Het huisgezin te BethaniŰ.

 

MARTHA.

 

Hoe liefelijk was de indruk, die het. huisgezin te BethaniŰ op ons maakte! Met hoeveel liefde werd de Heer daar ontvangen, en hoe gaarne vertoefde Hij daar! Nadere kennis te maken met de verschillende personen, waaruit dat huisgezin bestond, zal ons zeker aangenaam en nuttig zijn. Want hoewel allen Jezus hartelijk liefhadden, en allen vurig door Hem bemind werden, zoo was er toch een groot onderscheid van karakter en geestelijk leven tusschen die drie. De Heilige Geest stelt ons dit onderscheid in enkele treffende trekken voor oogen. Op een wijze, zooals alleen God dit doen kan, wordt ons het karakter en de geestelijke toestand van ieder geschilderd. Menige gewichtige les is hier voor ons te leeren. Menig beschamend woord zal door ons vernomen worden. Menige heerlijke vertroosting wordt ons hier geschonken.

Martha schijnt de hoofdpersoon in huis geweest te zijn. Op haar rustte de zorg en de besturing van de huishouding. Het wordt haar huis genoemd. "Een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis." (Luk. 10.) Hierdoor leeren wij Martha al dadelijk kennen. Zij gevoelde zich tot Jezus aangetrokken; zij had Hem lief; zij stelde prijs op zijn gezelschap. Haar huis zette zij voor Hem open, en dat niet eenmaal, maar verscheidene malen. Zij ontving Hem niet koel en afgemeten, maar met de grootste hartelijkheid en ingenomenheid. Alles had zij voor Hem over. Wat haar huis opleverde, werd voor Jezus gereed gemaakt, "Martha was zeer bezig met veel dienens," lezen wij. Zij wilde het Jezus zoo aangenaam mogelijk maken. Als een bedrijvige huisvrouw deed zij alles om haar Gast van al het noodige te voorzien. Geheel vervuld met haar dienen kon zij het zich niet verklaren, hoe Maria zoo rustig aan Jezus' voeten kon zitten, zonder haar te helpen. Men valle haar hierover niet te hard. Wel was het een bewijs, dat zij niet in Jezus gevonden had, wat Maria in Hem vond. Wel toonde zij daardoor meer belang te stellen in het verzorgen van den Heer dan in het luisteren naar zijne onderwijzingen. Maar toch was haar dienen een schoon en treffend bewijs van hare liefde voor Jezus. De Heer zelf stelde dit op prijs. Had zij geen aanmerking gemaakt op Maria's handelwijze, Hij zou haar zeker rustig hebben laten werken en dienen. Of moest er niets in orde worden gemaakt, waar Jezus in haar huis zijn intrek nam? Moest er geen maaltijd worden gereed gemaakt, moesten er geen verkwikkingen worden aangeboden? Voorzeker. En dat zij dit zoo ijverig deed, toonde hare ingenomenheid met zijn bezoek. En dat de Heer het goed had in haar huis, dat Hij er gaarne vertoefde, bewijst zijn herhaald bezoek daar afgelegd.

