De Antichrist of de mensch der zonde.

"God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad." Dat waren de ontzettende woorden waardoor de vorst der duisternis de onschuldige vreugde en het reine genot in den lusthof Eden bedierf. Den mensch tegen God op te zetten, hem onafankelijk van God te maken, hem de hand naar Gods almacht te doen uitsteken, dat was van het begin de bedoeling des Satans. En, helaas! hij heeft zijn doel maar al te goed bereikt. De mensch heeft zich onafhankelijk van God verklaard, en gaat steeds verder voort in zijn vijandschap en opstand tegen God, Evenwel is het toppunt der boosheid nog niet bereikt. De tegenwoordige dagen zijn nog slechts een flauw begin van de tijden, die komen zullen. Wel zijn het pausdom, het doode protestantisme, het mohammedanisme en het heidendom; de stelsels der rationalisten en modernen; de geest van afval en verachting van alle overheid, die in de revolutiŽn zulke groote vorderingen heeft gemaakt; de pracht, de weelde en de vermaakzucht, tot welker bevrediging de nijverheid zich uitput, zoo vele middelen in de hand des Satans om den afval voor te bereiden en de verborgenheid der ongerechtigheid te openbaren; doch zij zijn die afval zelve nog niet.

Evenwel die afval zal komen, die verborgenheid der ongerechtigheid zal geopenbaard worden. Wanneer de Gemeente van Christus in den hemel zal opgenomen zijn; wanneer de Joden, in hun land teruggekeerd, stad en tempel zullen herbouwd hebben; wanneer het Romeinsche rijk hersteld en in tien koninkrijken verdeeld zal zijn; dan komt de tijd, dat de Satan zich in zijne gansche boosheid zal openbaren. In het begin van de tweede helft van DaniŽls laatste jaarweek uit den hemel op de aarde geworpen, (Openb. 13.) zal hij zich verpersoonlijken in den mensch der zonde, den zoon des verderfs, den Antichrist. Dezen zal hij met zijne gansche macht bekleeden; hij zal hem met alle mogelijke gaven toerusten, en hem een aantrekkelijkheid geven, waardoor hij de menigte aan zijnen persoon zal verbinden; hij zal in hem alles vereenigen, wat de lusten en begeerlijkheden van den mensch kan opwekken, opdat de wereld, met verwondering vervuld, dezen Booze lof, eer en heerlijkheid brenge, en in hem de Satan door alle bewoners der aarde verheerlijkt worde.

't Is dus wel van belang bij deze geduchte persoonlijkheid, in wie de Satan zich in zijne ware gedaante zal vertoonen, stil te staan. Beschouwen wij achtereenvolgens zijn karakter, zijne positie, zijne afkomst, zijne werken en zijn einde.

 

1. Zijn karakter. Wij behoeven den naam Antichrist slechts uit te spreken, om iedereen te doen denken aan een persoon, die in elk opzicht het tegenovergestelde karakter van den Heere Jezus Christus vertoont. En hoe zou dit ook anders kunnen! Hij toch is de plaatsvervanger van den Satan, die, gelijk God zijnen Zoon in de wereld gezonden heeft, om zondaars zalig te maken, hem in de wereld zendt om de menschen te verderven. Wel zal hij, evenals de Heere Jezus, als koning en profeet optreden, (Dan. 11; Openb. 19.) wel vertoont hij zich, evenals het geslachte Lam, als een beest, dat twee hoornen heeft, des Lams hoornen gelijk; (Openb. 13.) maar juist in die betrekkingen zal hij zich openbaren als de tegen-Christus, als degene, die komt om tegen den Heer en zijnen Gezalfde krijg te voeren.

Wordt de Heere Jezus genoemd "een hoorn der zaligheid, opgericht in het huis van David," (Luk. 1 : 69.) - de Antichrist wordt beschreven als "de kleine hoorn, welke uitnemend groot werd Ö tot aan het heir des hemels; en die er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde wierp, en ze vertrad." (Dan. 8 : 9-14.) Was het de spijze van Jezus den wil te doen zijns Vaders, die in de hemelen is, (Joh. 5 : 30; 6 : 38.) - van den Antichrist lezen wij, dat hij een koning zal zijn, die naar zijn welgevallen zal doen, en zichzelven boven God zal verheffen. (Dan. 11 : 36.) Was het de arbeid van Jezus het land rond te gaan om goed te doen, den armen het evangelie te verkondigen, te genezen, die gebroken zijn van hart, den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, de verslagenen heen te zenden in vrijheid, en te prediken het aangename jaar des Heeren, (Luk. 4 : 18, 19.) - het werk van den Antichrist zal zijn, de heiligen te vervolgen, in de gevangenis te werpen en te dooden. (Openb. 12.) Deed Jezus wonderen tot heil der menschen - hij zal wonderen doen om de menschen te verleiden en in zijnen goddeloozen afval mede te slepen.

