Het duizendjarig rijk.

Ontzettend was het tooneel, dat in onze laatste beschouwingen over de toekomende dingen voor onze oogen geschilderd werd! Wij hebben vernomen, dat na de opname van Christus bruid in de woningen des Vaders de gebeurtenissen met groote snelheid elkander zullen opvolgen. De Joden zullen naar hun land terugkeeren, en Jeruzalem en den tempel herbouwen. Het oude Romeinsche rijk zal in zijnen vorigen luister - doch nu verdeeld in tien koninkrijken - hersteld worden. Vreeselijke omwentelingen en geduchte oorlogen zullen den staatkundigen en godsdienstigen toestand van Europa geheel veranderen. Ontzettende plagen en oordeelen, door den Heer op aarde gezonden, zullen de ellende en den jammer dier jaren vermeerderen. Op schrikbarende wijze zullen het ongeloof, de wereldschgezindheid en de opstand tegen God en zijn bestuur toenemen. De christelijke godsdienst, die na de opname der Gemeente nog altijd blijft bestaan, zal van de aarde verdwijnen; de groote hoer, het geestelijke Babylon, zal door de volken van het Romeinsche rijk worden vernietigd; en alzoo de weg bereid worden tot de godsdienst van den Antichrist, die zich als een god in den tempel te Jeruzalem zal zetten, en voor wien de geheele wereld in aanbidding zal neervallen. Dat is het toppunt der boosheid. Aan die boosheid wordt door den Heer een einde gemaakt. Hij doet de volken van het Noorden en Zuiden optrekken tegen den Antichrist; Hij drijft de heirlegers van het Romeinsche rijk naar Palestina om den Antichrist ter hulp te snellen, en vergadert alzoo de volken in het dal van Josafat, om hen daar te rechten. Dan verlaat Hij, gezeten op een wit paard en gevolgd door de hemelsche heirlegers, die kort te voren met Hem het bruiloftsmaal des Lams gevierd hebben, den hemel met groote kracht en heerlijkheid; zijne voeten staan op den Olijfberg, vanwaar Hij eenmaal ten hemel voer; het beest (de keizer van het Romeinsche rijk) en de valsche profeet (de Antichrist) worden gegrepen en levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt; de koningen der aarde en hunne heirlegers worden gedood met het zwaard, hetwelk uit den mond des Heeren gaat en de vogelen des hemels worden verzadigd van hun vleesch. (Openb. 19 : 11-21; 14 : 15-20; JoŽl 3 : 12; Dan. 2 : 44, 45; 2 Thess. 2 : 8.)

Door de vernietiging van het beest is de heerschappij den heidenen ontnomen, en keert zij weder tot haren oorsprong, tot Hem, die de Koning der koningen en de Heer der heeren is. Als de Zoon van David, de Koning Zions, die wederkomt tot de dochter Zions, welke Hij voor een tijd had moeten verlaten, zal Hij over IsraŽl heerschen. "Troost, troost mijn volk!" zal de Heer zeggen, "spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden." (Jes. 40 : 1 , 2.) En het volk, dat eens zijnen Koning verwierp, zal Hem dan aannemen, en roepen: "Hosanna! gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!" (Matth 21 : 9; Ps. 118 : 26.) Doch niet alleen over IsraŽl, ook over de volken zal Hij Koning zijn. De heidenen zullen zijn erfdeel en de einden der aarde zijne bezitting zijn. (Ps. 2 : 8.) De steen, welke op het groote beeld valt en het vermaalt, wordt daarna een groote berg, die de gansche aarde vervult; en wanneer het beest in het vuur geworpen is, wordt de heerschappij en de eer en het koninkrijk den Zoon des menschen gegeven en met Hem den heiligen der hooge plaatsen; en uit den hemel worden stemmen vernomen, die roepen: "De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid." (Openb. 11 : 15.) Dan begint de tijd des zegens en der heerlijkheid voor IsraŽl en de volken. Het is de tijd der verkoeling van het aangezicht des Heeren - de tijd der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond al zijner heilige profeten van alle eeuw. (Hand. 3.) Het is de wedergeboorte, waarin de twaalf apostelen zullen zitten op twaalf troonen, oordeelende de twaalf geslachten IsraŽls. (Matth. 19 : 28.) Het is eindelijk die tijd, welken men gewoonlijk het duizendjarig rijk noemt, omdat wij in Openb. 20 : 1-7 lezen, dat de regeering van Christus op aarde duizend jaar zal duren.

Men meene nu evenwel niet, dat het oordeel, 't welk de Heer bij zijne komst over zijne vijanden zal uitoefenen, onmiddellijk zal gevolgd worden door de volheid van vrede en zegening, welke het duizendjarig rijk kenmerkt. Dit tijdperk begint ongetwijfeld met de vernietiging van den Antichrist en van de volken, die vůůr Jeruzalem zullen vergaderd zijn; doch met deze vernietiging zijn al de ergernissen nog niet uit het koninkrijk weggenomen, (Matth. 13 : 41) en zijn al de vijanden des Heeren nog niet overwonnen en tot een voetbank zijner voeten gesteld. Daarom zullen in den eersten tijd van het duizendjarig rijk de overige vijanden des Heeren ten onder gebracht worden; en eerst, nadat dit geschied zal zijn, zal de aarde zich in de volle zegeningen van het rijk des vredes kunnen verheugen.