Zie, dit alles is schoon en liefelijk. Jezus is het waard, dat wij alles voor Hem over hebben. Voor Hem moet geen moeite te veel, geen arbeid te zwaar, geen drukte te groot zijn. Veel kunnen wij van Martha leeren. Ach, wij zijn dikwerf zoo koel, zoo afgemeten, zoo karig. Iets voor Hem te doen, valt ons vaak zoo moeielijk. Voor ons eigen genot doen we dikwijls zoo veel maar voor Hem? Menigwerf moet schaamte ons bedekken. Tijd genoeg hebben we, wanneer het ons zelven betreft, wanneer het onze zaken aanbelangt; moeite noch arbeid ontzien we, als het ons gemak of genoegen geldt. Maar hoe dikwijls trekken we ons terug, als er iets voor den Heer gevraagd wordt! 't Is waar, Martha had veel op met haar dienen; Martha vond haar dienst gewichtiger dan Maria's luisteren; en dit was niet goed van haar, hierin vergistte zij zich. Maar hoe menigmaal gebeurt het. dat men deze dwaling van Martha gebruikt, om zich aan het dienen van Jezus te onttrekken. Menigeen zit rustig terneer, en voert niets uit, of verontschuldigt zich, als zijne hulp wordt ingeroepen, met de gedachte, dat het in het dienen en werken niet zit, dat men zich zoo licht daarop kan laten voorstaan en verhoovaardigen. Maar men vergeet, dat de liefde tot den Heer ons nimmer tot niets doen, maar integendeel tot werkzaamheid zal aansporen. Bang te zijn om zichzelf te zoeken in zijn arbeid is goed, maar te arbeiden, zonder zich zelf te zoeken, uit waarachtige liefde tot den Heer, is beter. En Martha in al haar bedrijvigheid, bezig met veel dienens, is verre te verkiezen boven iemand, die in koele berekening werkeloos ter neer zit. Bij de eerste is liefde tot den Heer, ingenomenheid met zijn persoon de drijfveer, al moge er dan ook vreemd vuur op het altaar zijn; bij den laatste is het te vreezen, dat veeleer eigenliefde dan liefde tot Jezus het hart bestuurt.

Martha was een geloovige vrouw. Dit is menigwerf betwijfeld. Men heeft de woorden van Jezus: "Martha, Martha! gij bekommert en verontrust u over vele dingen ; maar ÚÚn ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden " dikwijls opgevat, alsof de Heer wilde zeggen: "Maria heeft mij lief en gelooft in mij, maar gij, Martha! houdt u nog maar alleen met de uitwendige dingen bezig." Doch hierin heeft men zich schromelijk vergist. Het onderscheid tusschen Maria en Martha bestond niet hierin, dat de een geloofde, en de ander niet, dat de een Jezus lief had en de ander niet. Neen! hierin stonden zij gelijk. Beiden geloofden in Jezus, beiden beminden den Heer vurig, beiden hadden zij alles voor Hem over. De Heilige Geest heeft er voor gezorgd, dat dit boven allen twijfel verheven zou zijn. Lees slechts de geschiedenis van Lazarus' opwekking in Joh. 11, en gij zult er ten volle van overtuigd zijn. Of waren het niet de beide zusters, die de aandoenlijke, van vast vertrouwen op Jezus' liefde getuigende boodschap tot den Heer zonden: "Heer! zie, dien gij lief hebt is krank"? Snelde Martha niet den Heer tegemoet, zoodra zij maar hoorde, dat Hij het vlek naderde? Hooren wij niet uit haren mond die schoone belijdenis van haar geloof in Jezus: "Ja, Heer! ik heb geloofd, dat gij zijt de Christus, de Zone Gods, die in de wereld komen zou?" En als heeft de Heilige Geest willen voorkomen, dat wij ons een onjuiste voorstelling van Martha zouden maken, voegt hij er zoo treffend bij: "Jezus nu had Martha, en hare zuster, en Lazarus lief;" (vs. 5.) daarbij Martha op een in het oog vallende wijze voorop stellende. Het onderscheid tusschen Martha en Maria bestaat dus niet hierin, dat de een geloofde en de andere niet, dat de een Jezus liefhad en de andere niet; maar het bestaat hierin, dat Maria het onderwijs van Jezus boven alles op prijs stelde, terwijl Martha meer waarde hechtte aan hare dienst. Het goede deel, dat Maria had uitgekozen, was het zitten aan Jezus' voeten, en het luisteren naar zijne onderwijzingen.