In tegenstelling van den hemelschen mensch (1 Kor. 15 : 47.) en van den Rechtvaardige in de Psalmen is de Antichrist de "mensch van de aarde," (Ps. 10 : 18.) "de dwaas, de verderver, die in zijn hart zegt: Er is geen God!" (Ps. 14 : 53.) "de geweldige, die zich beroemt in het kwaad." (Ps. 52.) Hij is in tegenstelling van Christus, den Heilige en Rechtvaardige, die zichzelven vernederde en dienstknechtsgestalte aannam, (Fil. 2 : 6-11.) "de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat van God genaamd, of als God geŽerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een god zal zitten, zichzelven vertoonende, dat hij God is." (2 Thess. 2.)

De Antichrist is gelijk aan FaraŲ, den trotschen vijand van God en zijn volk, die zeide: "Wie is de Heer, dat ik naar zijne stem zou hooren?" Hij is gelijk aan Nebukadnezar, die op straffe des doods gebood, dat alle volken en natiŽn zouden nederknielen voor het gouden beeld, dat hij in het landschap van Babel had doen oprichten (Dan. 3.); - aan Darius, die verbood, dat niemand iets begeeren zou van eenigen God of mensch, behalve van hem (Dan. 6.); - aan Alexander den Groote, die zich voor den zoon van Jupiter, dat is, van den grooten God des hemels, wilde uitgeven.

Vatten wij al deze bijzonderheden te zamen, welk een ontzettend beeld vertoont zich dan voor ons oog! En even wel is er nog ťťn karaktertrek, die verschrikkelijker is dan al de anderen. Johannes beschrijft hem als "den Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent." In zijnen eersten brief, hoofdstuk 2 : 18, zegt hij "Kinderkens! het

is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is." Er waren dus reeds ten tijde van Johannes antichristen, menschen, die handelden in den geest van den Antichrist, die komen zal. "Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet." Hoe ontzettend! Zij, die den geest van den Antichrist hadden, waren personen, die eenmaal den naam van Christus beleden hadden. En dit kan niet anders; want er kan geen Antichrist zijn indien er niet eerst eenige kennis van Christus geweest is. De duivel kan wel navolgen; hij kan Gods waarheid bederven, die tot zijn eigen doeleinde gebruiken, haar in nieuwe, slechte vormen gieten, om daardoor aan bepaalde ketterij den schijn van waarheid te geven; maar hij kan niet uitvinden. Evenzoo zal het zijn, wanneer de persoonlijke Antichrist komt. Hij zal zooveel mogelijk Christus navolgen; doch tegelijkertijd zal hij loochenen, dat Jezus is de Christus ja, wat meer zegt, hij zal den Vader en den Zoon loochenen. "Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent?" Dat is het toppunt des ongeloofs en der boosheid.

Ook in het vierde hoofdstuk spreekt Johannes over den Antichrist. "Er zijn vele valsche profeten uitgegaan in de wereld." Zoo is het ook nu. Waar de Heilige Geest zijn werk voortzet, daar werkt de duivel het met alle macht tegen. "Alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alreede in de wereld." (vs. 3.) En in den tweeden brief lezen wij: "Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is. Deze is de verleider en de Antichrist." Eerst is het de geest van den Antichrist, die werkt in de wereld; daarna komt de Antichrist zelf, om zich openlijk tegen den Heer te verzetten. Hoe dichter wij bij het einde komen, des te meer ontwikkelt de Satan zijne macht. Hij tast nu niet meer alleen het werk, maar den persoon van Christus aan; en dat is een groote schrede voorwaarts op den weg naar de openbaring van den mensch der zonde. Zoodra die persoon van zijne heerlijkheid ontdaan wordt, hetzij men zijne Godheid of zijne reine menschheid loochent, is de grond onder onze voeten weggenomen, en het gansche gebouw der christelijke waarheid stort ineen. En 't is hieraan, dat de Satan in den tegenwoordigen tijd met alle kracht arbeidt. Op allerlei wijzen, zoowel door de modern liberalen als door de modern evangelischen, tracht hij de belijders van Christus te bewerken en voor te bereiden voor de komst van den Antichrist, opdat zij zich bij zijne komst zonder tegenspraak in zijne armen zouden werpen en zich geheel aan zijne leiding zouden overgeven. Al de beginselen, die den Antichrist kenmerken, zijn nu reeds aanwezig, en het is slechts noodig, dat de ware geloovigen van deze aarde worden weggenomen, om de verborgenheid der ongerechtigheid te openbaren.