De geschiedenis van Davids regeering is een treffend type van den eersten tijd van het duizendjarig rijk. Alle geloovigen van alle tijden hebben David in zijn lijden, verwerping en ballingschap als een voorbeeld van Christus beschouwd. En zonder twijfel is de verheffing van David op IsraŽls troon een type van de verheffing van den steen, door de bouwlieden verworpen, maar door God tot een hoofd des hoeks gesteld. Men heeft echter niet zoo algemeen begrepen, dat de regeering van David en die van Salomo vereenigd moeten worden, om een juist type te hebben van het duizendjarig tijdperk. David regeerde zeven jaar te Hebron, eer hij te Jeruzalem heerschte. Deze tijd was een tijd van voortdurenden strijd tusschen het huis van David en het huis van Saul; en zelfs toen David door al de stammen als koning erkend was, moest hij voortdurend krijgvoeren met de vijanden, die IsraŽl omringden. Wel is waar overwon hij zijne vijanden altijd, omdat de Heer met hem was, maar een tijdperk van oorlog is nimmer een tijd van vrede en rust. Salomo was, gelijk zijn naam aanduidt, de koning des vredes. En terwijl David een type is van den "Leeuw uit den stam van Juda," geeft God ons in de regeering van Salomo een voorstelling van de rustige heerlijkheid van het koninkrijk van Christus. Psalm 72, waarvan het opschrift luidt "voor Salomo," is een heerlijke beschrijving van den zegen en het geluk in het duizendjarige rijk. En waar kunnen wij een treffender voorstelling van dien tijd vinden dan in de geschiedenis van Salomo? "Juda en IsraŽl waren velen, als zand dat aan de zee is in menigte, etende en drinkende en blijde zijnde. En Salomo was heerschende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens Ö Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde der rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde der rivier; en hij had vrede van al zijne zijden rondom. En Juda en IsraŽl woonden zeker, een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, van Dan tot Ber-Sťba, al de dagen van Salomo." (1 Kon. 4.) De regeering van Christus moet alzoo beantwoorden zoowel aan de regeering van David als aan die van Salomo; en daaruit volgt dus, dat gedurende een klein gedeelte van het duizendjarig rijk Christus, evenals David, zich bezig zal houden met de onderwerping zijner vijanden; en dat Hij vervolgens gedurende het overig gedeelte zijner regeering, evenals Salomo, in vrede zal heerschen.

Onderzoeken wij nu, welke gebeurtenissen er in het eerste gedeelte van Christus regeering zullen plaats hebben; en bepalen wij daartoe in de eerste plaats onze aandacht bij Ezech. 38 en 39, waar ons de vernietiging van de legers van Gog wordt voorspeld. Hetgeen in die twee hoofdstukken wordt geprofeteerd, heeft niet vůůr, maar nŠ de komst des Heeren plaats, wanneer het volk IsraŽl reeds in het rustig bezit van zijn land zal zijn. Dit blijkt ten duidelijkste uit de volgende verzen: "In het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen IsraŽls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zeker zullen wonen." (vs. 8.) Dan zal Gog zeggen: "Ik zal optrekken naar dat dorp-land, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben." (vs. 11.) En de profeet ontvangt bevel te profeteeren tegen Gog: "Zoo zegt de Heere Heere: Zult gij het, te dien dage, als mijn volk IsraŽl zeker woont, niet gewaar worden? Gij zult dan komen uit uwe plaats, uit de zijden van het noorden Ö en gij zult optrekken tegen mijn volk IsraŽl, als een wolk, om het land te bedekken." (vs. 14-16.) Daar het volk IsraŽl eerst zeker zal wonen en in rust zal zijn, nadat de Heere Jezus gekomen is, om den Antichrist te verdoen en het beest te vernietigen, zullen de hier beschreven gebeurtenissen in het begin van het duizendjarig rijk plaats vinden.

Maar wie is Gog? Het antwoord op die vraag wordt ons in het tweede vers van hoofdstuk 38 gegeven. Volgens een betere vertaling lezen wij daar: "Menschenkind! zet uw aangezicht tegen Gog van het land van Magog, den vorst van Ros, Mesech en Tubal." Ros beteekent Rusland, Mesech is de oude naam van Moskow, vroeger de hoofdstad van Rusland, en Tubal de oude naam van Tobolsk, een stad in Aziatisch Rusland. De keizer van Rusland, onbekend met de kracht des Heeren, en meenende, dat door de vernietiging van het Romeinsche rijk alles in zijne hand is gegeven, zal, verbonden met de Perzen, Mooren, PuteŽrs en de inwoners van Togarma (een deel van Klein-AziŽ) met zijne ontzaglijke legers nogmaals tegen IsraŽl optrekken en het land als een wolk bedekken. Doch deze gansch groote menigte wordt door den Heer verdelgd. IsraŽl behoeft niet te strijden, want de Heer brengt tweedracht onder hen, zoodat het zwaard van een ieder zal zijn tegen zijnen broeder. En de Heer zal met hen rechten door pestilentie en door bloed; en Hij zal een overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel op hen regenen, en op de heirlegers, die met hen zijn. (vs. 21, 22.) En om ons een denkbeeld te geven van de ontzaglijke menigte, welke dan zal vallen, wordt ons medegedeeld, dat de kinderen IsraŽls zeven maanden bezig zullen zijn om de lijken der gevallenen te begraven, en zeven jaren vuur zullen stoken van de wapenen dezer heirscharen, zoodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen.

Behalve dit gericht over Gog lezen wij nog van oordeelen over Edom in Jesaja 34 en 63, over Egypte in Jesaja 19, over Moab en Ammon, over Tyrus en Sidon in EzechiŽl 25 en 28, en bovendien van meer algemeene oordeelen: "Want met vuur en met zijn zwaard zal de Heer in het recht treden met alle vleesch; en de verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn." (Jes. 66:16.) "De Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn koninkrijk vergaderen al de ergernissen en degenen, die de ongerechtigheid doen; en zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal weening zijn en knersing der tanden." (Matth. 13 : 41, 12.) Ook zal de Heer zijn land van alle onreinheid reinigen. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heer, dat Ik uwe paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uwe wagenen verdoen. En ik zal, de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uwe vestingen afbreken. En Ik zal de tooverijen uit uwe hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben. En Ik zal uwe gesneden beelden en uwe opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen. Voorts zal Ik uwe bosschen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uwe steden verdelgen." (Micha 5 : 9 - 13 ; zie ook Zach. 13, 14 en Jes. 25, 26.)

