Landpalen en aanstoot.

 

"Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel."

(Deut. 19 : 14.)

"neemt den aanstoot uit den weg mijns volks."

(Jes. 57 : 14.)

Welk een teedere zorg en voorkomende liefde stralen in deze woorden door! De oude landpalen mochten niet verzet worden; maar de hinderpalen moesten weggenomen worden. Het erfdeel van Gods volk moest in al zijne uitgestrektheid blijven bestaan, terwijl de hinderpalen zorgvuldig uit hunnen weg moesten geruimd worden. Alzoo was de ontferming van IsraŽl's God, zijne zorg voor zijn volk! Het erfdeel, dat God aan ieder had gegeven, moest in bezit worden genomen; terwijl tegelijkertijd de weg, waarin zij moesten wandelen, zonder aanstoot moest zijn.

De vorst der duisternis heeft de leer der verkiezing gebruikt tot een hinderpaal voor vele zielen; en wij hebben allen grond om te gelooven, dat duizenden gestruikeld zijn over dezen hinderpaal. Wij wenschen zeer dezen aanstoot weg te nemen. De leer der verkiezing, mits op hare rechte plaats, is geen aanstoot op den weg van bekommerde zielen, maar een landpaal, die van ouds gepaald is, zoowel door de apostelen van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, als in het erfdeel van het IsraŽl Gods. Wij weten allen, dat verkeerd toegepaste waarheid veel gevaarlijker is dan werkelijke dwaling. Indien iemand stoutweg verklaart, dat de leer der verkiezing valsch is, zullen wij zonder aarzelen zijne woorden verwerpen; maar het is moeielijker iemand te wederleggen, die toestemt, dat de leer waar en belangrijk is, en haar toch van de plaats rukt, die God haar gegeven heeft. Door dit laatste wordt evenwel de waarheid Gods verminkt, en worden de zielen der menschen in duisternis gehouden.

Welke is dan de rechte plaats van de leer der verkiezing? Hare ware en goddelijke plaats is in het inwendige van het huis, in de hand van den leeraar, tot versterking van ware geloovigen. De vijand heeft haar een plaats gegeven buiten het huis, in de hand van den evangelist, tot aanstoot voor bekommerde zielen. Letten wij op de volgende woorden van een diep bekommerde ziel: "Indien ik slechts wist, dat ik uitverkoren ben, dan zou ik gelukkig zijn, dan zou ik mij het werk der verlossing durven toeŽigenen."

Zij, die alzoo spreken of denken, maken een verkeerd gebruik van de leer der verkiezing, een leerstuk zoo heerlijk en gezegend op zichzelven, een vaste "landpaal." voor den geloovige, maar een zeer gevaarlijke "aanstoot" voor hem, die het verkeerd gebruikt. Het is voor de bekommerde ziel zeer noodig te weten, dat men als een "verloren zondaar" en niet als een " uitverkorene" Christus kan aannemen. Het uitgangspunt voor den zondaar is niet de verkiezing, maar zijn verloren toestand. Ik kan onmogelijk weten, of ik uitverkoren ben, zoolang ik niet door Gods Woord en door den Heiligen Geest de verlossing door het bloed van Christus heb aangenomen. De verlossing - helder als de zon, onmetelijk als de oceaan, eeuwig als de troon van God - wordt niet aan een, die uitverkoren is, maar aan een onwaardig, verloren zondaar verkondigd; en de aanneming der verlossing is het bewijs mijner verkiezing. "Wetende, geliefde broeders! uwe verkiezing van God: want ons evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest en in veel verzekerdheid." (1 Thess. 1 : 4, 5.) De verkiezing is geen waarborg voor mijne verlossing, maar de aanname der verlossing is bet bewijs der verkiezing. Want hoe kan een zondaar weten, dat hij uitverkoren is? Hoe kan hij er in gelooven? Indien het niet door goddelijke openbaring is, dan is het geen geloof. Doch waar is het geopenbaard? Waar staat het geschreven, dat de verkiezing een voorwaarde of een voorbereiding is voor de aanneming der verlossing? Nergens vinden wij het in Gods Woord. De eenige aanspraak, die ik op de verlossing heb - indien ik mij zoo eens mag uitdrukken - is, dat ik een arm, verloren, nietswaardig zondaar ben. Wacht ik op andere bewijzen, dan ruk ik een zeer kostelijke landpaal van hare plaats, en ik zet een aanstoot op mijnen weg.

