Gedachten over de eeredienst en het ambt des Heiligen Geestes.

 

(Vervolg)

 

3. Waaraan kan men de leiding des Heiligen Geestes erkennen ?

 

Voordat ik tot het bepaalde onderwerp van dezen brief overga, wensch ik mij over twee punten duidelijk uit te spreken. Het eerste is het onderscheid tusschen de bediening en de eeredienst of cultus. Eeredienst is alles, waardoor de mensch zich tot God wendt. Daartoe behoort derhalve het gebed, de belijdenis en voornamelijk de aanbidding en vereering van God. Het onderscheid tusschen de bediening en de eeredienst, bestaat voornamelijk daarin, dat in de laatste de mensch met God en in de eerste God met den mensch door middel van zijne dienaren spreekt. Ons recht om eeredienst te houden is ons geschonken door die onuitsprekelijke genade, welke ons door het bloed van Jezus z nabij heeft gebracht, dat wij nu God als onzen Vader kennen en aanbidden, en tot koningen en priesters gemaakt zijn. In dit opzicht staan alle heiligen gelijk, de zwakste zoowel als de sterkste, hij die vele ervaringen gemaakt heeft, zoowel als hij die nog een kind in het geloof is. De begaafdste dienaar van Christus heeft geen meerder recht, tot God te naderen, dan de onwetendste der heiligen, onder welke hij zijne bediening uitoefent. Door het tegendeel aan te nemen, erkent men het beginsel, hetwelk maar al te zeer in de christenheid gehuldigd wordt, dat er een priester of predikant tusschen God en de kerk moet zijn. Neen! wij hebben n Hoogepriester, namelijk, Christus; en aan Hem hebben alle heiligen het zelfde deel. Ook geloof ik niet, dat in een vergadering van christenen slechts diegenen, welke God de gave gegeven heeft om te leeren, te vermanen of het evangelie te prediken, bevoegd zijn liederen op te geven, te bidden, God te loven en te aanbidden. Waarom zou de Heilige Geest zich niet van een ander broeder kunnen bedienen, om door het opgeven van een lied de ware uitdrukking van de aanbidding der vergadering te openbaren, of door een gebed de werkelijke behoeften van allen uit te drukken? En wanneer God het goed vindt alzoo te handelen, wie zijn wij, dat wij zijnen wil wederstaan? - Wat ons voorrecht betreft, om eeredienst te kunnen houden, staan wij derhalve allen gelijk; doch wat de bediening betreft, is er onderscheid tusschen de leden van Christus, aangezien wij "verscheidene gaven hebben naar de genade, die ons gegeven is." (Rom. 12 : 6.)

Het tweede punt, waarover ik wenschte te spreken, is de vrijheid der bediening. Het ware, schriftuurlijke denkbeeld van de vrijheid der bediening omvat niet alleen de vrijheid in de uitoefening der gaven, maar ook hare uitoefening zelve. Wij moeten in onze bijeenkomsten de tegenwoordigheid en de leiding des Geestes daardoor erkennen, dat wij Hem geen hinderpaal in den weg stellen, wanneer Hij door den een of anderen broeder werkt. Het tegenovergestelde zou een ingrijpen zijn in de voorrechten der Gemeente en in de rechten des Heiligen Geestes. Maar juist dan, wanneer de heiligen zich vergaderen naar het beginsel, hetwelk den Heiligen Geest de vrijheid laat, den eenen broeder tot het opgeven van een lied, den ander tot het uitspreken van een gebed, den derde tot het vermanen of leeren aan te sporen, is er gevaar voor voorbarigheid en eigenliefde. Hoe gewigtig is het daarom te onderscheiden wat van het vleesch en wat van den Geest is! Onze werkzaamheid in de vergadering komt uit een van beiden voort. Daarom moeten degenen, die voortdurend of van tijd tot tijd in de vergadering werkzaam zijn, zich nauw onderzoeken. Ook is dit noodig voor alle heiligen; want wij worden vermaand, de geesten te beproeven, of zij uit God zijn, door welke vermaning de vergadering onder de verantwoordelijkheid gesteld wordt, hetgeen van God is, te erkennen, en hetgeen uit een andere bron voorkomt, te verwerpen.