Wij moeten nu stilstaan bij het laatste gedeelte van MattheŁs 25, waar de Heer ons het oordeel over de volken in het begin van het duizendjarig rijk schildert. Gewoonlijk meent men, dat de Heer hier spreekt over het laatste oordeel, waarvan wij in Openb. 20 : 11-15 lezen. Dit is evenwel een geheel onjuiste verklaring. In Openb. 20 : 11-15 vinden wij het oordeel, 't welk nŠ het duizendjarig rijk over de dooden zal plaats hebben. "En ik zag de dooden, klein en groot staande voor God. ... En de zee gaf de dooden, die in haar waren, en de dood en de hades gaven de dooden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar zijne werken." In Matth. 25 wordt niet over het oordeel der dooden, maar over het oordeel der levenden gesproken. "En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden." Alleen op deze aarde kan er van volken spraak zijn; na den dood houden de volken als zoodanig op; noch in den hemel, noch in den hades, noch in de hel zullen geheele volken zijn; zoodat het zeer duidelijk is, dat de Heer hier over de volken spreekt, die op aarde leven, wanneer Hij komt. Dit blijkt dan ook duidelijk uit het 31ste vers: "En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon zijner heerlijkheid." Wij hebben reeds meermalen bewezen, dat deze uitdrukking alleen op de komst van Christus als koning op aarde ziet. Wanneer derhalve de Heer met zijne Gemeente en met al de heilige engelen van den hemel op deze aarde zal komen om Zijne heerlijke heerschappij te aanvaarden, dan zal Hij de volken voor zich vergaderen, en ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen plaatst Hij aan zijne rechter-, de bokken aan zijne linkerhand. Tot de schapen zegt Hij: "Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beŽrft dat koninkrijk (niet den hemel), hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld." Tot de bokken zegt Hij: "Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is." Terwijl dus de bokken terstond naar de hel gezonden worden, beŽrven de schapen het koninkrijk van Christus, en blijven gedurende de duizend jaren onder de zalige heerschappij van Christus op de aarde leven.

Maar wie zijn de schapen, en wie zijn de bokken? Tot de beantwoording dezer vraag moeten wij trachten ons een voorstelling van het geheel te maken. Christus komt, zooals wij weten, met de Gemeente en de engelen van den hemel op de aarde. (Openb. 19.) Hij zet zich met de Gemeente, als de koningin, op den troon zijner heerlijkheid. Vůůr Hem staan de volken - de schapen aan zijne rechter- en de bokken aan zijne linkerhand. Maar behalve dezen zijn er nog dezulken, die Hij zijne broeders noemt, en op welke Hij de schapen en de bokken wijst. Dat zijn de Joden, die gedurende de oordeelen, welke nŠ de opname der Gemeente over de wereld worden uitgestort, het evangelie des koninkrijks in de geheele wereld gepredikt hebben. Zij, die deze broeders des Heeren hebben ontvangen, geherbergd, bezocht, gespijsd, of ook maar een beker koud water hebben gegeven, met ťťn woord, die hun in eenig opzigt medelijden hebben getoond, behooren tot de schapen; terwijl degenen, die niets van dit alles hebben gedaan, en hen derhalve geheel en al hebben verworpen, tot de bokken behooren. Allen, die op eenigerlei wijze hunne belangstelling in het lijden en den druk van deze broeders des Heeren in den moeielijken tijd der laatste verdrukking zullen getoond hebben, blijven op aarde leven gedurende de duizendjarige regeering van Christus, terwijl alle openlijke vijanden des Heeren terstond worden geoordeeld.

Staan wij nu bij een andere gebeurtenis stil. Gelijk wij vroeger bewezen hebben, zullen vůůr de komst des Heeren alleen de twee stammen van IsraŽl naar Palestina terugkeeren. Deze twee stammen zullen in het land worden geoordeeld; twee derde deelen zullen omkomen, en slechts ťťn derde deel zal behouden worden. Na zijne komst op aarde, en nadat Hij het land van alle onreinheid zal hebben gezuiverd, zal de Heer echter de uitverkorenen uit de tien stammen naar het beloofde land terugbrengen. Niet de tien stammen als zoodanig, maar alleen de uitverkorenen daaruit zullen terugkeeren; want de Heer zal de wederspanningen van het huis IsraŽls in het land hunner vreemdelingschappen dooden, en zij zullen in het land IsraŽls niet wederkomen. (Ezech. 20 : 38.) De wijze, waarop deze uitverkorenen naar het land hunner vaderen zullen terugkeeren, wordt ons in Matth. 24 : 31 beschreven: "En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen; en dan zullen al de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid. En Hij zal zijne engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve." Bij dezen terugkeer der uitverkorenen uit de tien stammen zal het woord des Heeren vervuld worden, dat Hij gesproken heeft door den mond van den profeet Zacharia: "Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van ťťnen joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is." (Zach. 8 : 23.)