Martha was een geloovige vrouw, die Jezus hartelijk liefhad. Maar een geloovige, die meer met haarzelve dan met Jezus bezig was. Zij dacht meer aan hare dienst dan aan den Heer; zij was wel wat ingenomen met haarzelve. Daarom kon zij Maria's handelwijze niet goed verdragen. Die ergerde haar. Zij had veel op met hare drukte, en meende zich daardoor verdienstelijk te maken; en Maria liet haar stil begaan, kwam haar niet te hulp, en getuigde daardoor, stilzwijgend, hoe zij het onderwijs van Jezus veel belangrijker vond dan al de diensten van Martha. 't Is zoo natuurlijk, dat Martha zich niet kon inhouden, dat zij aan hare ontevredenheid lucht moest geven. Zij was geheel ter goeder trouw; zij meende het, o! zoo goed. De gedachte van eigenliefde, van het zoeken van haarzelve was verre van haar verwijderd. Al wat zij deed, deed zij immers voor den Heer! Maar zij kende haarzelve niet, zij wist niet wat er in haar hart was. De omstandigheden maakten dit openbaar, Had zij waarlijk alleen om Jezus' wil gediend, geen aanmerking zou er over hare lippen gekomen zijn. Zij zou gelukkig zijn geweest in het vervullen van hare roeping, en zich om Maria niet hebben bekommerd. Maar nu dit niet zoo was, nu kon zij het niet verdragen, dat al haar moeite en zorgen, als het ware, onopgemerkt bleven. Vele geloovigen zijn aan Martha gelijk Zij zijn bezig met veel dienens. Zij prediken, zij maken bezoeken, zij schrijven, zij deelen traktaten uit, zij houden zondag scholen. Vol ijver zijn zij aan het werk. Zij gunnen zichzelven geen rust. Van het een op het ander hebben zij altijd drukte en zorgen. Zij meenen het waarlijk goed. Zij hebben den Heer hartelijk lief. En wat zij doen, doen zij, zooals zij oprechtelijk meenen, uit ongeveinsde liefde tot den Heer. Maar zij kennen zichzelven niet. Zij weten niet, dat zij meer op hebben met hunne dienst dan met Jezus; dat zij veel meer denken aan wat zij doen dan aan hetgeen Hij gedaan heeft. Menigwerf treedt dit aan het licht. Spreek met hen over christelijke werkzaamheden, dan zijn zij vol vuur; avonden kunt gij op die wijze met hen doorbrengen; onuitputtelijk zijn zij in mededeelingen. Maar neem den Bijbel, ga daarover spreken; tracht hen op de heerlijke waarheden,daarin vervat, te wijzen; of spreek met hen over de heerlijkheid van Jezus en over het zalige van zijne gemeenschap; en hun mond is gesloten; zij worden ongeduldig; zij trachten er van af te stappen, en het gesprek weer op hun geliefkoosd onderwerp te brengen. In die dingen zijn zij niet thuis. Ja, menigmaal is mij geantwoord, dat zulke onderwerpen niet zoo belangrijk zijn. 't Spreekt vanzelf, dat deze geloovigen, evenals Martha, anderen berispen, die niet zoo hard loopen en niet zoo bezig zijn met veel dienens, maar zich, in de eerste plaats, liever aan Jezus' voeten zetten om door Hem onderwezen te worden. Dezulken zijn hun vaak een ergernis. - Ook wordt dit soms openbaar door de omstandigheden. Ik heb geloovigen gekend, die met allen ijver en vuur aan het werk waren, die zich zeer gelukkig daarin gevoelden, die altijd opgewekt en opgeruimd waren; doch die door den Heer op het ziekbed ter neer gelegd werden, en geruimen tijd hun werk moesten laten varen; en die toen al hun geluk, al hunne opgeruimdheid hadden verloren, en een onverklaarbare leegte bij zich waarnamen. Wat was hiervan de oorzaak? Eenvoudig deze: zij hadden zich meer in hun werk dan in den Heer verblijd; meer aan zichzelven dan aan Hem gedacht; zich meer bezig gehouden met hunne dienst dan met zijne heerlijkheid en waarheid. Zij hadden gewerkt om te leven, en niet geleefd om te werken. Ware dit laatste het geval geweest, dan zouden zij even gelukkig gebleven zijn, nu zij hun werk moesten staken, als toen zij er nog midden in waren. 't Spreekt vanzelf, als men van zijn werk hoofdzaak gemaakt heeft, dat er dan een schrikkelijke leegte in hart en leven ontstaat wanneer het werk ons ontvalt. Is Jezus echter het middelpunt van onze gedachten en onzen arbeid, dan blijft de vreugde dezelfde, al moet de arbeid worden gestaakt; want Jezus verandert niet. Men heeft in Hem geleefd en zich bewogen, al werkende; en men blijft in Hem leven en zich bewegen, nu men op het ziekbed ligt uitgestrekt. Dit is een zekere toetssteen. Vragen wij ons zelven af, of wij even gelukkig en rustig zijn, als wij ons in de eenzaamheid met den Heer bevinden, als wanneer wij bezig zijn met evangelie verkondigen, zondagschool houden, of welke christelijke werkzaamheid ook.