 

2. Zijne positie. Gelijk wij vroeger hebben bewezen, zal na de opname der Gemeente het Romeinsche rijk worden hersteld, en zullen de Joden naar hun land terugkeeren en Jeruzalem en den tempel herbouwen. Dan begint de zeventigste week van DaniŽl, welke door de verwerping van Christus uitgesteld was. Het is in het begin van die week, dat de Antichrist zal optreden. Wij vinden dit duidelijk in Dan. 9. "Hij," dat is de vorst, wiens volk de stad en den tempel verwoest heeft, "zal velen het verbond versterken ťťne week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden; en uithoofde van den gruwelijken vleugel zal een verwoesting zijn, ook tot de voleinding toe, die, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste." (Zie de verklaring op bladz. 76.) De Antichrist zal derhalve koning der Joden zijn, en als zoodanig een verbond met hen sluiten. Ditzelfde blijkt ook uit de volgende profetieŽn. "En uit ťťn van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land (d. i. Judea.) En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze; ja, hij maakte zich groot tot aan den vorst diens heirs, en van denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning zijns heiligdoms werd nedergeworpen. En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en deed het, en het gelukte wel." (Dan. 8 : 9-12.) "Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste zullen gebracht hebben, zoo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande. En zijne kracht zal sterk worden, doch niet door zijne kracht (maar door de kracht des Satans); en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk (IsraŽl) verderven. En door zijne kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijne hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten (Christus); doch hij zal zonder hand verbroken worden." (Dan. 8 : 23-25.) "En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, (zie 2 Thess. 2.) en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden." (Dan. 11 : 36.) "Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders," zegt Jezus, "en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijnen eigen naam, dien zult gij aannemen." (Joh. 5 : 43.) Derhalve zullen de Joden, omdat zij den door God gezonden Messias niet aangenomen hebben, prijs gegeven worden aan de verleiding en vervolging van dit monster van boosheid; en omdat zij den goeden herder (Ezech. 34 : 15.) verworpen hebben, zullen zij voor eenigen tijd vallen in de handen van dien herder, "die het jonge niet zal zoeken en het verbrokene niet zal heelen, en het stilstaande niet zal dragen; maar die het vleesch van het vette zal eten, en derzelver klauwen zal verscheuren." (Zach. 11 : 16.)

In de tweede plaats blijkt uit Dan 9, dat de regeering van den Antichrist in twee deelen moet verdeeld worden. "Hij zal velen het verbond versterken ťťne week, en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden." In de eerste 3 1/2 jaar zal hij trachten, door allerlei vleierijen de Joden aan zich te verbinden, om hen zoodoende geheel onder zijnen invloed te krijgen. Dit volgt uit de woorden in Dan. 8 : 25 en 11 : 32: "En door zijne kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijne hand." En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen." Zoodra hij echter dit doel bereikt zal hebben, en de Joden geheel onder zijne macht zullen zijn, dan zal hij het masker van zijn aangezicht werpen, en zich in zijne ware gedaante als Antichrist, als mensch der zonde en zoon des verderfs openbaren. Hij zal dan het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, het heiligdom ontheiligen, een verwoestende gruwel daarin stellen, en zichzelven in den tempel Gods plaatsen als een god. De Joden, die hem eerst als hunnen Messias aangenomen hebben, zullen zich ook dan, wanneer hij zich in zijne ware gedaante vertoont, aan hem onderwerpen, en allen, die weigeren zulks te doen, zullen op de vreeselijkste wijze worden vervolgd.