Bij nog ťťne gebeurtenis moeten wij stilstaan, eer wij tot de beschouwing van het tweede tijdperk van Christus regeering kunnen overgaan - een gebeurtenis, die met recht de gewichtigste en invloedrijkste van allen mag genoemd worden. Wij bedoelen het binden van den duivel. In Openb. 20 lezen wij: "En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een groote keten in zijne hand; en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en Satanas, en bond hem duizend jaren; en wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geŽindigd zijn." Welk een gewichtige en verblijdende gebeurtenis! De duivel, de leugenaar van den beginne, de moordenaar van de zielen der menschen, de vorst dezer wereld, duizend jaren gebonden! Welk een verandering moet die gebeurtenis te weeg brengen! Denken wij slechts aan de ontzettende macht, welke hij nu bezit, hoe hij de menschen plaagt en verleidt, hoe hij alles - voor zoover God het toelaat - tot zijne booze doeleinden kan gebruiken, gelijk wij b.v. zoo duidelijk in het eerste en tweede hoofdstuk van Job zien; denken wij aan de ontzettende macht, welke hij in de laatste jaren dezer bedeeling, wanneer hij uit den hemel op de aarde geworpen zal zijn, zal ontwikkelen, zoodat hij zich in den persoon des Antichrists als een god zal doen aanbidden dan zullen wij ons eenig denkbeeld kunnen vormen van de verandering, die er op aarde zal plaats vinden, wanneer hij duizend jaren zal gebonden zijn. Geen verzoeking tot zonde zal er meer van hem uitgaan, geen oorlog, geen twist of tweedracht door hem aangestookt worden, geen vuur op zijn bevel van den hemel vallen, geen storm tot bereiking zijner plannen ontstaan; met ťťn woord, aan al het onheil, dat nu door hem wordt aangericht, is dan een einde. De menschen komen tot rust, en kunnen zich ongestoord verheugen in de heerlijke tegenwoordigheid van den Zoon des menschen, den Vorst des levens, die genezing heeft onder zijne vleugelen voor alle kwalen der ziel en des lichaams.

De tegenwoordigheid van den Zoon des menschen, ja, die zal eigenlijk de heerlijkheid en den zegen van het duizendjarige rijk uitmaken. Wat zou het baten, al waren de vijanden Gods van de aarde verdwenen, al was de duivel gebonden, indien er in plaats van hunne heerschappij geen andere kwam, die recht en gerechtigheid, orde en regel invoerde? Voorwaar, de toestand der wereld zou niet veel beter zijn; want het menschelijk hart is boos, meer dan eenig ding. Maar nu, welk een heerlijkheid, welk een rijkdom van zegen en geluk zal er over de aarde uitgegoten worden! De Heere Jezus, de Vorst des vredes, zal Koning zijn over de gansche aarde. Niet tot Jeruzalem en Palestina alleen zal zijne heerschappij zich bepalen, neen! over alle volken der aarde zal zij zich uitstrekken. "Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den Heer bekeeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor uw aangezicht aanbidden." (Ps. 22.) In de bedeeling van de volheid der tijden zal in Hem alles tot ťťn worden vergaderd, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is. (Efez. 1 : 10) Hij, die voor ons in zijne vernedering met doornen gekroond werd, zal dan alle kroonen dragen, die Hem als Koning van IsraŽl en de volken toebehooren. Hij, die een riet, het zinnebeeld der zwakheid, droeg, zal zijnen gouden schepter, het onderpand der genade en des zegens, over de gansche schepping zwaaien. Geen spottende vereering, gelijk in het rechthuis van Pilatus, zal Hem meer worden gebracht, maar, omdat Hij gehoorzaam werd tot in den dood des kruises, zal Hij een naam hebben boven allen naam. (Fil. 2.) En welk een zalige heerschappij zal de zijne zijn! Hij is zůů wijs, dat Hij zich nooit in eenig opzicht kan bedriegen zůů rechtvaardig, dat Hij over allen met dezelfde gerechtigheid zal heerschen - zůů volmaakt in liefde, dat Hij met de meeste teederheid allen zal behandelen - en zůů machtig, dat Hij over de gansche uitgestrektheid van zijn onmetelijk rijk alles in de beste orde zal houden. Zich onder zulk een koning te buigen, dat is, voorwaar, niet moeielijk! Integendeel, dat zal door allen een groot voorrecht geacht worden, en met de woorden van den achtsten Psalm zal men den lof des Heeren vertellen.

Maar grooter voorrecht zal de Gemeente van Christus te beurt vallen. Nadat zij in den hemel de bruiloft des Lams heeft gevierd en de vrouw des Lams geworden is, komt zij met Jezus op aarde, om duizend jaren met Hem te heerschen. (Openb. 19.) Met den Koning der eere op de nauwste wijze verbonden, zal zij deelen in zijne aardsche, zoowel als in zijne hemelsche heerlijkheid. Christus is de erfgenaam van God, de Gemeente is zijne mede-erfgenaam; en daar het gansche heelal de erfenis is, welke God aan zijnen Zoon gegeven heeft, zal zij die erfenis met Hem deelen. "Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid." (Kol. 3 : 4.) Wanneer Hij zich als de Koning des heelals op den troon zijner heerlijkheid zal plaatsen, dan zal zij als de koningin aan zijne rechterhand zitten. Overal waar Hij is, zal zij met Hem zijn. Doet Hij onder het gejuich der schare zijnen intocht in Jeruzalem, of zit Hij aan met Abraham, Izak en Jakob in zijn koninkrijk, dan zal zij als de koningin aan zijne rechterhand zijn. Oordeelt Hij - zij zal mede oordeelen; heerscht Hij - zij zal mede heerschen de duizend jaren. (Openb. 20.) Ja, zij zal, gezeten op zijnen troon, (Openb. 3 : 21.) gelijkvormig aan zijn beeld, (Fil, 3 : 21.) blinken gelijk de zon in het koninkrijk des Heeren! (Matth. 13 : 43.)