Het is niet alleen onverstandig, maar in volkomen tegenspraak met Gods Woord, indien ik zoo handel. De hierboven aangehaalde woorden en de geest en de leer van het geheele hoofdstuk, waarin zij voorkomen, bewijzen dit zeer duidelijk. Letten wij ook op het bevel, dat de Heer Jezus na zijne opstanding aan de discipelen geeft. "Gaat heen in de geheele wereld, predikt het evangelie allen creaturen." (Mark. 16 : 15.) Is hier een enkel woord, dat aanleiding geeft om aan de verkiezing te denken? Moet hij, aan wien het evangelie wordt gepredikt, eerst onderzoeken of hij uitverkoren is? Voorzeker niet. De geheele wereld en allen creaturen zijn uitdrukkingen, die iedere moeielijkheid wegnemen, en die de verlossing vrij en onbeperkt voorstellen. De Heer zegt niet: gaat heen tot een zeker gedeelte van de wereld, en predikt het evangelie aan een zeker getal. Neen, dit zou niet in overeenstemming zijn met de genade, die aan allen moest verkondigd worden. De wet was gegeven aan een zeker getal, aan een bepaald volk; maar toen het evangelie der genade verscheen, was het voor de geheele wereld en "voor alle creaturen."

De Heilige Geest zegt door den Apostel: "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen, om de zondaren zalig te maken." (1 Tim. 1 : 15.) Wordt hier gesproken van een voorwaarde tot de verlossing? Ganschelijk niet. Indien Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken, dan mag ik het werk der verlossing aannemen, indien ik een zondaar ben. Ik moet geen zondaar zijn, om mij te kunnen buitensluiten. Indien er in Gods Woord ergens werd verklaard, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen, om alleen de uitverkorenen te behouden, dan zou ik natuurlijk moeten bewijzen, dat ik een uitverkorene ben, vůůrdat ik mij het werk der verlossing kon toeŽigenen. Doch, God zij dank! wij vinden hiervan nergens een spoor in Gods Woord: "De Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was." (Luk 19 : 10.) En behoor ik niet juist tot dezulken? Voorzeker. Is het dan niet als een verlorene, dat ik op Christus kan zien? Zonder twijfel. En kan ik niet, met het oog op deze goddelijke verborgenheid, door het geloof zeggen: Hij had mij lief, en gaf zichzelven voor mij over? Ongetwijfeld, Dit is zoo zeker, als ware ik de eenige zondaar op den ganschen aardbodem.

Niets is vertroostender en verkwikkender voor de bekommerde ziel dan te weten, dat de verlossing haar wordt aangeboden in den toestand, waarin zij is. Op den weg tot de heerlijke erfenis der heiligen is geen enkel struikelblok; wij vinden op dien weg slechts landpalen, die niemand kan wegnemen. De God van alle genade heeft alles daargesteld, om vrede, zekerheid en volkomen verlossing aan den zondaar te schenken. Hij heeft duidelijk geopenbaard, voor wie Christus is gestorven. "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. Maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons." (Rom, 5 : 6, 8, 10.)

Hoe duidelijk zijn deze uitspraken! Is er een enkel woord, dat den zondaar aanleiding kan geven, om te denken aan een voorwaarde met betrekking tot zijne verlossing? Neen, geen enkel woord. Ben ik "een goddelooze?" Welnu, Christus stierf voor dezulken. Ben ik "een zondaar?" God bevestigt zijne liefde aan zondaars. Ben ik "een vijand?" God verzoent hen door den dood zijns Zoons. Alles is zoo helder als de zon. De aanstoot, die door het misbruiken der verkiezing gelegd wordt, is volkomen weggenomen. Als zondaar word ik behouden door den dood van Christus. Aan een ver1orene wordt genade geschonken, vrij en onvoorwaardelijk. Om het werk der verlossing aan te nemen, heb ik alleen noodig te weten, dat ik een zondaar ben. Het zou mij niets baten, als men mij zeide, dat ik een uitverkorene ben, indien ik niet een verloren zondaar ben; want voor verlorenen is Jezus in de wereld gekomen, en alleen de zoodanigen zoekt Hij.

