De gebeurtenissen na het duizendjarig rijk.

"En wanneer de duizend jaren zullen geŽindigd zijn, zal de Satan uit zijne gevangenis ontbonden worden. En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee. En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad." (Openb. 20 : 7-9.) Ziedaar de laatste machtsontwikkeling van den Satan! Nadat hij duizend jaren gebonden is geweest en de volken niet heeft kunnen verleiden, begint hij, zoodra hij uit zijne gevangenis ontbonden is, opnieuw zijn treurig werk. Met recht wordt hij genoemd de menschenmoorder van den beginne. En, helaas! de volken der aarde laten zich nogmaals door hem verleiden, en vergaderen zich, als het zand aan de zee in menigte, tot den krijg tegen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad.

"Hoe is dat mogelijk!" zal menigeen uitroepen. "Duizend jaar lang hebben de volken de heerlijkheid van Christus aanschouwd - duizend jaar lang zich in zijne zegeningen verblijd - ieder jaar zijn zij opgetrokken naar Jeruzalem, om in de tegenwoordigheid van den Koning der eere het loofhuttenfeest te vieren - en na dat alles laten zij zich door den duivel verleiden en verheffen zich tegen den Heer en zijnen Gezalfde!" Toch is het zoo, geliefde lezer! Reeds in onze beschouwing over het duizendjarig rijk merkten wij op, dat, hoewel de duivel gebonden zal zijn, en de gerechtigheid op aarde zal heerschen, nogtans de zonde in den mensch zal blijven wonen, en bij degenen die zich niet bekeeren, ook te voorschijn zal komen. Wij zagen, hoe een zondaar, honderd jaar oud zijnde, zal sterven, en hoe de volken, die weigeren jaarlijks naar Jeruzalem op te trekken, met droogte zullen gestraft worden. 't Is waar, de kennis des Heeren zal in het duizendjarig rijk de aarde bedekken gelijk de wateren den bodem der zee, doch het is ons uit de profetieŽn gebleken, dat ondanks dit alles niet alle menschen zich zullen bekeeren, en velen zich slechts geveinsdelijk aan den Heer zullen onderwerpen. Het zal dan met vele volken gaan, zooals het nu dikwijls in de wereld gaat. Wanneer een machtig koning vele landen verovert, dan onderwerpen zich de volken, niet omdat zij dien vorst liefhebben en dienen willen, maar omdat zij zijne macht en zijnen toorn vreezen, als zij zich tegen hem verzetten. Evenzoo zullen in het duizendjarig rijk vele volken zich gedwongen aan de heerschappij van den Heere Jezus en de zijnen onderwerpen, terwijl zij in hun hart hunnen eigenlijken koning, den duivel, liefhebben en dienen; en daarom stellen zij zich, zoodra hij opnieuw te voorschijn komt, onder zijn bevel, en laten zich nog eenmaal tegen den Heer ten strijde aanvoeren.

Welk een treffend bewijs voor de onverbeterlijkheid der menschelijke natuur! Wie daaraan nog twijfelt, moet hier overtuigd worden! Wie nog hoop koestert, dat de mensch te verbeteren is, moet die hoop hier laten varen! De mensch was duizend jaar lang onder de rechtvaardige, heerlijke en zachtmoedige regeering van Christus, alles was vereenigd om hem te verbeteren en te veranderen, de duivel was gebonden, de vloek van de aarde was weggenomen, de hartstochten waren gebreideld, de eerzucht en zelfzucht vonden geen plaats, ja, wat meer zegt, de kennis des Heeren bedekte de aarde, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken - en toch is hij dezelfde gebleven. Nauwelijks treedt de duivel weer op, of hij stelt zich opnieuw onder zijne macht. Niets is dus in staat den mensch te verbeteren. Hij is en blijft ten allen tijde een vijand van God. Om God te kunnen dienen en liefhebben moet hij dus niet veranderd of verbeterd, maar een nieuw mensch worden. En, Gode zij dank! dat voor den mensch onmogelijke werk heeft God mogelijk gemaakt in Christus. "Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden." (2 Kor. 5 : 17.) O, mochten wij dit meer en meer leeren verstaan, opdat wij alle pogingen tot verbetering der menschelijke natuur, zoowel in onszelven als in anderen, veroordeelen!