Ik wensch nu op enkele kenmerken de aandacht te vestigen, om daardoor in staat te zijn de leiding des Geestes van de aanmatiging en nabootsing des vleesches te onderscheiden. Ten eerste maak ik op zulke dingen opmerkzaam, die ons geen recht geven, aan de leiding der vergadering deel te nemen.

a. Wij hebben geen recht om te spreken, omdat er vrijheid is. De zaak is z duidelijk, dat het nauwelijks noodig is er over te spreken; en toch hebben wij het zoo noodig, er aan herinnerd te worden. Dat geen broeder iets in den weg staat, om in de vergadering werkzaam te zijn, geeft hun, die geen andere bekwaamheid hebben dan dat zij lezen kunnen, de gelegenheid een geruimen tijd in beslag te nemen, om het eene hoofdstuk na het andere te lezen, of het eene lied na het andere op te geven. Een hoofdstuk voor te lezen is zeer gemakkelijk; maar te kunnen onderscheiden welk hoofdstuk tot voorlezen geschikt is, en welk het gepaste oogenblik daartoe is, is geheel iets anders. Evenzoo is het niet moeielijk een lied op te geven; maar een lied te kiezen, dat de aanbidding der vergadering uitdrukt, is zonder de leiding des Geestes onmogelijk. Daarom is het zoo noodig, dat wij ons steeds herinneren, dat de vrijheid, om in de vergadering werkzaam te zijn, ons geenszins het recht geeft naar willekeur te handelen.

b. Men heeft ook geen recht te handelen, omdat geen ander broeder het doet. Het stilzwijgen is, helaas! niet altijd een werkzaamheid des Geestes, en kan evengoed als iedere andere zaak een vorm worden; maar toch heeft het stilzwijgen meer waarde dan het spreken of zingen, dat alleen plaats heeft om het stilzwijgen af te breken, Ik weet wel, dat dit dikwijls plaats heeft, omdat men aan personen denkt, die tegenwoordig zijn, en die misschien niet tot de vergadering behooren, of wellicht niet eens bekeerd zijn, en men zich om hunnentwil niet op zijn gemak gevoelt. En voorzeker, wanneer de vergadering dikwijls zulk een armoede aan den dag legt, dan is dit een vermaning Gods om de oorzaak daarvan te onderzoeken; maar nooit meene een broeder, dat hij het recht heeft iets te lezen, te bidden of een lied op te geven, alleen om iets te doen.

c. Verder zijn onze ervaringen en ons persoonlijk standpunt nooit dingen, die ons veilig leiden kunnen om deel te nemen aan de werkzaamheden in de vergadering. Misschien was eens een lied zeer gezegend voor mij; misschien hoorde ik het zingen in het volle genot van de tegenwoordigheid des Heeren; maar mag ik daaruit opmaken, dat ik geroepen ben, dit lied in de eerstkomende vergadering, op te geven? Mogelijk staat het in geen betrekking tot den tegenwoordigen toestand der vergadering. Misschien is het in het geheel het oogmerk des Geestes niet een lied te laten zingen? "Is iemand in lijden onder u? dat hij bidde. Is iemand goeds moeds? dat hij psalmzinge." (Jak. 5 : 13.) Een lied moet het gevoel van hen uitdrukken, die vergaderd zijn, anders zouden zij, als zij zongen, niet oprecht zijn. En wie, behalve hij, die den tegenwoordigen toestand kent, zal een geschikt lied kunnen vinden? Evenzoo is het met het gebed. Als iemand in de vergadering bidt, dan doet hij dit als het orgaan en de mond van allen. Ik kan mijne zorgen en lasten door het gebed den Heere bekend maken, maar het is zeer ongepast dit in de vergadering te brengen; want daardoor breng ik al mijne broeders in denzelfden toestand als waarin ik mij bevind. Aan den anderen kant is het mogelijk, dat mijne ziel volkomen gelukkig is in den Heere; maar wanneer dit niet van de vergadering kan gezegd worden, dan ben ik alleen bekwaam, hare behoeften voor God te brengen, als ik mij n maak met haren toestand. Met n woord, wanneer ik door den Geest geleid word, in de vergadering te bidden, dan zal dit niet zijn, als in mijne binnenkamer, waar ik met den Heer alleen ben, en waar mijne eigene behoeften en mijn eigen genot het hoofdonderwerp mijner gebeden en dankzeggingen uitmaken, maar ik heb de bekwaamheid noodig, den Heere datgene te belijden en Hem die wenschen en dankzeggingen voor te dragen, die met den toestand van hen overeenstemmen, wier mond ik ben. Het is een der grootste fouten, waarin wij vervallen kunnen, wanneer wij ons verbeelden, dat hetgeen ons bezighoudt, de maatstaf aangeeft om de vergadering te leiden. Zoo kan een gedeelte der Schrift mijne ziel zeer verkwikt en mij veel nut aangebracht hebben, zonder dat daaruit volgt, dat ik dit gedeelte aan de tafel des Heeren of in een andere vergadering moet voorlezen. Als een bijzonder onderwerp mij bezighoudt of vroeger bezig gehouden heeft, zoo is dit geen bewijs, dat het dat onderwerp is, waarop God de opmerkzaamheid der heiligen richten wil. Men versta mij wel. Ik ontken niet, dat men zich met eenig onderwerp kan bezig gehouden hebben, waarmede men ook, naar den wil Gods, de geloovigen kan bezighouden. Misschien is dit dikwijls, ja, zelfs gewoonlijk het geval bij de dienaren des Heeren; maar wij moeten daarin, evenals in alles door den Heiligen Geest geleid worden.

