Drie zijn er, die getuigen, de Geest en het water en het bloed.

Lees 1 Joh. 5:4-21.

God heeft zijnen Zoon in de wereld gezonden, en heeft daardoor de wereld op de proef gesteld. De Zoon Gods is in de wereld gekomen, en is in de wereld en door de wereld gekruisigd; en door deze daad heeft de wereld voortaan elke betrekking tusschen haar en God onmogelijk gemaakt. Jezus heeft, toen Hij dit oogenblik voorzag, gezegd: "Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend." (Joh. 17 : 25.) Het kruis, waaraan de wereld den Zoon Gods geklonken heeft, heeft voorgoed den toestand der wereld voor God beslist, en de wereld is zoodoende iets geworden wat de heiligen moeten overwinnen. Daarom stelt Johannes de vraag: "Wie is het, die de wereld verwint?" En, na geantwoord te hebben, dat hij de wereld overwint, "die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God." voegt hij er bij: "Deze is het, die gekomen is door water en bloed," en stelt ons alzoo de waarde en het karakter van het kruis voor. "Hij is gekomen door water en bloed"; het water en het bloed zijn getuigen van Godswege, of een "getuigenis" dat God geeft.

En "dit is het getuigenis, dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen Zoon!" Ziedaar de zaak, waarvan het getuigenis getuigt. Het leven is niet in Adam, maar in Gods Zoon; het is niet in den mensch, noch door de werken van den mensch, noch door eenig middel, hoe ook genoemd, maar het is Gods gave. (Rom. 6 : 23.) God heeft ons het eeuwige leven gegeven, en dit leven is in zijnen Zoon; hoewel wij het leven bezitten, zoo is het toch niet in ons; - het is in zijnen Zoon. Hoewel wij levend gemaakt zijn, wordt het leven niet beschouwd, alsof het in ons is; want Jezus zegt: "omdat ik leef, zult ook gij leven." (Joh. 14 : 19.) [1]

Indien het leven van Christus kon ophouden te bestaan, of vernietigd kon worden, dan zou dit ook het geval met ons leven zijn; als Christus kan sterven, dan kunnen wij ook het leven verliezen; maar indien de dood geen macht meer over Hem heeft, dan heeft hij ook geen macht meer over ons. De bron van het leven is in Christus; en dit geeft aan dit leven zijne groote waarde en zijn karakter. "Het is den Zoon gegeven om het leven in zichzelven te hebben" (Joh. 5 : 26.); en Hij-zelf wordt ons leven door de genade. Evenals de vinger of de hand leven, van het leven als doordrongen zijn, zonder het leven in zichzelven te hebben, of de zetel van het leven te zijn, zoo is ook de zetel van het leven niet in ons, maar in Christus. "Ons leven is met Christus verborgen in God;" (Kol 3:3.) Het is even onveranderlijk als Hij-zelf is.

Het geheele karakter van dit leven en de gemeenschap met God vloeien uit deze kostbare waarheid voort, dat het leven is "in zijnen Zoon;" hetgeen dit leven kenmerkt, is de nabijheid Gods. Christus zelf is ons leven; (Kol 3 : 4.) en het is van het hoogste belang voor de opbouwing en vertroosting onzer zielen en voor onze vreugde in God, dat wij goed begrijpen, wat dit leven is; want onze gedachten over de wedergeboorte zijn noodwendig onvolkomen, zoolang wij niet begrepen hebben, dat het leven, hetwelk wij bezitten, een werkelijk leven is - een leven, hetwelk ons aan Gods Zoon verbindt - een leven, dat wij vroeger niet bezaten, en uit kracht waarvan wij nu gemeenschap hebben met den Vader, die ons het eeuwige leven gegeven heeft, niet in onszelven maar "in zijnen Zoon."

