Wie zijn de kinderen der wijsheid?

 

Er is n kenmerk, waaraan men de kinderen der wijsheid terstond kan leeren kennen, namelijk, dat zij de wijsheid rechtvaardigen. Dit zegt de Heer in Lukas 7:35: "Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al hare kinderen." In datzelfde hoofdstuk lezen wij: "En al het volk, Hem hoorende, en de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Maar de farizen en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van Hem niet gedoopt zijnde."

Hieruit leeren wij de zeer eenvoudige waarheid, dat al de kinderen der wijsheid God rechtvaardigen en zichzelven veroordeelen. Dat is het ware standpunt voor een zondaar. Op dezen grond stond Abel, toen hij Gode een "betere offerande" bracht. Op dien grond stond Noach, toen hij "een ark toebereidde voor zijn huisgezin." Daar stond Job, toen hij uitriep: "Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en asch." Dat was het standpunt van Petrus, toen hij uitriep: "Heer, ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch!"

"En wat zou ik nog meer zeggen? De tijd zou mij ontbreken," als ik al de kinderen der wijsheid zou willen opnoemen, al de leden van die hoog bevoorrechte familie, die vrijwillig en volkomen Gods gedachten over hen aangenomen, en zichzelven als arme, schuldige, verdoemelijke zondaars erkend hebben, die er toe gebracht zijn om met David te zeggen: "Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd; en gedaan dat kwaad is in uwe oogen; opdat gij rechtvaardig zijt in uw spreken en rein in uw richten." (Ps. 51 : 6.)

Dat is de onveranderlijke taal van de kinderen der wijsheid. Zij veroordeelen zichzelven en rechtvaardigen God. Zij verontschuldigen zich niet; zij zoeken zich niet beter voor te doen, en willen zich niet verbergen. Voor dat zij z spreken, is er nog niets in orde; eer de ziel op dien grond staat, is er een onoverkomelijke kloof tusschen haar en God. "Toen ik zweeg," zegt David, "werden mijne beenderen verouderd, in mijn brullen den ganschen dag. Want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte." (Ps. 32:3, 4.)

Zoo is het altijd. Er kan geen troost, geen rust, geen zegen, geen bewustzijn van vergeving, geen vrede en geen gemeenschap met God zijn, wanneer het hart niet eerst geopend en er waarachtig berouw aanwezig is.

Maar wat dan? Hoe handelt God met degenen, die Hem rechtvaardigen en zichzelven veroordeelen? Zijn naam zij geprezen! Hij rechtvaardigt hen en veroordeelt hunne zonden. Heerlijke genade! Op hetzelfde oogenblik, dat ik mijne plaats als een verloren zondaar inneem, brengt God mij op de plaats van een gerechtvaardigden heilige. Het oordeelen van onszelven is de zekere voorbode van de goddelijke rechtvaardiging. Ik heb mij slechts als een verdoemelijk zondaar aan te klagen; en dan kan ik al het andere aan God overlaten. De kinderen der wijsheid rechtvaardigen God en God rechtvaardigt hen; zij veroordeelen zichzelven, en Hij vergeeft hun.

Hoe kan dit evenwel geschieden? Het kruis geeft ons het antwoord. Daar veroordeelde God de zonde. Daar werd zijn toorn over de zonde uitgegoten over Hem, die tot zonde voor ons gemaakt was.

Waarde lezer! Zijt ook gij een kind der wijsheid? Zijt ook gij door genade er toe gebracht, uwe schuld te zien en ze voor God te belijden? Hebt ook gij de genade Gods in Christus Jezus aangenomen? Zoo ja, dan kunt gij u in het volbrachte werk van Jezus verblijden, dan zijt gij voor eeuwig gelukkig.