Sommigen zullen zeker vragen: "Verwerpt gij dan de leer der verkiezing?" God beware mij daarvoor! De verkiezing is een van de meest vertroostende waarheden voor den geloovige. Door haar weet hij, dat God niet eerst aan hem gedacht heeft, toen hij bekeerd werd - niet eerst toen Christus stierf aan het kruis - maar vůůr de grondlegging der wereld, toen er nog niets geschapen was van alles wat bestaat. Door haar weet hij, dat het eerste wat God gedaan heeft, is hem te verkiezen om heilig en onberispelijk te zijn voor Hem in de liefde. (Efez. 1.) De oneindige en ondoorgrondelijke liefde Gods straalt hem daarin tegen. Zijne verlossing, zijn vrede, zijn geluk, zijne eeuwige heerlijkheid - alles is het gevolg van Gods eeuwige liefde, van Gods raadsbesluit vůůr de grondlegging der wereld. Daarom kan hij de leer der verkiezing niet genoeg waardeeren. Maar wij moeten die leer de rechte plaats geven. Zij is een landpaal en geen aanstoot. Het is geenszins het werk van een evangelist, de verkiezing te prediken. Paulus deed dit nooit. Hij leerde de verkiezing, maar hij predikte Christus. Dit is een groot onderscheid. Niemand kan een goed evangelist zijn, die in eenig opzicht niet helder is omtrent de leer der verkiezing. Van de prediking der verkiezing, in plaats van die van Christus, hebben wij de treurigste gevolgen gezien. Zorgelooze zondaars zijn nog zorgeloozer en bekommerde zielen nog bekommerder geworden.

Deze treurige gevolgen mogen wel een ernstige waarschuwing zijn voor hen, die predikers wenschen te zijn van de vrije en volkomen verlossing, die ons is geopenbaard door het evangelie van Christus, zoodat allen, die het hooren, zich niet kunnen verontschuldigen. Het werk van den evangelist is, om in zijne prediking te verkondigen de volmaakte liefde van God, de kracht van het bloed van Christus en het getuigenis des Heiligen Geestes. Zijne prediking moet onbelemmerd en duidelijk zijn. Hij moet een verlossing verkondigen, die aan allen wordt aangeboden, een verlossing, die eeuwig en onveranderlijk is. Het evangelie is de openbaring van het hart van God, door den dood van zijnen Zoon, en door het getuigenis des Heiligen Geestes.

Indien dit meer in beoefening werd gebracht, dan zou er meer kracht zijn, om de verontschuldigingen der zorgeloozen tot zwijgen te brengen, en de angst en de vrees der bekommerden weg te nemen. De eersten zouden geen grond van verontschuldiging hebben, en de laatsten geen reden tot vrees. Allen, die het evangelie verwerpen op grond van Gods eeuwig raadsbesluit, verwerpen hetgeen geopenbaard is op grond van hetgeen verborgen is. Wat kunnen wij bij mogelijkheid weten van Gods raadsbesluiten? Niet het minste. Hoe kan dan iets, dat verborgen is, een oorzaak zijn om te verwerpen, wat geopenbaard is? Waarom niet aangenomen, hetgeen geweten kan worden? Wil iemand werkelijk gelooven, dan zoekt hij niet naar gronden van tegenwerping. Maar, helaas! men wil God niet gelooven. Men verwerpt zijne goddelijke openbaring, en misbruikt zijne raadsbesluiten, die verborgen zijn. Welk een dwaasheid! Welk een verblindheid en zonde!

Wij wenschen bekommerde zielen, die zich kwellen met vragen omtrent de verkiezing, te bewijzen, dat het niet in overeenstemming is met de meening des Geestes. God roept hen in den toestand, waarin zij zijn; Hij roept hen als zondaars. Er is verlossing voor iederen zondaar, die zich als zondaar aan Jezus overgeeft. Dit is duidelijk genoeg voor iedere eenvoudige ziel. Vragen op te werpen omtrent de verkiezing is niets dan ongeloof. Het is de verwerping van hetgeen geopenbaard is, op grond van hetgeen verborgen is. Het is de weigering, van hetgeen ik kan weten, op grond van hetgeen voor mij verborgen is. God heeft zich geopenbaard door Jezus Christus, zoodat wij in Hem kunnen gelooven, en door het zoenoffer des kruises is in al onze nooden en behoeften voorzien. In plaats van mij bezig te houden niet de vraag: ben ik ťťn der uitverkorenen? is het mijn gezegend voorrecht te rusten in de volmaakte liefde Gods, in de algenoegzaamheid van het werk van Christus, en in het getuigenis des Heiligen Geestes.