De verheerlijking op den berg.

De drie Evangelisten, [1] die ons deze treffende gebeurtenis mededeelen, laten daaraan de volgende woorden van Jezus onmiddellijk voorafgaan: "Voorwaar zeg ik u: er zijn sommigen van die hier staan, die den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn koninkrijk." "Na zes dagen," lezen wij verder, "nam Jezus met zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijnen broeder, en bracht hen op een hoogen berg alleen." Hieruit blijkt voor den eenvoudigen lezer, dat de verheerlijking op den berg de vervulling was van de belofte van Jezus. Petrus, Jakobus en Johannes waren die "sommigen," die den dood niet zouden smaken, totdat zij den Zoon des menschen in zijn koninkrijk hadden zien komen. Op den berg zagen zij Jezus in zijne koninklijke heerlijkheid. Petrus zelf zegt ons dit in zijnen tweeden brief. "Wij zijn aanschouwers geweest van zijne majesteit. Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hem gebracht werd: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb. En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met hem op den heiligen berg waren." De verheerlijking op den berg is derhalve een afschaduwing van de heerlijkheid van Christus in zijn koninkrijk.

De eerste bijzonderheid nu, die onze aandacht moet trekken, is, dat Mozes en Elias in dezelfde heerlijkheid met Jezus gezien werden. Van Jezus lezen wij: "En Hij werd voor hen van gedaante veranderd; en zijne kleederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zoo wit maken kan," (Mark. 9 : 3.) En in Luk. 9 : 31 lezen wij, dat Mozes en Elias in dezelfde heerlijkheid met Hem werden gezien; terwijl de drie discipelen, die er bij tegenwoordig waren, wel de heerlijkheid zagen, maar er niet in deelden. Ziedaar een voorstelling van hetgeen eenmaal in het koninkrijk van Christus zal plaats vinden. Mozes is het voorbeeld van al de geloovigen, die tot de komst van Jezus zullen ontslapen zijn; Elias is het voorbeeld van de geloovigen, die levend overblijven tot de toekomst des Heeren, en die zonder te sterven in den hemel worden opgenomen; terwijl de discipelen die geloovigen voorstellen, welke gedurende de regeering van Christus - het duizendjarig rijk - op aarde zullen wonen, en die wel de heerlijkheid van Christus en van de verheerlijkte heiligen zullen zien, maar er niet in zullen deelen. De verheerlijkte heiligen zullen met den Heer Jezus dezelfde heerlijkheid deelachtig zijn. Zij hebben lichamen, gelijkvormig aan zijn heerlijk lichaam. (Fil. 3 : 21.) Als Hij geopenbaard wordt, zullen zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. (Kol 3 : 4.) Christus is de erfgenaam van alles; aan Hem heeft de Vader alle dingen onderworpen; en wij zijn zijne mede-erfgenamen; (Rom. 8 : 17.) wij zullen met Hem heerschen als koningen op aarde; (Openb. 1 : 6; 5 : 10.) ja, wij zullen zelfs de engelen oordeelen. (1 Kor. 6 : 3.) Geen onderscheid zal er zijn tusschen Jezus en de zijnen. Ik spreek hier natuurlijk niet van zijne godheid; als zoodanig kan niemand Hem gelijk zijn; maar van de heerlijkheid, die Hij als Zoon van den Vader heeft ontvangen. Reeds nu zijn wij in deze wereld, wat ons standpunt voor God betreft, gelijk Hij is; (1 Joh. 4 : 17.) en als Hij geopenbaard zal zijn, zullen wij Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. (1 Joh. 3 : 2.) Welk een onuitsprekelijke genade! Wij, die van nature verloren zondaars, vijanden van God zijn, zullen in dezelfde heerlijkheid met den Zoon van God geopenbaard worden.