Beschouwen wij nu de positie, welke de Antichrist in het Romeinsche rijk zal innemen. Daar Palestina, gelijk wij vroeger aangetoond hebben, een deel van het Romeinsche rijk is, zoo zal de Antichrist, als koning der Joden, een van de tien koningen van dit rijk zijn. Doch wij kunnen op grond der Schrift verder gaan dan deze gevolgtrekking. In Openb. 13 : 11-27 wordt ons de positie, welke hij in het Romeinsche rijk inneemt, duidelijk omschreven. "En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen, het eerste beest aanbidden, wiens doodelijke wonde genezen was." In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt ons, gelijk wij vroeger bewezen, onder het beeld van een beest, dat met zeven hoofden en tien hoornen uit de zee opkomt, het herstelde Romeinsche rijk afgebeeld. Dit tweede beest komt uit de aarde. De zee met hare golven is het zinnebeeld van een staat van verwarring of revolutie; de aarde daarentegen stelt een geordenden toestand van zaken in de wereld voor. Wanneer het zevenhoofdig monster - het Romeinsche rijk - opkomt, dan is alles in een toestand van verwarring en regeeringloosheid, daar de troonen der vorsten door de revolutie omvergeworpen zijn; wanneer echter het tweede beest opkomt, dan is de verwarring voorbij, en alles is in een geordenden toestand. Hieruit volgt dus, dat het tweede beest eerst verschijnen zal, nadat door de herstelling van het Romeinsche rijk en deszelfs verdeeling in tien koninkrijken aan de regeeringloosheid een einde gemaakt zal zijn. De Antichrist komt dus nŠ het herstel van het Romeinsche rijk. Hij zal evenwel op het nauwste met dit rijk vereenigd zijn. Wij lezen toch: "en het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, enz." (vs. 12.) Ja, het zal tot allen, die op de aarde wonen, zeggen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken. (vs. 14.) - Verder zal hij door zijnen duivelschen invloed het hoofd van het Romeinsche rijk "woorden doen spreken tegen den Allerhoogste;" (Dan. 7 : 25.) en hij is het, die dat hoofd zal aansporen, om groote dingen en lasteringen te spreken tegen God om zijnen naam te lasteren en zijnen tabernakel, en die in den hemel wonen, en om den heiligen krijg aan te doen en die te overwinnen. (Openb. 13 : 6, 7.) Dit alles heeft plaats in de tweede helft zijner regeering. Evenals hij zich eerst in de tweede helft der week aan de Joden in zijn waar karakter zal vertoonen, zoo zal hij ook dan eerst als Antichrist zijnen invloed op het hoofd van het Romeinsche rijk uitoefenen, en door dezen op het geheele Romeinsche gebied.

 

3. Zijne afkomst. Uit al het voorafgaande volgt, dunkt mij, ten duidelijkste, dat de Antichrist een Jood zal zijn. Of is het denkbaar, dat de Joden met hunnen ingekankerden haat tegen de christenen en de heidenen een christen of heiden als hunnen koning zullen erkennen? Zouden zij in zoodanig persoon den hun beloofden Messias kunnen zien? Een ieder gevoelt, bij eenig nadenken, de onmogelijkheid hiervan. 't Is dan ook alleen onkunde omtrent de profetieŽn aangaande den Antichrist en de positie, welke hij zal innemen, die er zoovelen toe gebracht heeft om te meenen, dat de Paus, of Napoleon III, of zijn zoon de Antichrist zullen zijn. Daar zij niet tot de Joodsche natie behooren, kunnen zij de koning der Joden niet zijn.

Dit volgt ook uit de volgende bijzonderheden. a. In Dan. 8 lezen wij, dat de Antichrist uit een gedeelte van Griekenland, hetwelk met het Romeinsche rijk vereenigd is, moet komen. Wij vinden daar, dat de kleine hoorn uitnemend groot werd tegen het zuiden, en tegen het sierlijke land (Judea). Hoe kan dit nu op den Paus of op Napoleon slaan? De zetel van den Paus is toch niet Jeruzalem, maar Rome; en Napoleon zal toch zijne regeering

niet van Frankrijk naar Judea verplaatsen.