Wij mogen nooit vergeten, dat, wie ook het orgaan of de mond der vergadering zijn moge, het altijd bij het gezang, bij het gebed, met n woord, bij de eeredienst de vergadering is, die met God spreekt; en dientengevolge kan de eeredienst slechts dan waar en oprecht zijn, als zij een getrouwe uitdrukking is van den toestand der vergadering. Geloofd zij God! dat Hij door Zijnen Geest dikwijls een hooger accoord doet hooren, hetwelk in aller hart weerklank vindt, en waardoor Hij aan de eeredienst een verhevener karakter verleent. Maar wanneer de vergadering zich niet in een toestand bevindt om op dit accoord te antwoorden, dan is er niets pijnlijker dan een broeder te hooren, die met de warmste uitdrukkingen lof en dank aan God brengt, terwijl de harten der anderen treurig, koud en verstrooid zijn. Geheel anders is het ten opzichte van de bediening. Hier spreekt God tot ons; en daarom is de bediening niet gelijk de eeredienst door onzen toestand beperkt, maar kan altijd een hooger standpunt innemen. Als een bedienaar des Woords, terwijl hij spreekt, waarlijk de mond Gods is, dan kan het dikwijls gebeuren, dat ons waarheden worden voorgesteld, die wij tot hiertoe nog niet kenden, of dezulken, die opgehouden hebben met kracht op onze harten te werken. 't Is duidelijk, dat zoowel in het een als in het ander geval de Geest Gods de eenige leidsman moet zijn!

Na al het gezegde kunnen wij nu overgaan tot het meer bepaald aangeven van de kenteekenen, waaraan men de ware bediening kan onderscheiden. En dan merken wij in de eerste plaats op, dat de Heilige Geest niet leidt door een blinde aandrift of door middel van onverstandige indrukken, maar daardoor, dat hij het geestelijk verstand met de gedachten Gods vervult, gelijk deze in het geschreven Woord ontvouwd zijn. In de eerste tijden der Gemeente waren er wel is waar gaven van God, wier gebruik niet met het geestelijk verstand kon verbonden zijn. Ik wil slechts herinneren aan de gave om in talen te spreken, wanneer geen uitlegger tegenwoordig was; en het schijnt dat, aangezien deze gave in de oogen der menschen bewonderenswaardiger en opvallender dan iedere andere was, de Korinthirs er zeer op gesteld waren, die uit te oefenen en er mede te schitteren. De Apostel berispt hen deswege met de woorden: "Ik dank God, dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen; maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal. Broeders! wordt geen kinderen in het verstand; maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen." (1 Kor. 14 : 18 - 20). Het geringste wat men derhalve van hen die dienen, verwachten kan, is, dat zij de Schrift kennen en de gedachten Gods verstaan, gelijk die in het Woord geopenbaard zijn. Wel kan een broeder deze kennis des Woords hebben, zonder de gave te bezitten ze voor te dragen of de bekwaamheid ze anderen mede te deelen; - maar wat zouden wij zonder die kennis mede te deelen hebben? De kinderen Gods vergaderen zich toch niet in den naam van Jezus, opdat men hun menschelijke gedachten voor zou stellen, of datgene zou herhalen, wat anderen gesproken of geschreven hebben. De kennis der Schrift en het verstaan van haren inhoud zijn dus onontbeerlijk tot de bediening des Woords. Wij lezen in Matth. 13 : 51, 52: "Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heer! En Hij zeide tot hen: Daarom een iegelijk schriftgeleerde, in het koninkrijk der hernelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt." - Toen de Heere Jezus op het punt stond, zijne discipelen als zijne getuigen uit te zenden, "opende hij hun verstand, opdat zij de schriften verstonden." (Luk. 24 : 45.) En hoe dikwijls lezen wij, dat Paulus, als hij den Joden predikte, zich met hen over de Schriften onderhield. (Hand. 16 : 2-4.) In den brief aan de Romeinen, waar hij schrijft aan christenen, die bekwaam waren elkander te vermanen, doet hij dit, omdat hij tot hen zeggen kan: "Doch, mijne broeders! ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, magtig om ook elkander te vermanen." (Rom. 15 : 14.) Die gedeelten der Schrift, die uitdrukkelijk van de werkzaamheid des Geestes in de Gemeente spreken, toonen ons duidelijk, dat deze werkzaamheid nooit met uitsluiting van het Woord mag plaats vinden. Wij lezen, b.v., in 1 Kor, 12 : 8. "Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een anderen het woord der kennis, door denzelfden Geest." Evenzoo zegt de Apostel bij het opsommen der dingen, waardoor hij en anderen zich als dienaren Gods bewijzen: "In kennis, in het woord der waarheid, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter en aan de linkerzijde." (2 Kor. 6 : 6,7.)