Doch hoewel de geheele Gemeente met Christus zal heerschen, zal echter ieder lid der Gemeente een bijzondere plaats in deze heerschappij innemen. De een zal meerder eer ontvangen dan de ander; en dit zal afhangen van de meerdere of mindere getrouwheid, waarmede men op aarde den Heer gediend heeft. Tot de twaalf apostelen zegt de Heer: "Gij zult zitten op twaalf troonen, oordeelende de twaalf geslachten IsraŽls." (Matth. 19 : 28.) Paulus zegt van de Filippensen, dat zij zijnen roem zijn in den dag van Christus. (Fil. 2 : 16.) In de gelijkenis van de ponden krijgt de een macht over tien en de ander over vijf steden. (Luk. 19 : 12.) Ook zullen er zijn, die wel aan de algemeene heerschappij zullen deelnemen, doch die geen bijzondere plaats zullen ontvangen. (1 Kor. 3 : 11-15.) De zaligheid des hemels is voor alle geloovigen dezelfde; wij allen zullen Jezus zien gelijk Hij is, en zullen Hem gelijk zijn; doch in het duizendjarig rijk zal God het loon voor den getrouwen arbeid aan de zijnen uitdeelen. (zie Matth. 6 : l; 1 Kor. 3 : 8; Openb. 22 : 12.) Wonderbare genade Gods! Hij heeft ons verlost en bekwaam gemaakt Hem te dienen; Hij schonk ons zijnen Geest en door deze de kracht om goede werken voort te brengen; en deze goede werken worden door Hem beloond, alsof wij zelf ze verricht hadden. O, hoezeer moet dit ons aansporen, in alle getrouwheid voor God te wandelen, Hem te dienen en onszelven te verloochenen! Ja, laten wij in zijne gemeenschap leven en door zijne kracht geleid worden!

 

In Openb. 21 : 9 - 22 : 5 wordt ons een treffend schoone beschrijving gegeven van de heerlijkheid der Gemeente gedurende het duizendjarig rijk. Van hoofdst. 19 : 6 tot hoofdst. 21 : 8 worden ons achtereenvolgens de laatste gebeurtenissen medegedeeld. Eerst wordt de bruiloft des Lams in den hemel gevierd; daarna komt de Heer met de zijnen van den hemel om zijne vijanden te verdelgen; daarna volgt de korte beschrijving der duizend jaren, waarop de laatste opstand van den Satan en het oordeel der dooden volgt, en eindelijk wordt ons in korte, doch treffende bewoordingen de toestand van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde beschreven. Na deze duidelijke voorstelling van het geheel, treedt de profeet in meerdere bijzonderheden, en beschrijft ons de heerlijkheid der Gemeente gedurende het duizendjarig rijk. "Kom herwaarts, ik zal u toonen de bruid, de vrouw des Lams." En om ons menschen, die de hemelsche dingen slechts onder aardsche beelden kunnen verstaan, een denkbeeld van de heerlijkheid dier Gemeente te geven, wordt ons een stad voorgesteld, die alles in zich vereenigt, wat deze aarde schoons en prachtigs bevat, terwijl ons uit de bijzonderheden dezer beschrijving de positie duidelijk wordt, welke de Gemeente in de duizend jaren zal innemen. Er is geen nacht in die hemelsche stad; en toch wordt zij noch door de zon, noch door de maan, noch door een kaars verlicht; want de Heer, de almachtige God, heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaars; terwijl "de volken die zalig worden" - de volken, die de duizendjarige aarde bewonen - in haar licht zullen wandelen. Zij heeft geen tempel, want de Heer, de almachtige God, is haar tempel en het Lam; doch het is in haar, als in een tempel, dat de koningen der aarde hunne heerlijkheid en eer brengen. De zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams, stroomt in het midden van de stad, en aan beide zijden der rivier is de boom des levens, waarvan de bladeren dienen tot genezing der volken. Ziedaar de heerlijke positie, welke de Gemeente gedurende Christus regeering inneemt. Zelve de getuige en de uitdrukking van de volmaakte genade Gods en van de volmaakte liefde van Christus, haren Heer en Bruidegom, is zij het kanaal dezer genade, en verspreidt zij licht en genezing over de volken. Onuitsprekelijk heerlijk voorrecht! Hoe groot is Gods liefde - hoe oneindig zijne genade!

"Maar," zal men vragen, "woont de Heer gedurende het duizendjarig rijk met ons op de aarde?" Ik geloof van neen. De woning van Christus en de Gemeente is de hemel. Wel zal de Heer met de Gemeente op aarde komen, en zullen zijne voeten staan op den Olijfberg; wel zal Hij in zijn koninkrijk met Abraham, Izak en Jakob aanzitten; wel zal Hij zijnen intocht in Jeruzalem houden en die stad de zetel zijner heerschappij wezen - doch Hij zal niet op de aarde wonen. En evenzoo de Gemeente. Zij zal heerschen over de gansche aarde; het eene lid zal hierheen, het andere daarheen gaan, om de bevelen van Christus bekend te maken en te doen uitvoeren; doch hare woonplaats zal altijd de hemel zijn. 't Zal dan zijn gelijk in de veertig dagen na de opstanding. De Heer en de zijnen, wonende in den hemel, zullen zich telkens, en overal waar dit noodig is, vertoonen. De hemel zal geopend zijn, en er zal tusschen hemel en aarde een gelukzalige gemeenschap bestaan. Dat stelt ons de ladder van Jakob voor, die op de aarde stond, en welker opperste aan den hemel raakte, en waarop de engelen Gods op en neder gingen. (Gen. 28.) En daar wij hemelsche lichamen zullen hebben, zullen wij wel, evenals de Heer na de opstanding, kunnen eten en drinken, doch wij zullen geen behoefte hebben aan spijs of drank, aan rust of slaap, en wij zullen geenszins deelnemen aan de werkzaamheden, die ook gedurende de duizend jaren op aarde zullen plaats hebben.

Wij beschouwden de plaats, welke Christus en de Gemeente in het duizendjarig rijk zullen innemen, slaan wij nu een blik op den toestand van IsraŽl en de volken. Bij de komst des Heeren op aarde zullen van de Joden, die in Palestina wonen, twee derde deelen door het oordeel des Heeren verdelgd en zal ťťn derde deel behouden worden. (Zach 13 : 8, 9.) Daarna zal de Heer de uitverkorenen uit de tien stammen vergaderen en in het land Kanašn wederbrengen. De profetie van Ezech. 37 wordt alsdan vervuld; IsraŽl en Juda zullen, na zulk een lange scheiding, weer vereenigd zijn. "Geheel IsraŽl zal dan zalig worden, gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Zion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob." (Rom. 11 : 26.) Van deze bekeering van IsraŽl zijn de profetieŽn des Ouden Testaments vol. Wij nemen slechts enkele voorbeelden uit de velen die er zijn. "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over hem rouwklagen." (Zach. 12 : 10.) Ė Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u." (Ezech. 36 :24-28.) Ė "Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken Ö dan zullen zij weten, dat Ik, de Heer, hunlieder God ben Ö en Ik zal mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik mijnen Geest over het huis IsraŽls zal hebben uitgegoten." (Ezech. 39 : 27-29.) - "Daarna zullen zich de kinderen lsraŽls bekeeren, en zoeken den Heer, hunnen God, en David, hunnen heer." (Hos. 3 : 5.) Ė "Maar in den Heer zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het gansche zaad van IsraŽl.'' (Jes. 45 : 25.) - "Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat Ik met het huis van IsraŽl en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb; Ö maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van IsraŽl maken zal: Ik zal mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder, leeren, zeggende: Ken den Heere! want zij zullen Mij allen kennen van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere: want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken." (Jer. 31 : 31-34.) Uit deze profetieŽn blijkt dus ten duidelijkste, dat in het duizendjarig rijk alle IsraŽlieten den Heere zullen dienen. De Geest des Heeren zal over hen uitgestort zijn; Gods wet zal in hunne harten wonen; en de kinderen die geboren worden, zullen in de geboden des Heeren onderwezen worden. (Ps. 22 : 32.) En als een noodzakelijk gevolg hiervan zal IsraŽl zich in een ongekenden voorspoed verheugen. De vruchten van Midian en Hefa, het goud en de wierook van Scheba, de kudden van Kedar, de rammen van Nebajoth, de heerlijkheid van den Libanon, ja, de heerlijkheden van alle volken zullen daar verzameld zijn. Goud zal er zijn in plaats van koper, zilver in plaats van ijzer, koper in plaats van hout, en ijzer in plaats van steenen. (Jes. 60.)

Ook Jeruzalem zal tot een nooit gekenden luister komen. Gelijk wij vroeger aantoonden, zal de stad even vůůr de komst des Heeren ingenomen en gedeeltelijk verwoest worden. Doch in het begin van Christus regeering zal zij worden herbouwd. "Jeruzalem zal dorpswijze bewoond worden, van wege de veelheid der menschen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal. En Ik zal haar wezen een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar." (Zach. 2 : 4, 5.) - "Alzoo zegt de Heer: Ik ben wedergekeerd tot Zion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen, en Jeruzalem zal geheeten worden een stad der waarheid, en de berg des Heeren der heirscharen, een berg der heiligheid Ö Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijnen stok in zijne hand hebben, van wege de veelheid der dagen. En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op hare straten." (Zach. 8 : 2 - 5.) - Alsdan zal ook de tempel worden opgebouwd; en dat wel naar de beschrijving, welke daarvan door EzechiŽl in het 40ste tot het 47ste hoofdstuk zijner profetie gegeven wordt. De tempel toch, welke vůůr het duizendjarig rijk door de Joden gebouwd wordt, en waarin de Antichrist zich als een god zal plaatsen, moet worden verwoest, aangezien uit de genoemde hoofdstukken blijkt, dat de daar beschreven tempel eerst zal gebouwd worden, wanneer de Heere Jezus op aarde is. Heerlijker dan Salomo's tempel zal dat huis des Heeren wezen! Geen ark des verbonds wordt er in gevonden; want de Heer zelf zal er in wonen, en zijne heerlijkheid zal het huis vervullen.

Uit deze hoofdstukken blijkt verder, dat de offerdienst in het duizendjarig rijk zal hersteld worden. De priesters zullen wederom dank,- lof- en brandoffers aan Jehova brengen, als de uitdrukking van de ware dankbaarheid des volks. Maar er zullen ook zondoffers gebracht worden. Waartoe dit, mogen wij met recht vragen. Zeker niet om verzoening aan te brengen. Dit zou onmogelijk en tevens onnoodig zijn, aangezien IsraŽl zich in de volmaakte verzoening, door Christus aangebracht, zal verblijden, en het bewustzijn van de volkomen vergeving der zonden zal omdragen. Maar waartoe dienen dan die zondoffers? Naar mijne overtuiging tot een herinnering aan de door Christus verworven verlossing. Evenals de Gemeente gedurende hare reis door de wereld in het avondmaal de gedachtenis viert van den verzoeningsdood des Heeren, zoo zullen de zondoffers in het duizendjarig rijk voor IsraŽl de herinnering aan dienzelfden dood zijn. - Verder blijkt nog uit hoofdst. 44, dat er ook in de duizend jaren een koning in IsraŽl zal regeeren. Christus is natuurlijk de Koning over allen, maar onder Hem zal, als een soort van onderkoning, een ander staan, die het bestuur over IsraŽl zal voeren. - Eindelijk zien wij, dat de feesten en de sabbat zullen hersteld worden. - 't Spreekt wel van zelf, dat al deze offeranden en instellingen op geheel andere wijze dan vroeger zullen gebracht en gevierd worden. Geen onreinheid, geen onoprechtheid, geen verkeerdheid, geen ongeloof zal er meer onder IsraŽl zijn allen zullen den Heere kennen van den kleinste af tot den grootste toe.