b. Wij lezen, dat de Antichrist zich in den tempel Gods als een god zal zetten, (2 Thes. 2 : 4.) Welken tempel wordt hier bedoeld? Zij, die den Paus voor den Antichrist houden, verstaan natuurlijk onder dien tempel de St. Petrus kerk te Rome. Maar, waarlijk, men bewijst een afgodstempel te veel eer, wanneer men dien de tempel Gods noemt! Het Woord Gods, dat altijd zichzelf verklaart, kent geen anderen tempel Gods dan het huis, dat voor Jehova op den berg Sion te Jeruzalem gebouwd werd, en waarvan Hij zeide: "want Ik heb u dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn naam daar zij tot in eeuwigheid." (2 Kron 7 : 16.) Verder wordt het lichaam van den christen een tempel Gods genoemd; (1 Kor. 6 : 19.) en eindelijk de Gemeente van Christus, beschouwd als het lichaam van Christus, en dus bestaande uit ware geloovigen, en niet als de afgevallen christenheid. (1 Kor. 3: 16, 17.) En aangezien de Antichrist zich onmogelijk in de beide laatste gevallen in den tempel Gods kan zetten, zoo kan hier niet anders dan de tempel te Jeruzalem bedoeld worden. Trouwens wordt dit door alle bijzonderheden uit de profetieŽn omtrent dit punt bevestigd. Alleen in betrekking tot den tempel te Jeruzalem kan er spraak zijn van het afschaffen van het dagelijksch offer en van het ontheiligen der gewijde plaats.

c. Dan lezen wij: "Dit is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent." (1 Joh. 2 : 22.) De Paus nu heeft nimmer noch den een noch den ander geloochend. Hij bouwt integendeel op hun bestaan het stelsel zijner dwalingen. En wanneer men zoover zal komen, om den Vader en den Zoon geheel te verwerpen, dan zal men ook den Paus verwerpen, die zich voor hun plaatsbekleeder uitgeeft. (Zie pag. 45-48.)

 

4. Zijne werken. Gelijk wij reeds opmerkten, moet de regeering van den Antichrist in twee helften verdeeld worden. In de eerste helft, d.i. in de eerste 3Ĺ jaar, zal hij de Joden door vleierijen aan zich trachten te verbinden, en hen geheel onder zijnen invloed zoeken te brengen. Gedurende dien tijd worden de oordeelen, in Openb. 6-9 en Matth. 24 : 4-14 beschreven, over IsraŽl en de wereld uitgestort; doch tevens zal er in Jeruzalem een getuigenis voor Jehova plaats vinden. Een gedeelte der Joden zal zich niet aan den Antichrist onderwerpen, maar integendeel de aanstaande komst van den waren Messias en van het koninkrijk der hemelen prediken. Twee getuigen zullen er in Jeruzalem staan, met zakken bekleed, (Openb. 11.) welke 3Ĺ jaar tegen de bedriegerijen van den Antichrist zullen profeteeren. [1] Tegelijkertijd zal de groote hoer, de afgevallen en door den Heer verlaten christelijke kerk, het hoogste toppunt harer macht bereiken en over het geheele Romeinsche rijk heerschappij voeren.

Doch in de tweede helft van de week verandert het tooneel geheel. De duivel wordt uit den hemel op de aarde geworpen, (Openb. 12.) en stort nu, wetende, dat zijn rijk weldra een einde zal nemen, zijne gramschap over de wereld uit. De koningen van het Romeinsche rijk staan tegen de hoer op; zij haten haar, maken haar woest en naakt, eten haar vleesch en verbranden haar met vuur. (Openb. 17 : 17.) De christelijke kerk is dan van de aarde verdwenen, en de godsdienst van den Antichrist kan haar vervangen. Deze, dien wij wel de vleeschgeworden Satan kunnen noemen, openbaart zich nu als de mensch der zonde, de zoon des verderfs. Hij doodt de twee getuigen te Jeruzalem, en verbindt zich met het hoofd van het Romeinsche rijk, waardoor hij zijnen duivelschen invloed over het geheele Romeinsche gebied doet gelden. Daarmede begint dan "de groote verdrukking, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal." (Matth. 24 : 21.) De Antichrist is dan de oppermachtige gebieder in Palestina; ja, door zijne verbinding met het zevenhoofdig monster in de geheele wereld. Door het gelukken zijner plannen stout geworden, zal hij zich verheffen en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken. (Dan. 11 : 36.) Ook zal hij het hoofd van het Romeinsche rijk tot dezelfde lastering aanzetten; zoodat ook hij "woorden zal spreken tegen den Allerhoogste.'' (Dan. 7 : 25.) "En aan het beest werd een mond gegeven, om groote dingen en lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden. En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen tabernakel, en die in den hemel wonen." (Openb. 13 : 5, 6.) Onder zijnen invloed zal dit hoofd van het Romeinsche rijk de tijden en de wet veranderen, (Dan. 7 : 25.) en hij zelf zal in den tempel te Jeruzalem het dagelijksch offer afschaffen (Dan. 9: 27; 11 : 31.) Aan alle dienst van den waren God - al was die dan ook slechts in naam - zal dan een einde gemaakt zijn. De christelijke godsdienst heeft opgehouden te bestaan, en de Joodsche eeredienst is vernietigd. Dan zal de Antichrist zichzelven als God plaatsen in den tempel Gods te Jeruzalem, en de geheele wereld zal hem aanbidden. "Dat u niemand verleide op eenigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of als God geŽerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een god zal zitten, zichzelven vertoonende, dat hij God is. (2 Thess. 2 : 3, 4.)