En als wij vragen, waarin deze wapenrusting bestaat, dan zien wij in Efez. 6 : 14-18, dat de waarheid de gordel, het Woord Gods het zwaard des Geestes is. En als de Apostel de heiligen aanspoort, elkander te vermanen, roept hij hun met nadruk toe: "Het woord van Christus wone rijkelijk in u in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart." (Kol. 3 : 16.) Evenzoo zegt hij in den brief aan Timothes: "Als gij den broederen dit voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Christus Jezus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, waarin gij onderwezen zijt." Ook voegt hij er de vermaning bij: "Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leeren, totdat ik kome. Bedenk deze dingen; leef daarin, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Heb acht op u zelven en op de leer; volhard daarin, want dat doende zult gij n u zelven behouden, n die u hooren." (1 Tim. 4 : 6, 13, 15, 16.) in den tweeden brief wordt Timothes verrnaand: "En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren;" (2 Tim. 2 : 2.) "benaarstig u, om u zelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het woord der waarheid recht snijdt." (vs. 15.) Uit dit alles blijkt duidelijk, dat de gemeente niet altijd door enkele gedeelten der waarheid kan gevoed worden; maar dat de Heilige Geest om de geloovigen te weiden, te voeden en te leiden zich van zulke broeders bedient, die geoefend zijn door de beschouwing des Woords, en die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. (Hebr. 5 : 14.) Daarom is, gelijk ik reeds gezegd heb, kennis in het Woord Gods het minste, wat men van iemand verwachten kan, die op de een of andere wijze de Gemeente dient.

Deze kennis is echter niet toereikend. Het Woord Gods moet ook tot het geweten der geloovigen gebracht worden, opdat het beantwoorde aan hunne tegenwoordige behoeften. Daarom is het noodig, hetzij door omgang den toestand der geloovigen te leeren kennen, of onmiddelijk door God geleid te worden, en dit laatste zal het geval zijn bij broeders, die als evangelisten, herders of leeraars die gaven bezitten, welke Christus zijne Gemeente gegeven heeft. God alleen kan hun die gedeelten der waarheid laten vinden, die het geweten bereiken en aan de behoeften der zielen beantwoorden zullen; Hij alleen kan ze bekwaam maken, deze waarheid z voor te stellen, dat zij hare werking niet mist. De Heilige Geest kent in de Gemeente de behoeften van allen en van een ieder in het bijzonder; en Hij kan hen die spreken, juist die waarheid doen spreken, die voor den toestand der toehoorders past. Hoe gewichtig is het derhalve, zich onvoorwaardelijk aan den Geest te onderwerpen.

Niets is z duidelijk dan dat de dienst des Heiligen Geestes haren oorsprong heeft in de persoonlijke gehechtheid aan Christus. "Hebt gij mij lief?" Deze vraag werd driemaal aan Petrus gedaan, en dat wel toen hij de opdracht ontving de kudde van Christus te weiden. "De liefde van Christus dringt ons," zegt Paulus. Hoezeer onderscheidt zich dit van de vele beweegredenen des vleesches, die hunnen invloed op ons kunnen uitoefenen! Hoe wenschelijk zou het zijn, als wij ten allen tijde konden zeggen: "Geen ijdelheid, niet de macht der gewoonte, noch ongeduld, hetwelk de stilte niet verdragen kan, neen! niets van dit alles was de drijfveer van mijn handelen, maar veel meer de liefde tot Christus en tot zijne duur gekochte kudde."

