De geloovige een brief van Christus.

 

 

"Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen." (2 Kor. 3: 2.)

 

Het is van groot belang voor ons om te verstaan, wat het zegt "een brief van Christus" te zijn, hoewel voorzeker niemand de grootheid van zulk een roeping kan omvatten. Iedere vergadering van geloovigen is een brief van Christus, "om gelezen te worden van alle menschen." De geloovigen zijn de aanbevelingsbrief van Christus in de wereld. De wereld heeft dit getuigenis van het leven der geloovigen noodig, om te leeren kennen wie Christus is, hoewel zij Hem ongetwijfeld ook uit zijn Woord kan leeren kennen. De belangrijkheid van dit getuigenis der geloovigen komt nog helderder aan het licht door de tegenstelling, die er tusschen dat en het getuigenis der wet, "geschreven op steenen tafelen," bestaat. Evenals de tien geboden de uitdrukking van den wil Gods waren onder de bedeeling der wet, zoo is thans de Gemeente het beeld van Christus, "geschreven niet in steenen tafelen, maar in vleeschen tafelen des harten," om te verkondigen de deugden "desgenen, die ons geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht."

De eerste trek van het leven des Verlossers, waaraan ik hier wil herinneren, is, dat Jezus, zoowel in zijne eenvoudigste daden, als in zijne woorden en in de bewegingen zijns harten, nooit iets gedaan heeft om zichzelven te behagen. "Christus heeft zichzelven niet behaagd." (Rom. 15: 3.) Alzoo moeten ook wij onszelven niet behagen; "want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven." (Rom. 14: 7.) - Jezus heeft gezegd: "Opdat de wereld wete, dat ik den Vader liefheb, en alzoo doe, gelijk mij de Vader geboden heeft." (Joh. 14 : 31.)

Dat was gehoorzaamheid - een gehoorzaamheid, die het uitvloeisel en de openbaring der liefde was; niets kon er Christus van terughouden. De verzoeking om aan een gegeven bevel ongehoorzaam te zijn, kan zich onder een zeer schoone gedaante voordoen: bij voorbeeld, toen de Heer tot zijne discipelen begon te zeggen, dat Hij veel moest lijden en gedood worden, antwoordde Petrus: "Heer, wees u genadig! dit zal U geenszins geschieden." (Matth. 16 : 22.) Het was liefde tot zijn Meester, die Petrus aldus deed spreken, doch de Heer sloeg er geen acht op, omdat Hij dan het gebod zijns Vaders ongehoorzaam zou geweest zijn. Wat antwoordt Hij? "Ga weg achter mij, Satanas! gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der menschen zijn."

Een andere trek uit het leven van Jezus is van niet minder belang. Hij wandelde niet alleen als zoon des menschen op aarde, maar zijn wandel was in waarheid in den hemel. Al zijne genegenheden, al de gedachten zijns harten waren hemelsch. Daarom zegt de Apostel tot ons: "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn."

Verder zien wij, dat de genade, die Jezus openbaarde, alleen strekte om te beantwoorden aan de smarten en de ellende van den mensch, in al de omstandigheden van den tegenwoordigen tijd. Hierin zijn wij dikwijls nog zoo gebrekkig. Al zijn zelfs onze beweegredenen uit God, dan ontbreekt toch zoo dikwijs in onze wijze van handelen de genade. Dit was bij Christus nooit het geval. Hij was altijd bezig ter eere Gods; maar nooit, bij geen enkele gelegenheid, nooit in eenige handeling, week Hij af van den geest der genade. Dikwijls blijven wij niet genoeg in gemeenschap met God, omdat wij geen vertrouwen in Hem stellen. Wij worden ongeduldig, en nemen onze toevlucht tot middelen, die niet uit God zijn, gelijk Jakob deed. Jakob had geen vertrouwen genoeg in God om van Hem den zegen af te wachten, alsof God het hart van Izak niet kon buigen om zijnen goddelijken raad te vervullen. Evenzoo gaat het dikwijls met ons; wij zondigen dikwijls, omdat wij niet lang genoeg op God wachten, die voorzeker zijn wil volbrengen zal, al weten wij niet door welke middelen. Saul te Gilgal wilde niet wachten; en toen de zevende dag aanbrak, offerde hij; doch nauwelijks was de offerande gebracht, of SamuŽl kwam aan het einde van den zevenden dag, en Saul verloor het koninkrijk. Evenzoo is het met de kinderen Gods; zij lijden altijd schade, als zij hun vertrouwen op God verliezen. Christus verliet zich altijd op God; Hij was altijd wachtende op Hem; en daardoor was Hij altijd toegerust voor elke smart en voor elke ellende, die zich voordeed. Hij was altijd bekwaam om de hulpmiddelen, die in God zijn, te gebruiken, en het hoofd te bieden aan iederen nood, hoedanig die ook was. Het is treffend over dit overwerp het vijfde hoofdstuk van het Evangelie van MattheŁs te lezen. Iedere zaligspreking is een beeld van Christus. Wie is zoo arm van geest geweest als Hij? Wie zoo bedroefd als Hij? Wie heeft zoo gehongerd en gedorst naar de gerechtigheid? Zijn geheele leven was een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. "Het leven was het licht der menschen."