Het Woord Gods leert ons door verschillende getuigenissen, wat Christus voor ons is. Zoo zegt Paulus in den brief aan de Korinthirs, van de afschuwelijkste zondaren sprekende: "En dit waart gij sommigen; waar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam des Heeren Jezus, en door den Geest onzes Gods." (1 Kor. 6 : 9-11.) Aan dit getuigenis beantwoorden de drie getuigen, waarvan hier melding wordt gemaakt: het water, het bloed en de Geest.

Johannes vermeldt, dat een der krijgsknechten de zijde van Jezus met een speer doorstak, "en terstond kwam daar bloed en water uit." (Joh. 19 : 34.) Het water en het bloed kwamen voort uit een gestorven Christus. Hierdoor wordt ons op treffende wijze geopenbaard, dat elke betrekking, die er tusschen den natuurlijken mensch en God kon bestaan, voortaan voor altijd verbroken is! Tot op den dood van Christus heeft God zich met 's menschen natuur bezig gehouden en die op de proef gesteld, om te zien, of liever om ons te doen zien - want Hij wist wat er van deze natuur was - of het mogelijk ware, dat zij iets goeds voortbracht. Het kruis maakte aan deze proefneming een einde; de door de wereld verworpen Zoon Gods is het bewijs van de geheele en volkomen bedorvenheid van 's menschen natuur; de mensch is van dien tijd af, niet alleen een uit het paradijs verdreven zondaar zooals Adam, maar zijn toestand is, in plaats van alleen te zijn het gevolg van zijne verwijdering uit Gods tegenwoordigheid uithoofde van de zonde, de vrucht van de kracht en van den wil zijner booze natuur, die God uit zijn eigen erfdeel heeft geworpen.

Het kruis is, ik herhaal het, het stellige bewijs van de geheele onmogelijkheid om de menschelijke natuur, door welk middel ook, te herstellen of te verbeteren. Dit is wel een vernederende waarheid, maar die toch een grooten zegen in zich bevat. Hemel en aarde waren machteloos, - de wet was machteloos; - toen zeide God: "Wat zal Ik doen? - Ik zal mijnen geliefden Zoon zenden; mogelijk, dezen ziende, zullen zij Hem ontzien." (Luk. 20 : 13.) - Maar neen, het doel waarnaar de mensch streeft, is om de wereld zonder God te bezitten. Ziedaar wat hij verlangt; hij wil op geenerlei wijze iets van God weten; en hiermede is de maat der ongerechtigheid vol.

Als gij de vermaken der wereld najaagt, weet gij zeer goed, dat gij God daar niet vindt, en dat, als gij er Hem ontmoettet, zijne tegenwoordigheid het geheele tooneel zou veranderen. Daarom zegt gij bij uzelven: "Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, opdat de erfenis onze worde." Gij zegt: Maar ik heb mijne handen niet tegen Gods Zoon opgeheven om Hem te kruisigen. Dat is waar, maar gij hebt Hem uit uw hart verjaagd. De dag die nadert, zal meer dan een te voren alles, waartoe de menschen in staat zijn, in het licht stellen; hij zal hen allen in een gemeenschappelijke poging vereenigd vinden om de wereld zonder God in goeden gang te houden. Is het der wereld ooit voorspoediger gegaan dan thans? vragen de menschen. Is er ooit onder de volken zooveel eenheid geweest, en hebben zij ooit grooter overvloed van hulpmiddelen van allerlei aard ten toon gespreid? Van alle kanten roept men: "Vrede, vrede!" en men zoekt den vrede door de kracht en den arbeid van den eigen wil, zonder God; men zoekt den vooruitgang der wijsbegeerte, der staatkunde, des handels, en van het algemeen welzijn dezer wereld; en tegelijkertijd is het hart van den mensch beangst, als het de gevolgen van dezen vooruitgang van zijn eigen wil inziet. Het geroep van "vrede'' vermengt zich met een benauwdheid, die maakt, dat "den menschen het hart bezwijkt van vrees, in verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen." (Luk. 21 : 26.) De tegenstrijdigheid, die zich in deze woorden schijnt te bevinden, bestaat slechts in schijn; want wie van hen, die zich overgeven aan handel, kunsten en wetenschappen, zou voor een tijdperk van slechts drie jaren, of zelfs voor nog korteren tijd willen instaan voor het lot van welk volk ook? De mensch schrikt, als hij de uitwerking van den eigen wil in zijns gelijken gadeslaat, alhoewel hij-zelf zijnen eigen wil wenscht te doen; - doch de christen heeft geleerd, dat de verwerping van Christus den toestand der wereld voor God heeft beslist.

Nu de wereld Christus verworpen heeft, is het met haar en met den mensch, zooals deze van zichzelven is, gedaan; want de mensch heeft zich niet alleen uit het paradijs doen verjagen, maar hij is de moordenaar geworden van den Zoon Gods, toen deze in de wereld gekomen is. Doch dan treedt de genade op; en de christen verlaat de wereld, om in den verworpen Zoon Gods het leven te vinden, dat men alleen in Hem kan hebben: "Dit is het getuigenis Gods, dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen Zoon." Te midden van al het getier en de onrust dezer wereld, heeft de ziel, die naar vrede smachtte, Christus doorstoken gezien, en zij heeft in Hem, hetgeen reinigt en verzoent, gevonden.

Dit zijn geen bespiegelingen, dit is niet slechts een leerstuk, maar werkelijkheid; want zoodra mijn geweten wakker wordt, erken ik, dat ik, wat mijne natuur betreft, van God gescheiden ben, dat de gedachten mijns vleesches vijandschap zijn tegen God, en dat het niet alleen de wereld was, die Gods Zoon kruisigde, maar dat mijne zonden Hem doorstoken hebben. Dit is dus een geheel persoonlijke zaak, dit is de weg, die de ziel tot de zaligheid leidt. Als ik werkelijk geloof, wat het Woord Gods ten opzichte van het kwaad, dat in mij woont, verklaart, zal de vraag: wat moet ik doen? dadelijk in mijne verontruste ziel opkomen. Alles wat mij tot een zedelijk mensch maakt, zegt mij, dat ik in dezen toestand niet voor God kan bestaan; maar door een doorstoken Christus verkrijg ik drie getuigen, die verklaren, dat ik in betrekking met God treden en omgang met Hem hebben kan. De schuldigste daad jegens God, waartoe de mensch in zijne onbeschaamdheid in staat was, heeft datgeen doen vloeien, wat de zonde wegneemt, te weten het bloed en het water, springende uit de doorstoken zijde van Jezus. Verondersteld, dat ik eerst gisteren de speer tegen den Zoon Gods heb opgeheven, dan heeft de daad zelve, die mijne vijandschap openbaart, ook datgeen doen vloeien wat haar uitwischt. En dan alleen, wanneer ik het water en het bloed, die de zonde wegnemen, heb zien springen uit de doorstoken zijde van Jezus, slechts dan kan ik de zonde op hare juiste waarde schatten. Maar om hiertoe te komen moet ik tot het bewustzijn gebracht worden, dat ik in den geest aan den voet van het kruis was, dat ik vijandschap was tegen God, dat ik de hand tegen den Zoon Gods heb opgeheven, en dat mijne zonden Hem doorstoken hebben. - Is het niet in dien zin, dat God aan de Joden verwijt, dat zij den erfgenaam gedood hebben? Want degenen tot welken Petrus (Hand. 2.) zegt: "Gij hebt Hem genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood," hadden zelven hunne handen niet aan den Vorst des levens geslagen; maar hunne harten hadden in zijnen dood toegestemd. Zij hadden de speer evenmin tegen Hem opgeheven als gij of ik; maar zij hadden, in denzelfden geest, aan Jezus een plaats in hunne harten geweigerd. En handelt God niet op dezelfde wijze met de wereld? Evenals Hij aan Kan vraagde: "waar is Habel, uw broeder?" zoo zegt Hij nu tot de wereld: "wat hebt gij met mijnen Zoon gedaan?" - en het eenige antwoord, dat de wereld kan geven, is: "wij hebben Hem gedood!"

Van het oogenblik af dat de Joden hunnen Messias verworpen hebben, hebben zij alle recht op de beloften verloren; elke hoop op behoud, in n woord, alles heeft voor hen, als volk, opgehouden; en willen zij nu gezegend worden, dan moeten zij als zondaren tot God naderen; hunne zonde moet door het bloed, dat uit de doorstoken zijde van hunnen Messias gevloeid heeft, worden weggenomen. - Als de mensch alle recht verloren heeft, dan geeft God het eeuwige leven. God wil niet, dat de mensch zijne oogen op zichzelven vestige, tenzij hij noodig hebbe om tot het bewustzijn van zijnen zondigen toestand gebracht te worden; maar anders plaatst God Christus voor het hart van den mensch. Heb ik gezien, dat mijne zonden Christus aan het kruis geklonken hebben? Welnu, het bloed heeft de zonde weggenomen, het bloed heeft de zonde van hem, die de speer tegen Jezus ophief en Hem doorstak, weggenomen. Wij zijn niets dan zonde, maar Christus is zonde voor ons gemaakt; en het bloed wordt door een gestorven Christus voor ons een getuigenis, dat onze zonden zijn uitgewischt; want het bloed getuigt van de volkomen verzoening der zonde. Christus heeft de zonde te niet gedaan door zijns zelfs offerande. (Hebr. 9 : 26) Als wij letten op het deel, dat de mensch in deze offerande genomen heeft, dan zouden wij ongetwijfeld een geheel ander getuigenis vinden, maar God richt onze blikken op het doel, waartoe Christus in de wereld gekomen is, en op hetgeen Hij er volbracht heeft.

Het Woord Gods spreekt echter niet alleen van bloed, maar ook van water. - Het bloed verzoent, het water reinigt; gelijk geschreven staat: "Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door

het woord." (Efez. 5 : 26.) Ik herhaal: het bloed verzoent, het water reinigt. Het water legt getuigenis af van dezelfde levendmakende kracht als de Geest. "Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan." (Joh. 3 : 5.) De Geest Gods is de bron des levens en de kracht des Woords, en Hij maakt levend. Het Woord Gods is het werktuig, waarvan de Heilige Geest zich bedient, het is "het onvergankelijk zaad;" ook is het "een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten," en door hetzelve deelt God ons zijne gedachten mede. Het is uit, de doorstoken zijde van Christus, dat het water en het bloed, deze getuigenissen van God, zijn gevloeid, aldus het doodvonnis uitsprekende over s menschen natuur en over alles, wat deze kan voortbrengen; want het kruis brengt geen wijziging in deze natuur, maar het houdt al wat buiten Christus is voor dood, dewijl er lusten, gedachten noch begeerten naar de wereld bestaan, waarover Christus het doodvonnis niet heeft uitgesproken; en op deze wijze vormen zich nieuwe genegenheden in ons, "die der zonde dood zijn, maar Gode levende" door het leven, dat in zijnen Zoon is. Het ware karakter dezer reinigmaking bestaat in het doodvonnis, dat zij uitspreekt over alles wat niet voortvloeit uit deze bron des levens - den doorstoken Christus. Het water reinigt, maar deze reinigmaking wordt bewerkstelligd door een gestorven Christus. Christus was in zijnen geheelen levensloop het voorbeeld van hetgeen de mensch moest zijn, maar wij kunnen daarin slechts deelen door de reinigmaking van zijnen dood.

Doch wij hebben niet alleen het getuigenis van het bloed dat verzoent, en van het water dat reinigt, volgens hetwelk wij der zonde dood zijn; maar Jezus heeft voor ons den Geest verworven, de tegenwoordigheid van den Heiligen Geest als de kracht des Woords. - Misschien zal iemand zeggen: "Ik vind niet, dat ik inderdaad der zonde dood ben." Maar gij haat de zonde, hetwelk een bewijs is, dat gij der zonde gestorven zijt. Zegt het Woord niet: "want dat Christus gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven .... ; alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij der zonde dood zijt?" (Rom. 6 : 10, 11.) God behandelt ons steeds overeenkomstig hetgeen Hij ons gegeven heeft, en bejegent ons, alsof wij dit ten volle verwezenlijkt hadden. Zoo zegt Jezus tot zijne discipelen: "En waar ik heenga, weet gij, en den weg weet gij" (Joh. 14: 4); omdat zij Hem kenden, die de weg is om tot den Vader te gaan; doch Thomas kon in oprechtheid daarop antwoorden: "Heer! wij weten niet, waar gij heengaat, en hoe kunnen wij den weg weten?" omdat noch hij, noch de andere discipelen ooit verwezenlijkt hadden, wat de Heer hun gezegd had. - Zoodra ik in Jezus geloof, word ik geroepen om mijzelven als dood te beschouwen - niet om te sterven. God wil, dat ik mijne leden dood die op de aarde zijn (Kol. 3 : 5.), maar Hij zegt mij niet te sterven. Iemand die onder de wet is, zal alle pogingen in het werk stellen om te sterven, zonder ooit daartoe te kunnen geraken; een christen is dood, en zijn leven is met Christus in God verborgen; hij doodt zijne leden, die op de aarde zijn, omdat hij leeft in de kracht van het leven, dat hij in den Zoon Gods bezit.

In den tekst uit den brief aan de Kolossensen, zooeven door mij aangehaald, spreekt de Schrift niet van ons, alsof ons leven hier op aarde is, want dit leven is hierboven met Christus in God verborgen; - maar zij beschouwt ons als gestorven, en als hebbende onze leden, die op de aarde zijn, te dooden. God zegt ons nooit, dat wij onszelven moeten dooden, maar het geloof ontvangt het getuigenis Gods als waar; daarom zeg ik: "ik ben dood;" en omdat ik dood ben, heb ik mijne leden te dooden. Ik zoek niet te sterven, want ik weet, waar de kracht zich bevindt, maar ik houd mijzelven voor dood. - Wat het dagelijksche leven betreft, bestaat er een moeielijkheid ten opzichte van het water: hoe kan ik zeggen, dat ik afgewasschen ben, terwijl ik zie, dat ik bezoedeld ben? - Desniettemin kan ik zeggen, dat ik met Christus gestorven ben, want nooit zal het mij gelukken mijzelven te doen sterven. Van het oogenblik af, dat ik in Christus geloofd heb, behoort alles, wat Hij volbracht heeft, mij toe, en God rekent het mij toe. Het kan zijn, dat ik het niet verwezenlijkt heb, doch de schat is in mijn bezit.

Misschien zal men zeggen: ik geloof in de geheele waarde en in de algenoegzame kracht van Christus werk, maar ik kan mij die niet toerekenen. Maar wie vraagt u zulks? - God is het, die ze toerekent, en als gij in de waarde en algenoegzaamheid van dit werk gelooft, heeft Hij u die toegerekend. Zoodra wij in Christus gelooven, bezitten wij den Heiligen Geest, die getuigenis geeft. "Hij zal het uit het mijne nemen, en zal het u verkondigen". (Joh. 16 : 14.) Evenals de Zoon in de wereld gekomen is om den wil te doen van Hem, door Wien Hij gezonden was, en vervolgens weder ten hemel is gevaren, zoo is ook de Heilige Geest, na de hemelvaart van den Zoon, als goddelijk persoon hier op aarde nedergedaald. Er wordt van Hem gesproken als zijnde nu op de aarde, en zijne tegenwoordigheid geeft aan Gods Gemeente haar waar en bijzonder karakter.