Doch keeren wij tot onze beschouwing terug. De volken, verleid en aangevoerd door den Satan, zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad. En wat zal hun lot zijn? "Er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden." Wij kunnen veilig aannemen, dat allen die in het duizendjarig rijk zich slechts geveinsdelijk aan den Heer onderworpen hebben, zich onder de banier van den Satan zullen scharen, en derhalve door dit oordeel des Heeren zullen getroffen worden; zoodat ten slotte alleen diegenen overblijven, die zich in waarheid tot den Heere bekeerd hebben. Dezen beŽrven natuurlijk de eeuwige heerlijkheid, en zullen met ons den nieuwen hemel en de nieuwe aarde bewonen. En hoewel ons dit hier niet gezegd wordt, zoo volgt het toch uit den aard der zaak, dat zij, evenals wij, nieuwe lichamen zullen ontvangen, aangezien men met een sterfelijk en verderfelijk lichaam in de eeuwigheid niet kan zijn. En welk zal het lot van den duivel zijn? "En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valsche profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid." (vs. 10.)

Er volgt nu een ander tooneel. "En ik zag een grooten witten troon, en dengene die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden." (Openb. 20 : 11.) Wanneer de Heere Jezus, aan Wien de Vader al het oordeel heeft gegeven (Joh. 5 : 22.), op den grooten witten troon zal zitten om de dooden te oordeelen, dan zullen de aarde en de hemel wegvlieden. Hoe heerlijk de toestand der aarde in het duizendjarig rijk ook wezen zal, toch zal er aan dien toestand een einde komen; want al is de vloek van de aarde dan weggenomen, en al zal de schepping zich dan verblijden in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, zoo is het toch altijd dezelfde aarde, die wij nu bewonen. Er komt echter een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; en daarom moeten de eerste hemel en de eerste aarde voorbijgaan. In den brief aan de HebreŽn lezen wij: "Maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: "Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel." (Hagg. 2 : 7.) "En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn." (Hebr. 12 : 26, 27.) Hieruit leeren wij, dat God de aarde en den hemel (d.i. het uitspansel) niet in den tegenwoordigen toestand gebracht heeft, opdat zij altijd in dien toestand zouden blijven, maar opdat daarvoor de onbewegelijke dingen, dat is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, in de plaats zouden komen. Hoe dat wegvlieden van den hemel en de aarde zal geschieden, wordt ons door Petrus in het derde hoofdstuk van zijnen tweeden brief medegedeeld. "De hemelen, die nu zijn, en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschenÖ Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Dewijl dan deze dingen vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten." (vs. 7, 10, 11, 12.) De hemel en de aarde, die nu zijn, zullen dus, wanneer de Heere Jezus op den rechterstoel zal zitten om te oordeelen, door vuur ontstoken worden en verbranden.

"En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor den troon." [1] De Heere Jezus, zittende op den grooten witten troon, spreekt het oordeel uit over de dooden. Wij hebben vroeger bewezen, dat al de geloovigen van de schepping af tot het begin van Christus regeering op aarde vůůr of bij het begin dier regeering uit de dooden zullen opstaan. (Zie 9de jaarg. pag. 185.) Uit onze beschouwing over het duizendjarig rijk is gebleken, dat de vijanden van Christus, die op aarde leven, wanneer Hij komt, door Hem in het begin zijner heerschappij geoordeeld en in het eeuwige vuur geworpen zullen worden. (pag. 151.) Deze verschijnen dus niet meer voor den grooten witten troon; zij zijn reeds voorgoed geoordeeld en op de plaats hunner eeuwige bestemming. Evenmin zullen de geloovigen, die gedurende het duizendjarig rijk geleefd hebben, voor dien troon verschijnen, daar zij, gelijk wij hierboven aantoonden, zonder te sterven zullen veranderd worden om met ons den nieuwen hemel en de nieuwe aarde te bewonen. Voor den grooten witten troon verschijnen dus alleen de ongeloovigen, die van de schepping tot op dat oogenblik gestorven zijn. De Heere Jezus zal hen uit hunne graven opwekken en hen voor zijnen rechterstoel plaatsen. Derhalve zullen niet alleen de geloovigen, maar ook de ongeloovigen door den Heer worden opgewekt. Hij, de overwinnaar van den dood en den duivel, zal den dood zijn prooi ontnemen. Alles zal onder zijne heerschappij worden gebracht. Niet alleen in den hemel en op de aarde, maar ook in de hel zal Hij heerschen. Alle knie zal zich voor Hem buigen, zoowel degenen die in den hemel, en die op de aarde, als die onder de aarde zijn; en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders. (Fil. 2.) In den hemel, op de aarde en in de hel zullen allen hunne knieŽn voor Jezus buigen, en zullen allen Hem als Heer erkennen - sommigen tot hunne eeuwige gelukzaligheid, anderen tot hunne eeuwige rampzaligheid. Zelfs de duivel, die nu de vorst dezer wereld is, zal dan geen vorst meer zijn; door Jezus overwonnen, zal hij tot in alle eeuwigheid gebonden zijn en dag en nacht gepijnigd worden.