"Maar hoe zal dit mogelijk zijn?" roept men misschien uit. Ik zou bijna geneigd zijn te vragen: kunnen wij ons in een dergelijken toestand iets anders, denken? De duivel toch, de vijand van God en Christus, is op de aarde geworpen en voert de wereld met rassche schreden naar het verderf. En God zal in al degenen, die verloren gaan, omdat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden, een kracht der dwaling zenden, opdat zij de leugen zouden gelooven. (2 Thess. 2 : 10, 11.) En die leugen zal verleidelijk genoeg zijn. De Antichrist toch zal, door de werking des Satans, vele en groote wonderen en teekenen verrichten; (2 Thess. 2 : 9.) hij zal, evenals Elia, vuur uit den hemel doen afkomen op de aarde; ja, hij zal van den duivel macht ontvangen, om het beeld van het beest, dat hij heeft opgericht, een geest te geven, "Opdat het beeld van het beest ook zou spreken." (Openb. 13 : 14, 15.) Dit beeld van het beest zal waarschijnlijk een standbeeld van den keizer van het Romeinsche rijk zijn, hetwelk door den Antichrist in den tempel te Jeruzalem zal opgericht worden, opdat degenen, die dien keizer zelf niet kunnen aanbidden, zich voor zijn beeld zouden buigen. Waarschijnlijk wordt van dezen afgod in Dan. 11 : 38 gesproken: "En hij zal den god MaŁzzim in zijne standplaats eeren; namelijk den god, welke zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eeren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenschte dingen." De Antichrist zal derhalve een ontzettende macht openbaren, en het zal door deze macht zijn, welke de Satan hem verleent, dat hij de geheele wereld er toe zal brengen om hem, den mensch der zonde, als God te aanbidden.

Doch er is nog een andere reden, waarom bijna allen zich voor hem zullen neerbuigen. Allen toch, die zullen weigeren het beeld van bet beest te aanbidden, zullen gedood worden. En de Antichrist zal aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten een merkteeken geven aan hunne rechterhand of aan hunne voorhoofden; en hij zal maken, dat niemand mag koopen of verkoopen, dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. (Openb. 13 : 15-17.) Evenals er ten tijde van Nebukadnezar, toen het gouden beeld was opgericht, slechts weinigen waren, die weigerden dat beeld te aanbidden, zoo zal ook dan de meerderheid uit eigenbelang en vrees voor vervolging er toe komen, zich aan den Antichrist te onderwerpen en zijnen wil te doen.

Er zal echter een getrouw overblijfsel zijn, hetwelk zal weigeren den Antichrist te erkennen en het beeld van het beest te aanbidden. Deze zullen op de vreeselijkste wijze worden vervolgd. "Zij zullen vallen door het zwaard, en door vlam, door gevangenis en door berooving vele dagen". (Dan 11 : 33.) In Matth. 24 : 15-22 beschrijft de Heere Jezus dezen verschrikkelijken tijd, en vermaant de zijnen alsdan op de bergen te vlieden; en in Openb. 12 zien wij de vrouw - voorstellende het ware IsraŽl, het getrouwe overblijfsel des volks - door den Antichrist vervolgd, vluchten in de woestijn, waar zij door God 3Ĺ jaar bewaard wordt. In Openb. 13 lezen wij, dat het hoofd van het Romeinsche rijk macht ontvangt, den heiligen krijg aan te doen en die te overwinnen; en in Openb. 20 zien wij de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand, uit de dooden opstaan. Hoewel de Heer dus een gedeelte der zijnen gedurende die ontzettende vervolgingen zal bewaren, gelijk Hij Noach gespaard heeft in de ark, zoo zullen er nogtans velen worden gedood, en anderen in de gevangenis worden geworpen.