Martha was alles behalve rustig. Zij was zeer bezig met veel dienens. Dit was op zichzelf voortreffelijk. Maar omdat zij te weinig haarzelve en Jezus kende, kon zij niet rustig aan haar werk blijven, en alles in de handen des Heeren stellen. Toen Maria haar alleen liet begaan, kon zij niet nalaten, zoowel Jezus als hare zuster te berispen. Toen zij na Lazarus' dood vernam, dat Jezus eindelijk kwam, snelde zij Hem te gemoet, en begon een uitvoerig gesprek met Hem; maar liep even haastig weer weg, om Maria te roepen, zoodra zij begon te begrijpen, dat zij Jezus niet verstond. Met Maria keert zij weer terug, en opnieuw wordt hare onrust en gejaagdheid bij Lazarus' graf openbaar. Dit alles kon niet anders. Het was een natuurlijk, noodwendig gevolg van haren geestelijken toestand. Alleen in Jezus' tegenwoordigheid en gemeenschap wordt men rustig en kalm. De natuur is altijd haastig, voorbarig, onrustig, of het tegenovergestelde daarvan koel, ongevoelig, onaandoenlijk. De Heer zeide tot Martha: "Martha! Martha! gij bekommert en ontrust u over vele dingen." In deze woorden ligt alles opgesloten. Zij teekenen den toestand harer ziel. Veel te doen is niet verkeerd. Als de Heer het te doen geeft, is het uitmuntend. Maar zich over vele dingen te bekommeren en te verontrusten, bewijst dat men zelf aan het werk is, en dat men meent zelf alles te moeten regelen en besturen. Hoeveel gejaagdheid is er vaak onder de Christenen! Hoe weinig wordt er gevraagd: Heer, wat wilt gij, dat ik doen zal? Men denkt daaraan, o, zoo weinig. Wat men goed en nuttig keurt, wat men begrijpt, dat aan de verbreiding van het Evangelie bevorderlijk zal zijn, dat doet men eenvoudig, zonder te vragen of de Heer het goedkeurt. Geen wonder, dat men ongestadig is, en heen en weer geslingerd wordt. Alle mogelijke dingen worden op het touw gezet, en ijverig verdedigd, om spoedig te verflauwen en te verdwijnen. Het een verdringt het ander. Men kan het velen aanzien, dat de rust des geloofs geheel ontbreekt.

Doch Martha was niet alleen onrustig; zij was ook onkundig. En hoe zou dit anders kunnen! Zijn wij ingenomen met ons eigen werk, dan zijn onze gedachten natuurlijk daarmede vervuld, en dan hebben wij geen tijd, en eigenlijk ook geen lust, om het onderwijs des Heeren te genieten. Men leest wel in den Bijbel op zijn tijd, en wordt daardoor gesticht, maar men bestudeert den Bijbel niet. Men blijft bij de eerste beginselen staan. Van opwassen in de kennis van God en van den Heer Jezus Christus is nauwelijks spraak. Men heeft zelfs geen vermoeden, dat er zulke heerlijke waarheden in de Schrift gevonden worden; en men kan zich niet begrijpen, hoe anderen daarvan zoo genieten. En zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, zonder dat men veel meer weet dan dat men behouden is door het geloof in Jezus, indien ook dit bewustzijn niet uit het hart verdwenen is. Het spreekt vanzelf, dat men, zoo doende, heel weinig van de waarheid verstaat. Over vele dingen kan men niet meŕ spreken; en als er over gesproken wordt, dan is men evenmin op zijn gemak als Martha zulks was, toen de Heer met haar sprak.