"En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; Ö en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken." Hieruit zien wij, dat de ongeloovigen niet alleen om hun ongeloof zullen geoordeeld worden, zooals sommigen beweren, maar wel degelijk naar hunne werken. De boeken, waarin hun gansche leven, al hunne gedachten, woorden en werken, staan opgeteekend, worden geopend; en naar hetgeen in die boeken geschreven is, worden zij geoordeeld, Doch behalve die boeken is er nog een ander boek, het boek des levens. Ook dat wordt hier geopend, om te doen zien, dat de namen van hen, die voor den grooten witten troon staan, daarin niet gevonden worden. "En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs." Niet opgeschreven te zijn in het boek des levens is voldoende om eeuwig verloren te zijn en in den poel des vuurs geworpen te worden. Allen, die dan voor dezen troon staan, zijn verloren; doch de straf, die zij ontvangen, zal voor allen niet dezelfde zijn. Het zal, zooals wij elders lezen, den een in den dag des oordeels verdragelijker wezen dan den ander. (Matth, 11 : 22-24.) "En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid, noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden; maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, dien veel gegeven is, van dien zal veel geŽischt worden; en dien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischen." (Luk. 12 : 47, 48.)

"En de zee gaf de dooden, die in haar waren; en de dood en de hades gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld een iegelijk naar hunne werken. En de dood en de hades werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood." (vs. 13, 14.) In onze hollandsche vertaling staat: "en de dood en de hel gaven de dooden, die in hen waren." Dit is niet juist; daar in het oorspronkelijke het woord "hades" en niet "gehenna" wordt gebruikt. "Gehenna" beteekent pijn, en is de plaats der straf voor booze engelen en booze menschen. "Hades" beteekent onzienlijk, en is de plaats, waar de zielen der gestorvenen zijn tot den dag der opstanding. Evenmin als degenen, die in Christus ontslapen, terstond naar den hemel, het huis des Vaders, gaan, maar in het Paradijs wachten op de opname der Gemeente, (zie 9de jaargang pag. 108.) gaan de ongeloovigen, die gestorven zijn en nog sterven, terstond naar de hel. Zij blijven, totdat de Heere Jezus hen uit hunne graven opwekt, in den hades, het doodenrijk; en zij worden na hunne opstanding door den Heer in den poel des vuurs, de hel, geworpen. Daarom lezen wij hier: "En de dood en de hades gaven de dooden die in hen waren." De dooden worden door den Heer opgewekt, en verlaten de plaats, waar zij tot nu toe zijn, om voor den grooten witten troon naar hunne werken geoordeeld en in de hel geworpen te worden.

