zoo verkeerd te worden beoordeeld. Zij wist toch, dat wat zij deed, zij het alleen deed voor Hem, dien hare ziel beminde. Maar hoe heerlijk voor haar - Jezus begreep haar, Jezus waardeerde hare daad, Jezus verstond hare liefde, hare overgegevenheid aan Hem. "Waartoe doet gij haar moeite aan?" zoo neemt Hij haar in bescherming. Hij kan het niet dulden dat de vurige liefde van Maria wordt miskend, en dat men haar kwalijk bejegent. "Bestraf haar niet, grief haar niet; wat zij doet is geen verkwisting, neen! dit is een liefelijke offerande voor mij, het verkwikt mijne ziel; zij heeft een goed werk aan mij gedaan." Zie, dat was voor Maria genoeg. Als Jezus hare daad een goed werk noemde, als Jezus hare offerande aannam, wat bekommerde het haar dan, of niemand haar begreep, en allen haar bestraffen. Niet om door de menschen geprezen te worden, bracht zij hare kostelijke zalf, maar om den Heer te verheerlijken. En Hij verstond haar; Hij waardeerde haar werk; Hij was er mee ingenomen; Hij nam het vreugdevol aan. O, welk een blijdschap voor hare ziel! Hoe zullen er tranen van dankbare vreugde in hare oogen hebben geschitterd , toen zij deze woorden vernam! Geen woord komt er over hare lippen. Zoo min nu als de eerste keer. Zij stelt alles in zijne handen; zij geeft alles aan Hem over. Hij kent hare bedoeling, Hij kent haar hart, Hij weet, hoe lief zij Hem heeft. En zij heeft zich nooit, neen, nooit, in Hem bedrogen of teleurgesteld gevonden.

Waar had Maria al deze dingen geleerd? In de school van Jezus. Had zij niet aan zijne voeten gezeten, en naar zijne woorden geluisterd? Had zij Hem niet leeren kennen? Was zij niet doorgedrongen in de gedachten zijns harten? O, als men iemand vurig liefheeft, en veel in iemands gemeenschap verkeert, dan ontdekt men spoedig, wat hem aangenaam is, wat zijn hart verkwikt en verblijdt. Zoo had Maria Jezus leeren kennen. Zij wist, wat Hem behaagde. Zij kende het offer, dat een liefelijke reuk voor Hem zou zijn. En zij wist den juisten tijd om het te brengen. Juist daar, waar allen zich tegen Hem zouden verklaren, verklaarde zij zich vůůr Hem. Waar Hij door allen verworpen en bespot zou worden, verheerlijkte zij Hem. Ja, geliefde broeders! wilt gij werken doen, die de Heer goed noemt, dan moet gij veel in zijne nabijheid verkeeren. Wilt gij werken doen, die Hem behagen, dan moet gij zijne gedachten leeren verstaan. Vele dingen kan men verrichten, die op zichzelf goed te noemen zijn, maar die niet gedaan worden op zulk een wijze en op zoodanigen tijd, dat zij den Heere aangenaam zijn. Denk aan Martha. Wat zij deed, was voortreffelijk; en toch noemt de Heer dat geen goed werk aan Hem gedaan. In Jezus' gemeenschap alleen verkrijgt men die geestelijke onderscheiding, die ons leert, wat op ieder gegeven oogenblik den Heer aangenaam is. Stond het niet in den Bijbel, niemand zou er aan denken, dat het geven van een beker koud water door den Heer zal worden beloond. En toch is het zoo. Ja, de Heer oordeelt gansch anders dan de menschen. Wij zouden allicht de rijken geprezen hebben, die groote sommen gelds in de schatkist wierpen, Jezus prijst de arme weduwe, die slechts twee penningen bracht. Wij zouden allicht meenen, dat alleen zij, die vele gaven ontvangen hebben, voor Jezus kunnen arbeiden, de Heer zegt: "Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal den loon eens profeten ontvangen." Dit is heerlijk. Want nu kan iedereen goede werken verrichten. De arme zoowel als de rijke. De minder begaafde zoowel als de rijk begaafde. 't Is maar de vraag, of het werk, dat men doet, voor Jezus gedaan wordt. De Heer zegt: "zij heeft een goed werk aan mij gedaan." Menigeen geeft aalmoezen om door de menschen geprezen te worden. Menigeen spreekt en schrijft om met zijne gaven te schitteren. Velen zoeken zichzelven, of werken om te leven. Deze allen hebben hun loon weg. Slechts zij, die voor Jezus iets doen, die om zijnentwil en uit liefde tot Hem arbeiden, worden door den Heer gezegend en beloond. Deze moeten er echter op rekenen, dat zij, evenals Maria, niet alleen door de wereld, maar ook door vele geloovigen worden miskend en veracht. Wat Jezus een goed werk noemt, is in de oogen van velen traagheid of verkwisting. Doch laat ons dit niet in verwarring brengen. De goedkeuring van den Heer is beter dan die der menschen. Waar deze verdwijnt en met de omstandigheden verandert, blijft gene in eeuwigheid. De goede werken, hier verricht, volgen ons naar Boven.

Maria had door deze zalving van den Heer niet alleen een bewijs gegeven, dat zij wist, welke offerande Jezus welbehagelijk was, zij leverde er ook het bewijs door, dat zij in den geest des Heeren was doorgedrongen en met Hem sympathiseerde in de moeielijke omstandigheden, waarin Hij zich bevond. Jezus zelf zegt ons dit. "Toen zij deze zalf op mijn lichaam gegoten heeft, zoo heeft zij dit gedaan tot een voorbereiding van mijne begrafenis." Hoewel Maria zeker niet de bijzonderheden van Jezus' lijden en sterven heeft geweten, zoo had zij toch zooveel van Jezus' onderwijs begrepen, dat zij wist, dat zijn einde spoedig zon komen. Zij had een voorgevoel van het lot, dat Jezus wachtte. De vijandschap der Joden kende zij maar al te goed, en de woorden van Jezus hadden haar duidelijk doen zien, hoe Hij-zelf een vreeselijk einde verwachtte. Met het oog daarop had zij de zalf genomen en over Jezus uitgegoten. Misschien heeft zij wel gevreesd, dat er later, na Jezus' dood, geen gelegenheid tot zalven zou zijn. In elk geval geeft de Heer deze beteekenis aan hare daad. Hij neemt het aan als een voorbereiding voor zijne begrafenis. En het is merkwaardig, Maria van BethaniŽ was niet met de andere vrouwen bij het graf. Waartoe de anderen te laat kwamen, dit had zij reeds vooruit gedaan. Zoo kan men door gemeenschapsoefening met den Heer in zijne gedachten en gevoelens doordringen. Geen van de discipelen heeft Jezus begrepen. Van geen ander geloovige wordt ons verhaald, die Jezus' woorden heeft verstaan. Maria alleen begreep Hem. Niemand had sympathie met Jezus in zijn lijden en smart - alleen Maria van BethaniŽ. Welk een gelukkige plaats bekleedde zij! Jezus' hart door haar verkwikt! Jezus bij haar - bij haar alleen medegevoel vindende in zijne groote smart! "Voorwaar zeg ik" - zoo luidt daarom het woord des Heeren -"alwaar dit evangelie gepredikt zal worden, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft."