De twee werelden.

(1 Tim. 6)

In het begin van dit hoofdstuk worden de geloovigen vermaand, het feit, dat zij broeders in Christus Zijn, niet te misbruiken. Zoo wordt de geloovige dienstknecht vermaand, een dienstknecht te zijn in het bewustzijn van de eer, die hij zijnen heer schuldig is, en op geenerlei wijze voordeel te trekken uit zijne eenheid in Christus met zijnen heer. Dit is waarlijk een kostbare vermaning, en, zooals dit hoofdstuk zegt, Gode en zijner leer waardig.

Evenzoo worden in het vervolg van dit hoofdstuk de rijken en de armen vermaand niet wereldsgezind te zijn, deze tegenwoordige wereld te verloochenen en naar de toekomende wereld, of naar het eeuwige leven te jagen. Den eenen wordt gezegd, dat zij mededeelzaam, den anderen, dat zij tevreden zullen zijn.

Verder vinden wij hier een treffende verklaring over de twee werelden - over de tegenwoordige of de wereld van den mensch, en over de toekomende of de wereld van Christus, en dat wel in verbinding met den Heer Jezus zelven.

In de tegenwoordige wereld wordt TimotheŘs vermaand, den goeden strijd des geloofs te strijden, de begeerte naar rijkdom te vlieden, en de genade en de neigingen des christelijken karakters na te jagen. Hij wordt vermaand, dit gebod te houden als voor het aangezicht van God, die alle ding levend maakt, en voor Jezus Christus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft. (vs 13-15.)

Deze vermaning herinnert er ons aan, dat Jezus in de wereld een belijder was. Hij was het, in tegenwoordigheid van den romeinschen stadhouder. Hij verloochende deze wereld, daar Hij zeide: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld." Hij wees alles van zich, wat Hij in de tegenwoordige wereld had kunnen bezitten. De vorst dezer wereld had niets aan Hem; maar God, die alle ding levend maakt, had een wereld voor Hem bereid. Hij gaf deze tegenwoordige wereld prijs, en God zal Hem maken tot zijnen Plaatsbekleeder in macht en majesteit in de toekomende. Hij, die een ontoegankelijk licht bewoont, zal te zijnen tijd vertoonen "de zalige en alleen machtige Heer, de Koning der koningen en de Heer der heeren!"

Hierin ligt iets zeer heerlijks en bewonderenswaardigs opgesloten. De tegenwoordige wereld was het tooneel, waar Jezus in gevaar van zijn leven getuigenis aflegde, waar Hij antwoord gaf in tegenwoordigheid van de machten dezer wereld. De toekomende wereld echter zal het tooneel zijn, waar deze verachte Nazarener schijnen zal als het afschijnsel van Gods majesteit en heerlijkheid.

Doch laat mij nog een opmerking maken. Deze Jezus was reeds in de tegenwoordige wereld een Plaatsbekleeder des Vaders. "Die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien." In Hem ziet het geloof het beeld van Gods zelfstandigheid, het beeld des onzienlijken Gods, de openbaring van de liefde en de heerlijkheid des Vaders. Reeds heeft. Hij de genade betuigd, maar nog niet de macht - de genade in God, maar nog niet de macht op aarde. Reeds heeft Hij gerechtigheid betuigd in nederigheid en lijden; weldra zal Hij het doen in heerlijkheid en glans. Zoo waarlijk als Hij hier gezien is als de nederige dienstknecht, zal Hij weldra, wanneer de dag van Openbaring 19 aanbreekt, als de Koning der koningen en de Heer der heeren worden aanschouwd en gehuldigd.

Mochten wij evenals Hij, de tegenwoordigen wereld verloochenen en prijsgeven, en met verlangende harten uitzien naar de heerlijkheid van de toekomende wereld, wanneer wij, gezeten met Hem in zijnen troon, de heerschappij zullen deelen, welke de Vader Hem gegeven heeft!