De Geest der waarheid, op aarde nedergedaald, is de derde getuige. Zoodra ik geloof, word ik met den Heiligen Geest der belofte verzegeld, en alles, wat ik als christen kan voortbrengen, is het gevolg van het feit, dat ik met dien Geest verzegeld ben. De verlossing geheel volbracht zijnde, daalt de Heilige Geest op aarde neder, zoodat de Gemeente hier op aarde geplaatst is tusschen de volbrachte verlossing en de toekomstige heerlijkheid. De kennis van het feit, dat ik met Christus gestorven ben, geeft mij een rein hart, daar ik-zelf het vleesch, der zonde, der wereld en der wet gestorven ben. Door het bloed verkrijg ik een volmaakten vrede en een goed geweten; en dan komt de Heilige Geest van Godswege in mij wonen, en zoo heeft mijn vrede het getuigenis van God zelven. Het geheele tooneel, in welks midden ik leefde, is voorbijgegaan; de geheele menschelijke natuur heeft voor mij een einde genomen; al mijne zonden zijn verdwenen, zijn afgewasschen door het bloed; voortaan ben ik der zonde dood en Gode levende. Het kruis, de wonden van Christus, zijn de deur waardoor ik ben ingegaan, en de tegenwoordigheid van den Heiligen Geest is de kracht, door welke ik van de vruchten der verlossing geniet.

Er zijn er drie, zooals wij gezien hebben, die getuigen, "de Geest, het water en het bloed," en deze drie leggen n zelfde getuigenis af; zooals er staat: "En deze drie zijn tot n." Het hart van den mensch zoekt altijd een getuigenis Gods betreffende zichzelven, maar God getuigt niet van ons, maar van zijnen Zoon. Als Hij van ons moest getuigen, dan zou dit onze zonde en het ongeloof onzer harten betreffen; maar, neen! God getuigt van zijnen Zoon, en wat deze voor zondaars is. En het geloof in dit getuigenis geeft vrede. Als ik voor God een standpunt zoek in te nemen, hetwelk op mijne heiligheid gegrond is, dan is dit eigen-gerechtigheid, en dan kan ik van God geen getuigenis verwachten dat gunstig voor mij is; maar als mijne ziel zich voor God plaatst, steunende op het getuigenis, dat God van zijnen Zoon aflegt, dan heb ik het getuigenis in mijzelven; als ik dit getuigenis geloof, dan bezit ik in mijn hart het voorwerp waarvan God getuigt. Dit was het wat Paulus, toen hij voor Agrippa stond, deed zeggen: "Ik wenschte wel van God, dat, n bijna n geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden hooren, zoodanigen wierden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden." (Hand. 26 : 29.) Paulus was zoo geheel doordrongen van het gevoel, dat de Christus, die in hem was, dezelfde was als die in den hemel is, en hij gevoelde zich z gelukkig in deze zekerheid, dat hij wenschte, dat allen, die hem hoorden, zoodanigen wierden als hij, uitgenomen zijne banden, opdat zij Christus als een springende fontein in zich mochten hebben. Dit maakt dan ook den hemel tot een hemel voor den christen. Hij vindt in den hemel denzelfden Christus, dien hij in zijn hart bezit; en al de spitsvondigheden van het ongeloof kunnen hem niet in de war brengen. Al de redeneeringen der ongeloovigen zijn machteloos tot omverwerping mijner zekerheid, als ik in Christus gelukkig ben; en indien er iemand tot mij kwam om mij te bewijzen, dat er geen Christus is, zal ik hem gewis niet gelooven, wanneer ik in Christus gelukkig ben. Ik heb geen betoogen of bewijzen noodig; het geluk mijner ziel en de kracht mijner genegenheid voor Christus zullen een zeker getuigenis voor mij zijn. Dikwijls heb ik ondervonden, hoeveel indruk het maakte op menschen van den meest verschillenden inborst, als ik hun verklaarde, dat ik volkomen gelukkig was in Christus, en verzekerd was van in den hemel te komen. - Gij zijt wel gelukkig, antwoordde men mij, en wij zouden wenschen hetzelfde te kunnen zeggen! - Nu is mijn geluk wel geen bewijs voor een ongeloovige, maar dit geluk spreekt toch tot het hart van den mensch, omdat er in dat hart een verlangen naar geluk bestaat, dat alleen door het bezit van Christus kan voldaan worden.