 

5. Zijn einde. Wanneer de macht van den Antichrist haar hoogste toppunt bereikt zal hebben, en allen zich voor hem zullen nederbuigen, dan komt zijn einde en het einde van allen, die zich tegen den Heer en zijnen Gezalfde verzet hebben. Omdat er in den tempel te Jeruzalem een afgodsbeeld is opgericht, en de Joden zich wederom aan de afgodendienst hebben overgegeven, zendt de Heer een verwoester in het land. "En uithoofde van den gruwelijken vleugel zal een verwoesting zijn, ook tot de voleinding toe, die, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste." (Dan. 9 : 27.) De wijze, waarop dit geschieden zal, vinden wij in andere profetieŽn. In Dan. 11, waar ons de Antichrist beschreven wordt, lezen wij in vs. 40: "En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stooten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen, en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstroomen en doortrekken." De koning van het Zuiden is Egypte, en de koning van het Noorden Rusland; deze zullen, hoogstwaarschijnlijk om staatkundige redenen, tegen den koning van Kanašn optrekken, en zij zullen het gansche land innemen, behalve Edom, Moab en Ammon. (vs. 41.) Jeruzalem zal worden ingenomen; "de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden," (Zach. 14 : 2.) En wanneer het beest - het Romeinsche rijk - dit alles zal aanschouwen, zal het zich opmaken ten strijde, om tot elken prijs zijne macht te handhaven. Hij zal zijn bondgenoot, den koning van Kanašn, den Antichrist, te hulp snellen, om hem uit de handen van de koningen van het Zuiden en het Noorden te verlossen. (Openb. 19 : 19.) Alsdan zullen alle heidenen in Palestina vergaderd zijn, en wordt de profetie van JoŽl 3 : 2 vervuld: "Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat." (Zie ook JoŽl 2.) De Romeinsche heirlegers staan in slagorde tegen de legers van Rusland en Egypte. De groote slag van Armagťddon wordt geleverd, (Openb. 16 : 16.) en het bloed stroomt als water rondom Jeruzalem. Op dat oogenblik verschijnt de Heer met de heirlegers uit den hemel; en zoodra de strijdvoerende machten Hem, die op het witte paard zit, aanschouwen, staken zij hunnen onderlingen strijd, en vereenigen zich om krijg te voeren tegen Hem, die op het paard zit, en tegen zijn heirleger. "En ik zag het beest (de keizer van het Romeinsche rijk) en de koningen der aarde en hunne heirlegers vergaderd om krijg te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn heirleger." (Openb. 19 : 19.) Ontzettende vermetelheid! Doch dat is ook de laatste machtsontwikkeling van den Satan. "En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valsche profeet (de Antichrist), die de teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteeken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt. En de overige werden gedood met het zwaard desgenen, die op het paard zat, hetwelk uit zijnen mond ging, en al de vogelen werden verzadigd van hun vleesch." (vs. 20, 21.) Ziedaar het vreeselijk einde van allen, die zich tegen den Heer en zijnen Gezalfde hadden verzet! Van den Antichrist lezen wij nog in 2 Thess. 2 : 8: "En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door den geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst." Na de vernietiging zijner vijanden neemt de Heer het overblijfsel zijns volks aan; Jeruzalem wordt de zetel zijner regeering en Juda het werktuig zijner kracht. De Joden aanschouwen dengene, dien zij doorstoken hebben, en erkennen in Christus, het geslachte Lam, hun Heer en hun God. Het groote beeld van Nebukadnezar is in het vierde, het Romeinsche rijk, vernietigd en de koninkrijken der aarde worden het eigendom van Christus.


[1] Door een nauwkeuriger onderzoek van de profetieŽn ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de twee getuigen niet in de tweede, maar in de eerste helft der week zullen profeteeren. Wanneer de Antichrist zich als mensch der zonde zal openbaren, en in den tempel Gods als een god zal zitten, dan vindt men geen getuigenis meer, behalve de weigering om het beeld van het beest te aanbidden. Het getrouwe overblijfsel van IsraŽl is in de woestijn gevlucht, en de Antichrist is volkomen overwinnaar over al zijne tegenstanders. (Verg. Matth. 24: 4-14 met vs. 15-30 en Openb. 11, 12 en 13.)