Bovendien was Jezus als mensch overwinnaar over iederen tegenstand, ja, zelfs over den dood. Er is een groot onderscheid tusschen goede begeerten en kracht. Het is mogelijk, dat de levend gemaakte ziel zegt: "Het goede, dat ik wil, doe ik niet;" (Rom. 7: 19.) doch wij zullen nooit ten volle kunnen zeggen "een brief van Christus" te zijn, tenzij wij de kracht openbaren, die alle hindernissen beheerscht, zelfs den dood. Want ook de dood is ons gegeven. (2 Kor. 3: 22.) De geloovige, levende door de kracht van het leven van Christus, heeft een volkomene macht over den dood.

Doch dit is niet alles. De Heer Jezus heeft te midden van zijnen ijver nooit de liefde verloochend. De liefde heeft geen beweegreden noodig om zich te openbaren; hoewel het niet anders kan, of die openbaring is hare vreugde. Dit is onze overwinning. Een beweegreden te zoeken is geen liefde. Daarom maakt de liefde iemand bekwaam om aan al de moeielijkheden het hoofd te bieden. Wordt men in het aangezicht geslagen, wat nood! - de liefde blijft, omdat zij hare kracht nooit aan de omstandigheden ontleent, maar boven alle omstandigheden verheven is. Niets kan een geloovige ontmoeten, hetwelk hem scheiden kan van de liefde Gods. De liefde, die hij geniet, heerscht over alle omstandigheden. Indien wij deze hemelsche gezindheid der liefde, die uit God is, niet openbaren, en niet eenvoudig gehoorzamen, dan zijn wij geen ware brief van Christus. Hebben wij Christus niet geopenbaard, dan zijn wij niets, al hebben wij ook in ootmoed gewandeld.

Na ons te hebben aangetoond, dat de geloovigen brieven van Christus zijn, gekend en gelezen van alle menschen leert ons de Apostel op welke wijze wij brieven van Christus worden, namelijk niet door middel van de bediening der letter, maar door de bediening des Geestes. De letter heeft gehandeld naar Gods eischen ten opzichte van den mensch; het was noodzakelijk een bediening des doods. Het Evangelie is de openbaring van God, die niet op den top van SinaÔ gerechtigheid eischt, maar in de volheid zijner genade zijne eigene gerechtigheid openbaart, en zijnen Zoon zendt om ons met Hem in gemeenschap te brengen. Aan allen, die zich aan deze gerechtigheid onderwerpen, is de Heilige Geest gegeven tot onderpand dier gerechtigheid, en de Geest is in hen een geest van kracht. Wij kunnen nu gebruik maken van een groote vrijmoedigheid in het spreken, omdat wij van genade spreken. Wij kunnen den menschen zeggen, dat zij slecht, boos, zonder hoop zijn; wij kunnen alle dingen openlijk zeggen, omdat wij het niet van den mensch verwachten, maar tot hen spreken van de genade Gods voor den mensch in den toestand, waarin hij is. Wij kunnen vrijuit van God spreken, omdat het de God van alle genade is, dien wij verkondigen. IsraŽl kon het aangezicht van Mozes niet aanzien wegens den glans, die er van afstraalde, hoe zwak die ook was; doch wij kunnen vrij in de volle heerlijkheid Gods zien, omdat zij nu afstraalt in het aangezicht van Jezus Christus. Juist deze heerlijkheid is het, die mij verklaart, dat mijne zonden zijn weggedaan. Ik zie de heerlijkheid Gods, niet in het duistere, maar als de heerlijkheid van Hem, die zich in mijne plaats gesteld heeft en tot zonde gemaakt werd; en die in deze heerlijkheid niet zijn kon, indien Hij al mijne zonden niet had weggedaan; want mijne zonden kunnen niet anders dan de heerlijkheid verduisteren. Hoe wonderbaar! Wij zien niet alleen, dat God onze ziel in genade bezoekt, maar dat de heerlijkheid, om zoo te spreken, de plaats onzer zonden heeft ingenomen. En de Geest, die ons dit alles mededeelt, woont in ons, zoodat wij de kracht bezitten om in overeenstemming met het standpunt, waarop God ons geplaatst heeft, te wandelen. "Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid."

De ziel, die zich onderwerpt aan de gerechtigheid Gods, wordt een brief van Christus, omdat zij op Christus ziet in de heerlijkheid. Dit is niet het geval, indien de ziel slechts ziet op Jezus in zijne vernedering hier beneden; want zijne vernedering trekt ons wel aan, maar maakt ons niet vrij. Indien echter onze oogen gericht zijn op Jezus in de heerlijkheid, dan worden wij naar hetzelfde beeld veranderd. Een hart, dat leeft in de heerlijkheid, acht alle andere dingen schade en drek te zijn. Dit is gelijkvormigheid aan Christus. In de verwezenlijking dezer dingen leeren wij wel spoedig de zwakheid des vleesches, maar de blik des geloofs op Christus is de ware overwinning. De Apostel zegt: "Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft." Wij herhalen deze waarheid dikwijls te spoedig, zonder haar ondervonden te hebben. Wij kunnen wel zeggen, dat een geloovige alle dingen vermag door Christus; maar hij kon zeggen: "Ik vermag alle dingen door Christus;" want hij had dit door een gegronde ervaring en een harden strijd leeren kennen.

De Heer geve ons de kracht, die er in Christus is, te kennen, hoewel deze kracht ons in het stof vernedert, opdat wij nauwgezet kunnen wandelen als een brief van Christus in de wereld.