Door dit oordeel zijn al de vijanden des Heeren aan zijne voeten onderworpen. Zoowel de levenden als de dooden zijn geoordeeld, ja, zelfs de dood, die laatste vijand, is te niet gedaan. De raadsbesluiten Gods zijn vervuld. God heeft alles tot ťťn vergaderd in Christus, beide dat in den hemel en dat op de aarde is. Hij heeft Hem gezet verre boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam, die genaamd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. (Efez. 1: 10, 21, 22.) "Daarna zal het einde zijn," zooals wij in 1 Kor. 15 : 24-28 lezen, "wanneer Hij het koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht: want Hij moet als Koning heerschen, totdat Hij al de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft. En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen." Nadat de Heere Jezus duizend jaar als Koning zal geheerscht hebben, en in dien tijd alles wat zich tegen Hem verzet, te niet gedaan zal hebben, en nadat Hij al zijne vijanden, ook de dood, aan zijne voeten zal onderworpen hebben, zal Hij het koninkrijk aan God en den Vader overgeven. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat Christus zal ophouden als God te regeeren, integendeel, Hij zal als God tot in alle eeuwigheid heerschen, en wij, die in Hem gelooven, met Hem. (Openb. 22.) Maar zijne regeering als Zoon des menschen, de heerschappij, welke Hij voor een bepaald tijdperk over een aardsch volk en over de geheele wereld zal uitoefenen, zal eindigen. Al de rechtvaardigen zullen ten slotte uit de dooden opgewekt of in een punt des tijds veranderd zijn; al de goddeloozen zijn geworpen in den poel des vuurs; en het koninkrijk neemt een einde. Christus zelf wordt als de Zoon onderworpen aan Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft. Als de Zoon des menschen, die door God verheven was boven alle macht en kracht en heerschappij, onderwerpt Hij zich aan God, opdat God Ė Vader, Zoon en Heilige Geest - zij alles in allen.

Onderzoeken wij nu Openb. 21 : 1-8. Zooals wij reeds vroeger opmerkten (pag. 157.), wordt ons in deze woorden een korte, doch treffende beschrijving gegeven van de eeuwigheid en van de positie, welke de Gemeente van Christus in de eeuwigheid inneemt. Men zou kunnen vragen, wie ons het recht geeft, de eerste acht verzen van dit hoofdstuk als een beschrijving van de eeuwigheid aan te merken, en hetgeen verder volgt als de voorstelling van de heerlijkheid der Gemeente gedurende het duizendjarig rijk. Wij antwoorden hierop, dat dit uit de voorstelling zelve duidelijk blijkt. Hetgeen in de eerste acht verzen gezegd wordt, kan niet zien op het duizendjarig rijk, aangezien er in dat rijk wel degelijk dood, rouw, gekrijt en moeite zal zijn. Ook zullen dan alle dingen nog niet nieuw gemaakt zijn. En hetgeen wij van het negende vers af lezen, kan geen beschrijving zijn van de Gemeente in de eeuwigheid, aangezien er in de eeuwigheid geen volken en koningen meer zullen zijn, en er geen bladeren meer noodig zullen wezen tot genezing der heidenen. Wij vinden dus in de eerste acht verzen de beschrijving van de eeuwigheid en in de volgende verzen de voorstelling van de heerlijkheid der Gemeente gedurende het duizendjarig rijk.

"En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde: want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer." In 2 Petr. 3 : 13 lezen wij: "Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont." In het duizendjarig rijk heerscht de gerechtigheid op aarde, maar zij woont er niet, omdat de zonde er nog is. Doch in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde is geen zonde meer; de goddeloozen zijn allen in den poel des vuurs geworpen, en de gezaligden zijn allen bekleed met een nieuw, onsterfelijk, heerlijk lichaam, waarin de zonde niet meer woont.

"En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haren man versierd is." Het nieuwe Jeruzalem is, gelijk uit vs. 9 blijkt, de Gemeente van Christus. Deze daalt neder van God uit den hemel, en van haar hoort Johannes met een groote stem uit den hemel zeggen: "Ziet, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn." God zelf zal wonen bij de menschen, namelijk, bij de eeuwig gelukzaligen in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde; zij zullen zijn volk zijn, en Hij zelf zal bij hen en hun God zijn. Alle onderscheid is alsdan verdwenen. Er is geen spraak meer van Joden of heidenen, van koningen of volken, maar alleen van menschen. De eerste dingen zijn weggegaan. In het duizendjarig rijk heerschen de Joden over de heidenen, en is God de God van IsraŽl, maar in de eeuwigheid is er geen onderscheid. Allen zijn opgewekt uit de dooden of veranderd in een punt des tijds; allen zijn het eeuwige leven en de onverderfelijkheid deelachtig, en daarom is God hun God, en zijn zij zijn volk. Evenwel blijft de Gemeente van Christus hare bijzondere en heerlijke plaats in de eeuwigheid innemen. Zij zal nimmer ophouden de vrouw des Lams te zijn, ja, wat meer zegt, zij zal tot in alle eeuwigheid de tabernakel, de woning Gods bij de menschen zijn. Wanneer God in de eeuwigheid bij de menschen zal wonen, dan zal de Gemeente het bewonderenswaardige voorrecht genieten de woning of het huis van God te zijn. Daarom zegt Paulus in Efez. 3: "Hem nu, die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt, Hem zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid, Amen."