Doch er is iets heerlijkers dan dit. In Lukas lezen wij niet alleen, dat Mozes en Elias in heerlijkheid met Christus verschenen, maar ook dat zij in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God waren. Er kwam namelijk een wolk, die hen overschaduwde; en de discipelen werden bevreesd, toen zij zagen, dat die in de wolk ingingen. (Luk. 9 : 34.) De wolk is nu de woning van God. In het Oude Testament lezen wij, dat de wolk de woning van God is. Toen de kinderen Israls door de Roode zee trokken, ging de wolk achter hen, en maakte scheiding tusschen hen en de Egyptenaren, zoodat deze hen niet konden bereiken. En op hunne reis door de woestijn ging de wolk voor hun aangezicht henen, om hun den weg te wijzen. En het was uit de wolk, dat Jehova met Mozes sprak. De wolk stond boven den ingang des tabernakels, en de Heer sprak uit die wolk met Mozes. Evenzoo kwam hier uit de wolk de stem des Vaders: "Deze is mijn geliefde Zoon: hoort Hem!" God de Vader was dus in de wolk. En Mozes en Elias gingen in die wolk. Zij gingen in de woning van God, in het huis des Vaders. Dit is het deel der geloovigen. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen, zeide Jezus tot zijne discipelen, en Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Hij wederkomt, zal Hij ons brengen in het huis des Vaders. Dit is oneindig meer dan in dezelfde heerlijkheid met Jezus te verschijnen. Voor de heerlijkheid, die de discipelen zagen, worden zij niet bevreesd; maar toen zij zagen, dat Mozes en Elias in de wolk ingingen, vreesden zij. Zij wisten zeer goed, dat de wolk de woning van God was; maar nog nooit was het gebeurd, dat de geloovigen in die woning ingingen. Wel had Mozes met God, die in de wolk was, gesproken, maar hij was niet in de wolk ingegaan. Dit was iets geheel nieuws. En, waarlijk, dit is het beste, wat er zijn kan. Het huis des Vaders, de woning van God is de beste, de hoogste plaats, die er is. En dr zal onze plaats tot in eeuwigheid zijn. Voorzeker, het is een onuitsprekelijke genade met Christus dezelfde heerlijkheid te deelen en daarin met Hem openbaar te worden; maar oneindig heerlijker is het in het huis des Vaders zelf te zijn, en daar met Jezus te verkeeren, met Hem vertrouwelijk om te gaan en te spreken.

En dit is het, wat wij hier vinden, Mozes en Elias spraken met Jezus, en wel, gelijk Lukas ons verhaalt, over den uitgang, welken Jezus te Jeruzalem zou volbrengen. Zij spraken dus vertrouwelijk met den Heer over zijn lijden en sterven, over datgene, wat het hart van Jezus op dat oogenblik het meest vervulde, en waartoe Hij in de wereld gekomen was. Zoo zal het met ons zijn, als wij met Jezus in het huis des Vaders zullen wonen. Dit moet ons hart het meest bekoren. De heerlijkheid is groot, maar met Jezus vertrouwelijk om te gaan, is grooter. Een kroon is heerlijk, maar gemeenschap met Jezus is beter. Een vrouw zal zich zeker verblijden, in de eer en de heerlijkheid haars mans te deelen; maar zou het niet treurig zijn, indien zij zich meer verheugde in het deelen in zijne eer, dan in den omgang met hemzelven? En moet de gemeenschap met Jezus in het Vaderhuis ons niet meer waard zijn dan de heerlijkheid, waarin wij met Hem deelen zullen? Moeten wij niet reeds nu in den geest die gemeenschap met Jezus hebben, welke wij eenmaal in werkelijkheid zullen genieten? Voorzeker. Nauwelijks was de Heer van den berg afgestegen, of Hij begint op dezelfde vertrouwelijke wijze met zijne discipelen over zijn lijden en sterven te spreken, als Hij dit op den berg in de heerlijkheid met Mozes en Elias gedaan had. Hoe treffend! Het onderwerp van Jezus' onderhoud met de zijnen was hetzelfde aan den voet van den berg als boven op den berg - hetzelfde in de vernedering als in de heerlijkheid. Ja, hoewel de Heer nu verheerlijkt in den hemel is, en wij op deze aarde wandelen, kunnen wij die innige gemeenschap en dien vertrouwelijken omgang met Hem genieten, welke Mozes en Elias op den berg, en zijne discipelen gedurende Jezus' omwandeling op aarde, genoten. Merkwaardig is in dit opzicht hetgeen wij na de bekeering van Saulus op den weg naar Damaskus lezen. De Heer zegt tot Ananias: "Ga in de straat, genaamd de rechte, en vraag in het huis van Judas naar eenen, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt" De Heer geeft alzoo de meest nauwkeurige opgaaf van de plaats, waar Saulus vertoefde; wij zouden zeggen, hij gaf zijn adres op. En Ananias antwoordt: "Heer! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; en heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die uwen naam aanroepen." Ananias brengt alzoo op de meest vrijmoedige en vertrouwelijke wijze zijne bezwaren in het midden. En de Heer antwoordt: "Ga heen; want deze is mij een uitverkoren vat, enz." Hierdoor neemt Hij al de bezwaren zijns dienaars weg, die daarop in blijde gehoorzaamheid den last, hem opgedragen, volbrengt. Welk een onuitsprekelijk voorrecht! Z nabij zijn wij Jezus gebracht, en z nabij is Jezus tot ons gekomen, dat wij met Hem kunnen spreken, gelijk een vriend spreekt met zijnen vriend. Mochten wij veel van dien zaligen omgang genieten!