Doch niet alleen Jeruzalem, het geheele land zal een andere gedaante verkrijgen. "Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw IsraŽls! gij zult weder versierd zijn met uwe trommelen, en uitgaan met de rei der spelenden. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten en de vrucht genieten." (Jer. 31 : 4, 5.) - "Maar gij, o bergen IsraŽls! gij zult weder uwe takken geven, en uwe vrucht voor mijn volk IsraŽl dragen Ö en gij zult gebouwd en bezaaid worden; en Ik zal menschen op u vermenigvuldigen, het gansche huis IsraŽls; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden Ö En ik zal u doen bewonen, als in uwe vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uwe beginselen." (Ezech. 36 : 8 -12.) Ė "Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat de ploeger den maaier, en de duiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. En Ik zal de gevangenis van mijn volk IsraŽl wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten." (Amos 9 : 13, 14.)

En hoedanig zal de toestand der volken zijn? Zij zullen in de heerlijkheid van IsraŽl en in de zegeningen van het rijk des vredes deelen. Gelijk de Gemeente het kanaal zal zijn, waardoor de hemelsche zegeningen aan de aarde medegedeeld worden, alzoo zal IsraŽl het middelpunt der gansche aarde wezen, en vandaar zullen de zegeningen des duizendjarigen rijks aan de volken medegedeeld worden. IsraŽl zal de plaats innemen, die God het heeft aangewezen; en de belofte aan Abraham gegeven - in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden - zal dan ten volle worden vervuld. Treffend zijn de woorden van Paulus: "Indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hunne volheid! Want indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden." (Rom. 11 : 12, 15.) Groot zal dus de verandering zijn, die op de gansche aarde zal plaats hebben, wanneer IsraŽl zijne plaats als volk zal hebben ingenomen. De afgoderij zal geheel van de aarde verdwenen zijn. "En elkeen der afgoden zal ganschelijk vergaan." (Jes. 2 : 18.) De eenige, waarachtige God zal gekend en aangebeden worden. "En het zal geschieden, dat van de eene nieuwe maan tot de andere, en van den eenen sabbat tot den anderen, alle vleesch komen zal om te aanbidden voor mijn aangezicht." "De Heere alleen zal in dien dag verheven zijn." (Jes. 66 : 23; 2 : 17.) De oorlog zal ophouden, en men zal een algemeenen vrede genieten. "De volken zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiezen tot sikkelen; het eene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leeren: maar zij zullen zitten, een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgenboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikt." (Micha 4 : 3, 4.) Al de bestuurders der volken zullen als dienstknechten van Christus regeeren, en de gerechtigheid zal onpartijdig worden uitgeoefend. "Ziet, een koning zal regeeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heerschen naar recht." Ė "Ik zal uwe grieven vreedzaam maken, en uwe drijvers rechtvaardigen." (Jes. 32 : l; 60 : 17; zie verder Ps. 72 : 4, 7, 8, 10, 11, 12.) Gelijk in de dagen van Salomo zullen de volken der aarde optrekken naar Palestina, om de heerlijkheid, den rijkdom, de eer en de wijsheid van Davids grooten Zoon te aanschouwen; en evenals de koningin van Scheba zullen zij moeten getuigen, dat de helft hun niet aangezegd was; ja, er zal geen geest meer in hen zijn, wanneer zij den Koning IsraŽls met zijne duurgekochte Gemeente op den troon zijner heerlijkheid zullen zien. "De volken zullen tot uw licht gaan, en de koningen tot den glans, die u is opgegaan." (Jes. 60 : 3.) "Alzoo zullen vele volken en machtige heidenen komen, om den Heer der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des Heeren te smeeken. Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen uit allerlei tongen der heidenen grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van ťťn joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is." - "En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken, om aan te bidden den Koning, den Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten." (Zach. 8 : 20-23; 14 : 16.) In de laatste profetie lezen wij verder, dat die volken, welke niet naar Jeruzalem zullen willen optrekken om den Heer te aanbidden, zullen gestraft worden met droogte.

Uit dit alles zien wij welk een heerlijke toestand er op de aarde zal zijn gedurende de regeering van Christus. 't Spreekt van zelf, dat de steden en dorpen, de huizen en schepen, de stoombooten en spoorwegen, welke er nu zijn, zullen blijven bestaan; ja, het is wel haast zeker, dat de middelen van snel vervoer in dien tijd nog zullen toenemen, want hoe zou het anders mogelijk kunnen zijn, dat alle geslachten der aarde jaarlijks naar Palestina optrekken. Er zal echter een algeheele omkeering in alles plaats hebben. Werd vroeger alles gebruikt tot verheerlijking van den mensch of tot bereiking zijner onreine, zelfzuchtige bedoelingen, dan zal alles geschieden tot verheerlijking van den Heer en tot verbreiding zijns Naams en zijner heerschappij. Ook de arbeid zal niet ophouden; maar hoe geheel anders zal het ook in dat opzicht zijn! De wijze voorschriften, door Jehova aan IsraŽl in de woestijn gegeven, zullen dan overal in toepassing worden gebracht. Niemand zal meer over gebrek aan werk, of over te weinig loon behoeven te klagen; in alles zal de strikste rechtvaardigheid heerschen. "Maar zal de zonde er dan niet meer zijn?" vraagt men wellicht. O, ja! wel heerscht de gerechtigheid op de aarde, maar toch woont de zonde er nog; de bewoners van het duizendjarig rijk hebben nog altijd hun sterfelijk en verderfelijk lichaam, waarin de zonde woont. Doch aangezien de duivel gebonden is, en hij den mensch dus niet meer verleiden kan, zal de zonde niet zooveel te voorschijn treden. Evenwel zal dit van tijd tot tijd gebeuren. Wij zagen reeds, hoe sommigen zullen weigeren naar Jeruzalem op te trekken, en daarvoor zullen gestraft worden. En in Jes. 65 : 20 lezen wij, dat een zondaar, namelijk iemand die een openbare zonde begaan heeft, met den dood zal gestraft worden.