"En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. (vs. 1.) Heerlijke toestand van gelukzaligheid! Elke bron van droefheid en ellende is gestopt! Alles wat aan de zonde herinnert, is verdwenen. De eerste dingen zijn weggegaan. "En die op den troon zat, zeide: Ziet, ik maak alle dingen nieuw." Daar de Zoon zich aan God en den Vader onderworpen heeft, zoo is het hier God, die op den troon zit, en die verder zegt: "Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omťga, het begin en het einde. Ik zal den dorstigen geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Die overwint, zal alles beŽrven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn." (vs. 6, 7.) Maar er volgt een ernstig woord van waarschuwing. "Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood." (vs. 8.) Letten wij wel op de kracht dezer woorden. Wanneer God zal zijn alles in allen, dan zal het deel der ongeloovigen zijn in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer. God is de liefde, voorzeker! maar Hij is ook licht. Hij is evengoed heilig als genadig. En deze twee waarheden worden ons hier tegelijkertijd voorgesteld. In liefde komt Hij neder om met zijn volk te wonen; Hij maakt aan alle zwakheid en ellende een einde, en wischt de tranen van aller oogen. Maar Hij is licht; en daarom blijft ook dan, wanneer alle dingen nieuw gemaakt zijn, wanneer de gerechtigheid woont op de aarde, het deel van de goddeloozen in den poel des vuurs. Bedenken wij wel, dat hier over de eeuwigheid gesproken wordt. Er is in de eeuwigheid een straf, die nooit eindigt, voor allen die Christus verworpen hebben. Hun lot is de tweede dood, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. Ontzaglijke waarheid voor allen, die Jezus nog niet kennen! O, mochten zij nog in het heden der genade bedenken, wat tot hunnen vrede dient!

 


Met de hulp des Heeren zijn wij aan het einde van onze beschouwing over de toekomende gebeurtenissen gekomen. Het licht der profetie heeft de duistere toekomst voor ons opgeklaard. De raadsbesluiten Gods werden ons medegedeeld; Zijne gedachten werden ons geopenbaard. Van de opname der Gemeente af, totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn zal, werden de plannen Gods voor onze oogen ontvouwd. Niets heeft de Heer voor ons verborgen gehouden. Als zijne geliefde kinderen heeft Hij ons alles medegedeeld. Welk een onuitsprekelijke genade! O, mochten wij haar toch meer waardeeren! Mochten wij, geleid door den Heiligen Geest, meer doordringen in de geheimen zijner liefde! Ach! onze kennis is nog zoo gebrekkig, ons verstaan van Gods gedachten nog zoo zwak. Wij zijn zoo weinig bekwaam ons te verlustigen in de heerlijkheid van Christus en de Gemeente, welke het doel is van al de raadsbesluiten Gods - zoo weinig bekwaam een voorsmaak te hebben van die eindelooze gelukzaligheid, wanneer alle tranen van de oogen zijn afgewischt en God zal zijn alles in allen. O, geliefde broeders! bidden wij daarom veel om den geest der wijsheid en der openbaring in zijne kennis, om verlichte oogen des verstands, opdat wij mogen weten, welke zij de hoop van zijne roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen. En geven wij, wanneer wij door 's Heeren genade iets verstaan van de onmetelijke grootheid en heerlijkheid van Gods plannen, Hem alleen daarvan de lof, de eer en de dankzegging!


[1] Volgens de beste handschriften moeten wij hier lezen: "staande voor den troon", en niet: "staande voor God." Het is niet de Vader, maar de Zoon, die op den troon zit om te oordeelen, want de Vader heeft al het oordeel den Zoon gegeven. (Joh. 5:22.)