De geschiedenis in Joh. 11 levert ons hiervan een treffend bewijs. Zij is te belangrijk, om er niet afzonderlijk bij stil te staan, en die in hare bijzonderheden na te gaan. Zoodra Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem te gemoet. "Heer! waart gij hier geweest, zoo ware mijn broeder niet gestorven," roept zij uit. Wel een bewijs van haar geloof in Jezus. Was Jezus er geweest, Hij zou Lazarus beter gemaakt hebben. "Maar," voegt zij er bij, "ook nu weet ik, dat al wat gij van God begeeren zult, God het u zal geven." Martha heeft veel van Petrus. Dezelfde voorbarigheid, dezelfde onrust; altijd de eerste; wel liefde tot Jezus, maar weinig zelfkennis. Zoo ook hier. Zij denkt veel verder te zijn, dan zij is. Petrus zeide: "Al zouden zij u allen verlaten, ik zal u geenszins verlaten, ik zal met u in den dood gaan." Hij meende dit werkelijk. Maar toen zijn geloof op de proef werd gesteld, was hij bang voor een enkele dienstmaagd. Martha meende het ook. "Al wat gij van God zult begeeren, zal God u geven." Maar toen Jezus zeide: "Wentelt den steen af van het graf," sloeg Martha de angst om het hart, en riep zij uit: "Heer, hij riekt al, want hij heeft vier dagen daar gelegen." De werkelijkheid is dikwerf anders dan wij denken. Ons hoofd is dikwerf veel verder dan ons hart. Wij roemen menigmaal, doch als ons geloof op de proef wordt gesteld, hoe staat het dan?

Jezus antwoordt: "Uw broeder zal opstaan." - Ja," zegt Martha, "Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage." Martha begreep Jezus niet. Zij was te weinig gewoon aan zijn onderwijs om Hem te kunnen begrijpen. De Heer verklaart zich nader. "Niet over de opstanding ten laatsten dage, spreek ik, Martha," zoo wil Hij, als het ware, zeggen. "Uw broeder zal nu opstaan. Want ik, die hier voor u sta, ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dat?" En wat is Martha's antwoord? "Ja, Heer! ik geloof, dat gij zijt de Christus, de Zoon Gods, die in de wereld komen zou." Maar dat was geen antwoord op de vraag van Jezus. Neen, Martha begreep den Heer niet. En dit gevoelde zij zelve. Zij gevoelde, dat zij daar niet op hare plaats was. Maria zou daar beter op hare plaats zijn. Maria zou Jezus' woorden begrijpen. Ware er iets te doen geweest, dan zou Martha zich op haar plaats gevoeld hebben, maar nu de waarheid werd verklaard, nu moest Maria komen. "En dit gezegd hebbende, ging Martha heen, en riep Maria, hare zuster, heimelijk, zeggende: "De Meester is daar, en Hij roept u." Zie, dit was treurig. Hoe bedroevend voor den Heer, als wij zijne woorden niet begrijpen. Als wij te veel met andere dingen ons bezig hebben gehouden, en daardoor onbekwaam zijn om in zijne gedachten in te gaan. Ach! hoe menigwerf is dit bij de geloovigen het geval. 't Is alsof de Heer voor doove ooren spreekt. O, mochten wij toch naar de stem des Heeren luisteren, en in zijne redenen belangstellen! Dan zullen wij hoe langer zoo meer de diepte en den rijkdom daarvan leeren verstaan.