Wie zal, zonder Christus, het raadsel dezer wereld van ellende verklaren! Kom in de straten en buurten onzer steden, en aanschouw de ellende en het verval van den mensch, zelfs in de meest beschaafde streken, dan kunt gij zien, wat de zonde voortbrengt. En als gij mij nu zegt, dat al deze zonden en dit verval den Zoon Gods in de wereld deden komen tot wegneming der zonde, dan begrijp ik u. God geeft het eeuwige leven; geen tijdelijk leven, of een leven, dat wij door de zonde zooals Adam kunnen verliezen; maar het eeuwige leven - een leven, dat zoowel boven de zonde verheven als buiten het bereik der zonde is; want dit leven is "in zijnen Zoon," en dus zoo dicht bij God als met mogelijkheid zijn kan. "Dit leven is in zijnen Zoon", die van alle eeuwigheid het voorwerp was, waarin de Vader zijne vreugde vond, en die, toen Hij hier op aarde was, het getuigenis ontving: "Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb Ik mijn welbehagen." (Luk. 3 : 22; 9 : 35.)

God heeft ons het eeuwige leven gegeven en dit leven is in zijnen Zoon; en God heeft ons, het eeuwige leven gevende, ook een natuur gegeven, die in staat is om eeuwig van Hem te genieten. Wij zijn in betrekking en in gemeenschap met God gebracht, en wij genieten van God op een wijze, die de engelen niet kennen, alhoewel zij van nature heilig en heerlijk zijn. "Wij zijn nabij geworden," ten einde "de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat, te kennen, opdat wij vervuld worden tot al de volheid Gods." (Efez. 3 : 19.)

Welk een heerlijke toestand, waarin God ons geplaatst heeft! O mogen wij slechts gereinigd worden, ik spreek niet van grove zonden, maar van de ijdelheid en wereldsgezindheid, waarvan onze harten zoo vol zijn, om van de volle zegening onzer gemeenschap met God te genieten! Hij heeft den toorn Gods voor onze zonden gedragen, opdat de beker van geluk ons mocht toegereikt worden. Wat God verlangt, is, dat wij eenvoudig van hart zijn. Iemand moge over vele dingen kunnen spreken, maar al zijne kennis zal hem, zonder Christus, niets baten; doch als wij Christus in ons hebben, zal de Satan ons nooit kunnen aantasten; want als die nadert, dan bevindt hij zich tegenover Christus, die hem overwonnen heeft; en "Hij die in u is, is meerder, dan die in de wereld is." (1 Joh. 4 : 4.) Het is een heerlijke gedachte, dat elk geloovige, al is hij ook eerst heden uit God geboren, in Christus hetzelfde bezit als de verstgevorderde christen; en zoo er iemand mocht zijn die denkt, dat hij een te groot zondaar is, om deel aan deze dingen te hebben, zoo zegt God hem, dat het bloed zijne zonden heeft weggenomen, en het voor altijd dit vraagstuk beslist heeft.

Mogen wij daarom, geliefde broeders! het getuigenis van God recht leeren verstaan en geloovig aannemen, om dan in de kracht der heiligheid te wandelen en Hem te verheerlijken, die ons zoo onuitsprekelijk heeft liefgehad!


[1] Zie de engelsche en fransche vertaling