Werpen wij nu ten slotte een blik op den toestand der schepping in de duizend jaren. In de tegenwoordige eeuw zucht de gansche schepping, en is, als het ware, in barensnood. De dieren zuchten, daar zij elkander verscheuren, of den mensch met onverzadelijken bloeddorst vervolgen, of, waar zij den mensch dienen en voor hem den zwaarsten arbeid verrichten, menigmaal de barbaarste behandeling als loon ontvangen. De planten zuchten; want, hoewel zij nog in hunne wonderen de heerlijkheid des Scheppers prediken, is hare eerste schoonheid verdwenen, en lijden zij aan verborgen krankheden. De aarde zucht, die om de zonde van den mensch vervloekt werd, en bedekt is met doornen en distelen, die reeds zoovele veranderingen door de schuld harer bewoners onderging, en van de dagen van Abel af reeds zoo menigmaal het broederbloed heeft ingezogen, die als een groote begraafplaats haren schoot opent om ons bederf te verbergen. En eindelijk de mensch zucht met zijne duizende kwalen en smarten, bij zijnen moeitevollen arbeid, welken hij in het zweet zijns aanschijns moet verrichten. Met ťťn woord, alles, alles zucht, en verlangt met opgestoken hoofd vrijgemaakt te worden van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

Welnu, dat zal in de toekomende eeuw gebeuren. De strijd tusschen de dieren onderling zal ophouden; hunne vrees voor den mensch zal verdwijnen; 't zal wederom zijn gelijk in het Paradijs. "De wolf zal met het lam verkeeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. De koe en de beerin zullen te zamen weiden, hare jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stroo eten, gelijk de os. En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk. Men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg mijner heiligheid; want de aarde zal vol zijn van kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken." (Jes. 11.) "En Hij zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Hij zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen." (Hos. 2 : 17.) Welk een heerlijke beschrijving van de rust der schepping! Evenals in het Paradijs zullen er ook dan geen wilde dieren zijn; en in onschuldige vreugde zullen menschen en kinderen spelen met leeuwen, beeren en adders. Alleen de slang schijnt op dezen regel een uitzondering te maken, ongetwijfeld opdat zij een eeuwige getuige blijve van de zonde, waartoe zij het werktuig was. (Jes. 65 : 25.)

Doch niet alleen de dieren, ook de planten zullen zich verheugen en de boomen zullen juichen: - "de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle boomen des velds zullen de handen samenklappen." (Jes. 55 : 12.) - De vloek van de aarde zal opgeheven zijn. Het aardrijk zal geen doornen en distelen meer voortbrengen; want "voor een doorn zal een dennenboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan." (Jes. 55 : 13.) De woestijnen zullen vruchtbaar worden: "de woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos; zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen." (Jes. 35 : 1, 2.) "Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. Het gedierte des velds zal Mij eeren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om mijn volk, mijnen uitverkorenen drinken te geven." (Jes. 43 : 19, 20.) En als een natuurlijk gevolg van dit alles zal de mensch niet meer in het zweet zijns aanschijns zijn brood behoeven te eten; want het aardrijk zal, als het ware van zelf, zonder veel krachtinspanning, in zijne behoeften voorzien.

Zelfs de dood, die bron van droefheid en ellende, zal, ten minste voor de rechtvaardigen, te niet gedaan zijn. Wij lezen toch alleen van den dood des goddeloozen, die, wanneer hij in zijn honderdste jaar sterft, nog jong zal zijn. "En ik zal mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening, noch de stem des geschreeuws. Want daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinige dagen, nog een oud man, die zijne dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden." (Jes. 65 : 19, 20.) Verder lezen wij daar, dat zij van de wijngaarden, die zij geplant hebben, zullen eten; en dat de dagen des volks zullen zijn als de dagen eens booms; waaruit dus volgt, dat de inwoners des duizendjarigen rijks zeer oud zullen worden; ja , dat zij die duizend jaren zullen blijven leven, om dan zonder te sterven over te gaan in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde. (zie ook Jes. 33 : 24 en 35 : 10.)

Ziedaar, in het kort, doch zoo nauwkeurig mogelijk, den toestand van de Gemeente, van IsraŽl en de volken, en van de schepping gedurende het duizendjarig rijk beschreven. Welk een heerlijk koninkrijk zal dat zijn! Hoe onuitsprekelijk gelukkig zullen de bewoners der aarde zich gevoelen! Onder het bestuur van den Zoon des menschen, den Koning der gerechtigheid en des vredes, zullen de zegeningen als een stroom over de gansche aarde vloeien. Geen oorlog, geen ellende, geen gebrek zal er meer zijn; en al zullen de tranen dan nog niet gansch uit de oogen zijn gewischt, daar de zonde en de dood zich nog zullen vertoonen, toch is menige bron, die ze, nu doet stroomen, opgedroogd. Maar wat meer zegt dan dat alles - de gansche aarde, die nu vol is van onrechtigheid en wrevel, zal dan vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Overal zal de naam des Heeren worden aangeroepen, en, bevrijd van de dienstbaarheid der verderfenis, en zich verheugende in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, zal de gansche aarde juichen: "Looft den Heere uit de hemelen, looft Hem in de hoogste plaatsen! Looft Hem, al zijne engelen! Looft Hem, al zijne heirscharen! Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! Looft den Heere, van de aarde, gij walvisschen en alle afgronden! Vuur en hagel, sneeuw en damp, gij stormwind, die zijn woord doet! Gij bergen en alle heuvelen; vruchtboomen en alle cederboomen! Het wild gedierte en al het vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte! Gij koningen der aarde, en alle volken! gij vorsten, en alle rechters der aarde! jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen! dat zij den Naam des Heeren loven: want zijn Naam alleen is hoog verheven; zijne Majesteit is over de aarde en den hemel! " (Ps. 148.)

Welgelukzalig allen, die de onderdanen van dit koninkrijk zullen zijn! Maar driewerf gelukkig zij, die bestemd zijn, de heerlijkheid van Christus te deelen en met Hem te zitten in zijnen troon!