Eenige woorden over de Drieëenheid

 

Hoewel het volstrekt ongerijmd is van een meervoud in het goddelijk Wezen te spreken, bestrijd ik nogtans de meening, dat God zich ooit als Eén volkomen geopenbaard heeft, of volkomen geopenbaard kan worden. Wel werd Hij, in tegenstelling tot het veelgodendom der heidenen, als een eenig God geopenbaard; doch in dat geval was zijne openbaring geen volkomene. Hoe weinig wij ook in staat zijn, zijne diepte te doorgronden, zoo weten wij toch, dat zijne openbaring eerst toen een volkomene was, toen Hij zich als de drieëenige God bekend maakte. Geopenbaard als een eenig God, woonde Hij binnen het voorhangsel, zoodat het niemand geoorloofd was, Hem te naderen; en door velerlei zinnebeelden toonde Hij, dat Hij nog niet werd gekend, dat het ware licht nog niet scheen, en dat de weg tot het heilige der heiligen nog niet geopenbaard was.

De volle openbaring van God begint met de komst van den Zoon, die in den schoot des Vaders is, in deze wereld. De Zoon is het beeld des onzienlijken Gods. (Kol. 1 : 15.) Wie Hem gezien heeft, heeft den Vader gezien. (Joh. 14 : 9.) Het licht Gods was in de wereld; maar de mensch zag het en begreep het niet. (Joh. 1 : 5.) De Geopenbaarde, de Vader, werd gekend, of kon gekend worden in goedertierenheid door den Zoon; en alleen de Zoon kon den Vader volkomen openbaren.

Doch dit is niet alles. De duisternis heeft het licht niet begrepen. Nadat nu het noodzakelijke werk volbracht was, om ons, in overeenstemming met de heilige en rechtvaardige natuur van God, in dien toestand te verplaatsen, zonder welken een waarachtige kennis van God onmogelijk is, werd de Heilige Geest de kracht om ons levend te maken en bekwaam tot het verstaan van de openbaring Gods.

Zonder de Drieëenheid zouden de liefde, de gerechtigheid en de heiligheid - de ware natuur van God – nooit zijn gekend geworden; want God was nimmer geopenbaard geworden, zooals Hij is en zooals Hij steeds was. Zonder de Drieëenheid bleef de ware natuur van God verborgen. De Zoon maakt levend, wien Hij wil; doch alles wat Hij doet, geschiedt in volmaakte overeenstemming met den Vader. De Heilige Geest deelt zijne gaven uit aan wien Hij wil; doch nooit gebeurt dit gescheiden van den wil des Vaders en des Zoons. Zij hebben niet dezelfde raadsbesluiten, maar slechts één raadsbesluit, één meening, één doel; evenwel onderscheiden zich hunne werkzaamheden in de volvoering dier raadsbesluiten. De Vader zendt den Zoon, en de Zoon zendt den Geest. Maar toen de Zoon kwam, was Hij niet gescheiden van den Vader. "De Vader, die in mij blijft, dezelve doet de werken." (Joh. 14 : 10.) Hij wierp de duivelen uit door den Geest van God; en toch wierp Hij ze uit. Er bestaat een volmaakte eenheid in alles; niet een eenheid, die tot bereiking van één en hetzelfde doel door vereeniging is tot stand gebracht, ook geen eenheid, zooals bij ons, welke door één Geest, die in ons allen woont, vereenigd zijn; maar een van eeuwigheid bestaande eenheid, waarin slechts één wil en één raadsbesluit werkzaam zijn, en alleen de uitvoering van dit raadsbesluit een onderscheid toelaat.

Wie zal zich aanmatigen, deze verborgenheid der eenheid in de Drievuldigheid te willen doorgronden! Doch de waarheid is, dat de Vader geopenbaard is, dat de Zoon openbaar maakt, en dat de Heilige Geest levend maakt en het verstand geeft. De Zoon, die openbaart, is niet verschillend van den Vader; want anders zou Hij Hem niet openbaren. Door den Geest, die levend maakt en het verstand geeft, zijn wij uit God geboren en bekwaam gemaakt te erkennen, dat God in ons woont. Hij openbaart ons God door zijne eigen tegenwoordigheid, en is in ieder opzicht de in het schepsel werkende kracht van God.

Het schepsel kan nimmer God begrijpen; want anders zou God geen God zijn. Hetgeen eindig is, kan onmogelijk den Oneindige begrijpen, of er bestaat geen eindig en oneindig meer. De oneindige God kon zich nooit als zoodanig aan het eindige schepsel openbaren; iedere openbaring van een rechtvaardigen en heiligen God in heerlijkheid zou voor den gevallen mensch ondragelijk zijn geweest. Doch in den Zoon door den Heiligen Geest, door het werk van Christus en door de werking des Heiligen Geestes, is God geopenbaard; en naar de liefde des Vaders zijn de gerechtigheid en de heiligheid gehandhaafd en verheerlijkt geworden, zoodat wij bekwaam zijn gemaakt tot de gemeenschap met den Vader en den Zoon, en tot het verstaan van alle door den Heiligen Geest medegedeelde wegen.

Overal waar Johannes van de macht der genade spreekt, die de menschen tot de kennis en het bezit van God brengt, spreekt hij steeds van den Vader en den Zoon, terwijl hij er later in de woorden van Christus de tegenwoordigheid en den arbeid des Troosters bijvoegt. Wij zien derhalve, dat er geen volle openbaring van God kan zijn, dan alleen als gevolg van de openbaring van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Alleen in deze Drieëenheid openbaart zich volmaakt de eenig ware God. Onze gebeden zijn op deze waarheid gegrond. Door Christus, den Zoon, hebben wij den toegang door éénen Geest tot den Vader.