Maar wij leeren hier nog meer. Toen Mozes en Elias in de wolk ingegaan waren, kwam er een stem uit de wolk, die zeide, "Deze is mijn geliefde Zoon: hoort Hem!" Het is geen gebod, om den Zoon lief te hebben en ons in Hem te verblijden, hetwelk ons hier gegeven wordt; neen! wij vinden hier geheel iets anders, iets veel heerlijkers. De Vader geeft getuigenis omtrent zijnen Zoon; Hij deelt ons zijne gedachten omtrent Hem mede. Deze is mijn geliefde Zoon. Die arme, nederige man, die geen plaats heeft, waar hij zijn hoofd kan neerleggen, door allen gehaat en vervolgd, is mijn geliefde Zoon: hoort Hem! Welk een genade! Gelijk de Heer Jezus ons in Joh. 17 doet hooren, hoe Hij tot den Vader spreekt, en met den Vader gemeenschap oefent, zoo laat de Vader ons hier hooren, welk een waarde zijn Zoon voor Hem en voor ons heeft. Zie, dat is ware gemeenschap! Wat is gemeenschap anders dan dezelfde gevoelens, dezelfde gedachten, dezelfde vreugde te hebben. Als ik zeg, gemeenschap met de broeders te hebben, dan moet ik dezelfde vreugde, dezelfde gedachten, hetzelfde voorwerp der beschouwing hebben. Welnu, de Vader zegt van Christus, ten aanhoore van ons: "Deze is mijn geliefde Zoon;" en Hij voegt er bij: "hoort Hem!" Het voorwerp van Gods liefde en welbehagen is dus het voorwerp onzer aanschouwing en onzer vreugde. Waarlijk, God kon ons geen grooter voorrecht, geen heerlijker genade geven!

Nog een andere gewichtige waarheid wordt ons hier geleerd. Mozes en Elias stellen de wet en de profeten voor. Mozes werd door de Joden bijna als een God vereerd, en Petrus rekende het voor zijnen Meester een groote eer, met Mozes en Elias in gemeenschap te zijn, en wilde drie tabernakelen voor hen bouwen, opdat zij daar met elkander zouden blijven. Doch wat gebeurt er? Nauwelijks heeft bij deze woorden gesproken, of er kwam een wolk, en neemt Mozes en Elias weg voor zijne oogen, en Jezus wordt alleen gelaten en een stem kwam uit de wolk: "Deze is mijn geliefde Zoon: hoort Hem!" Mozes en Elias moesten verdwijnen en Jezus alleen overblijven. De wet en de profeten verdwijnen, Jezus blijft; en naar Hem alleen moeten wij hooren. Niet dat de wet en de profeten geen waarde voor ons hebben, en ons niet door God zijn gegeven; o ja! zij getuigen van Christus en van de heerlijkheid, die komen zal; en het geheele Oude Testament is ons gegeven als het Woord van God, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot onderwijzing, die in de godzaligheid is. De Heer Jezus zelf gebruikte Mozes en de profeten, om den duivel te verslaan en de farizen den mond te stoppen. Maar voor Christus moeten wet en profeten verdwijnen. Naar Hem alleen moeten wij hooren. "God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon." (Hebr. 1 : 1.) De wet is goed, als iemand die wettelijk gebruikt; maar zij kan ons niets geven. Zij kan eischen, en omdat wij niet zijn, zooals zij verlangt dat wij zijn zullen, ons verdoemen, maar zij kan ons niets geven. Jezus alleen kan ons alles geven, wat wij voor dit en het eeuwige leven behoeven. Hij is het eenige voorwerp onzes geloofs en onzer beschouwing. Een geheel nieuwe bedeeling is aangebroken. Alles verdwijnt, zelfs de door God aan Isral gegeven godsdienst; Jezus alleen blijft, en de Vader in den hemel zegt ons, naar Hem alleen te hooren. Voorzeker, dit is een allerbelangrijkste waarheid. Hoezeer zijn wij geneigd ons vast te houden aan hetgeen oud en eerbiedwaardig is in onze oogen. Hoe moeielijk was het voor de apostelen en de eerste christenen de joodsche eeredienst geheel vaarwel te zeggen; en hoe moeielijk valt het duizenden christenen de menschelijke instellingen te verlaten, en zich alleen aan Jezus en de door Hem geopenbaarde waarheid vast te houden. Hoe velen keeren tot Mozes en de profeten terug, die zich alleen in Jezus moesten en konden verblijden. O, moge de Heer onze oogen openen, opdat wij leeren verstaan, dat Mozes en Elias, wet en profeten, menschelijke instellingen en aardsche godsdienst verdwijnen, en Jezus alleen blijft, voor wiens lessen wij een geopend oor moeten hebben.


[1] Matth. 16: 28; 17 : 1-8; Mark. 9 : 1-8; Luk. 9 : 27-36