De woorden, die de Heer tot Martha spreekt, zijn hiervan een duidelijk bewijs. Zij hebben een diepere beteekenis dan men bij den eersten oogopslag zou denken. "Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid." Brengt men deze woorden in verband met hetgeen ons in 1 Kor. 15 : 51-54, en in 1 Thess. 4 : 13-18 geleerd wordt, dan bevatten zij een korte, maar duidelijke en heerlijke verklaring omtrent de opstanding. In deze twee plaatsen toch leert Paulus ons, dat, als de Heer komt in de lucht, zij die in Jezus ontslapen zijn, zullen worden opgewekt, en zij, die tot de komst van Jezus op aarde blijven leven, niet zullen sterven, maar in een oogenblik zullen veranderd worden. Welnu, bij een weinig nadenken vindt men hetzelfde in de woorden van Jezus. "Ik ben de opstanding en het leven;" ik ben dat in mijn persoon; niemand heeft mij dit gegeven; ik ben het zelf. Daarom heeft een iegelijk, die in Hem gelooft, het leven - het eeuwige leven. Dit hebben wij nu reeds. Onze ziel leeft. Ons leven is Christus; en ons leven is met Christus verborgen in God. Doch dit leven, zal ook aan ons lichaam meegedeeld worden. Ons lichaam is nog sterfelijk en verderfelijk; maar dit zal veranderen. Als Jezus komt, krijgen wij een onsterfelijk en onverderfelijk lichaam. "Die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven." De geloovige, die gestorven is, zal worden opgewekt. "En een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid." De geloovige, die leeft als Jezus komt, die zal niet sterven, maar in een punt des tijds worden veranderd. Wij zullen niet allen ontslapen, maar zullen allen veranderd worden. Heerlijke waarheid! De dood heeft over den geloovige geen macht meer. Jezus heeft den dood overwonnen. Dit is zˇˇ waar, dat er geloovigen zullen zijn, die niet sterven. Jezus is de opstanding en het leven. In en door Hem triomfeeren wij. Alle machten, die tegen ons waren, zijn verslagen. Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heer!

En lezen wij verder niets meer van Martha? Wel zeker; nog ÚÚne mededeeling omtrent haar vinden wij in het volgende hoofdstuk van Johannes' Evangelie - een mededeeling, die, de omstandigheden in aanmerking genomen, den indruk op mij maakt, alsof de Heilige Geest ons wil zeggen, dat de onrustige, over vele dingen bezorgde Martha in een rustige discipelin van Jezus is veranderd. Zes dagen vˇˇr het pascha was Jezus te BethaniŰ. Men bereidde Hem aldaar een maaltijd. Gedurende dien maaltijd zalfde Maria de voeten van Jezus. De discipelen waren hierover ontevreden, en hielden dit voor groote verkwisting. Die zalf had veel beter kunnen verkocht, en het geld aan de armen kunnen gegeven worden. Welk een schoone gelegenheid voor Martha om weer op den voorgrond te treden! Hoeveel aanleiding voor haar om aanmerking op Maria's gedrag te maken! Meer aanleiding nog, dan de eerste keer. En wat lezen wij van haar? Niets anders dan deze eenvoudige mededeeling: "Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende." Hoe schoon! hoe welsprekend! Martha diende. Zij had haar werk niet opgegeven; zij had haar post aan geen ander toevertrouwd; zij was niet moedeloos en ontevreden geworden; o neen! zij diende evenals vroeger; zij verrichtte hetzelfde werk; maar nu in stilheid; nu zooals het iemand betaamt, die een roeping van den Heer ontvangen heeft. Geen aanmerking komt over hare lippen. Zij laat Maria begaan, en zij gaat zelve ook haar gang. Ieder op hare plaats. Beiden den Heer dienende. Beiden tevreden en gelukkig in het werk, dat zij voor Jezus verrichten. Welk een schoon einde van Martha's geschiedenis! De genade kan ons aan ons zelven ontdekken, en Jezus dierbaar maken voor ons hart - dierbaar boven alles. Dan is men rustig en kalm; dan maakt men geen aanmerkingen meer; dan is men gelukkig en tevreden. Maar dan houdt men niet op met werken en dienen; o neen! men is even ijverig bezig, maar met een gansch ander hart, op een gansch andere wijze. Denk aan den voorbarigen, zelfvertrouwenden Petrus. Hoe gansch anders was hij later. Vol ijver verkondigde hij het evangelie, vol vuur beleed hij zijnen Heer; maar hij was kalm en rustig; hij had zijn zelfvertrouwen verloren; hij liet zich leiden door Gods Geest. Heerlijke vrucht van Gods genade? Hoe meer we ons zelven leeren kennen, des te dierbaarder zal Jezus ons worden. Hoe meer we Jezus leeren kennen, des te meer zullen we ons tot Hem aangetrokken gevoelen, des te liever zullen we ons aan Hem geven en door Hem laten leiden.