Bovendien zal de dienst des Geestes, ja, iedere door den Geest gewerkte handeling in de Gemeente zich steeds door een diep gevoel der verantwoordelijkheid jegens Christus kenmerken. Sta mij toe, mijne broeders! u een vraag te doen. Wanneer iemand aan het einde eener vergadering de vraag tot ons richten zou: "Waarom hebt gij juist dit lied opgegeven, waarom dat hoofdstuk voorgelezen of daarover gesproken, waarom juist z gebeden?" zouden wij dan met een vrij geweten kunnen antwoorden: "De overtuiging, dat het de wil des Heeren was, heeft er mij toe gedrongen?" Zouden wij kunnen zeggen: "Ik koos juist dat lied in de zekere overtuiging, dat het zingen daarvan aan het doel des Geestes beantwoordde? - ik las juist dat hoofdstuk, of sprak juist over dat gedeelte, omdat ik zeker was, dat het de wil van mijnen Heer en Meester was op die wijze te dienen? - ik bad juist z, in het volle bewustzijn door den Geest Gods geroepen te zijn, die zegeningen af te smeeken, die den inhoud van mijn gebed uitmaakten?" Zouden wij in staat zijn, geliefde broeders! zulk een antwoord te geven? Of handelen wij niet dikwijls zonder onze verantwoordelijkheid jegens Christus te gevoelen? "Als iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods," zegt Petrus; en dit beteekent niet alleen, dat iemand naar de Schrift, maar veelmeer, dat hij als de gedachten Gods spreekt. Wanneer ik niet kan zeggen: "God heeft mij in hetgeen ik op dit oogenblik in de vergadering laat hooren, onderwezen, en het is zijn wil, dat ik juist nu spreek", dan moet ik zwijgen. Natuurlijk kan men meenen zeker te zijn, en zich toch bedriegen; en het is de roeping der geloovigen, het gehoorde naar het Woord Gods te beoordeelen; maar niets dan de zekere overtuiging voor God, dat God hem iets te doen of te spreken gegeven heeft, moet voor een ieder de drijfveer van het spreken of handelen in de vergadering der geloovigen zijn. Indien ons geweten altijd onder het gevoel dezer verantwoordelijkheid handelde, dan zou er veel niet gebeuren, wat nu plaats heeft; maar aan den anderen kant zou God zijne tegenwoordigheid, die door onze handelingen menigmaal verhinderd wordt, vrij kunnen openbaren.

Hoe beslist treedt dit gevoel der onmiddellijke verantwoordelijkheid jegens Christus bij den Apostel Paulus op den voorgrond! "Want indien ik het evangelie verkondig" zegt hij, "het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig! Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij evenwel toebetrouwd," (1 Kor. 9 : 16, 17.) En hoe roerend zijn de woorden aan dezelfde christenen: "En ik ben bij u geweest in zwakheid en in vreeze en in vele beving." (1 Kor. 2 : 3.) Welk een berisping voor de lichtvaardigheid des harten en de voorbarigheid, waarmede wij, helaas! al te dikwijls het Woord Gods behandelen. De Apostel zegt: "Want wij dragen niet gelijk velen het woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus." (2 Kor. 2 : 17.)

Ten slotte wil ik nog op een ander punt wijzen. "Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid." (2 Tim. 1 :7.) Een geest der gematigdheid! 't Is mogelijk, dat iemand weinig of bijna geen menschelijke kennis bezit; 't is mogelijk, dat hij onbekwaam is, zich op een schoone of zelfs duidelijke wijze uit te drukken; desniettemin kan hij een goed dienstknecht van Jezus Christus zijn. Maar het is noodig, dat hij een geest der gematigdheid bezit. En daar ik dit onderwerp aangeroerd heb, wil ik aan een zaak herinneren, waaraan ik dikwijls met droefheid denk. Ik meen, namelijk, de verwardheid, die zoo dikwijls in de gebeden van enkele broeders heerscht omtrent de drie personen in de Godheid. Als een broeder in het begin van het gebed zich tot den Vader wendt, en Hem in den loop van het gebed aanspreekt als Dien, die gestorven en opgestaan is, of als hij zijn gebed tot den Heer Jezus richt en Hem aan het einde dankt, dat Hij zijnen eengeboren Zoon gezonden heeft in de wereld - dan vraag ik mij zelven af: "Kan de Geest Gods zulk een gebed werken?` - O, hoe zeer hebben allen, die bij de eeredienst bezig zijn, den geest der gematigdheid noodig, om zulke verwarringen te voorkomen! Niemand hunner gelooft, dat de Vader op Golgotha gestorven is, en dat Christus Zijnen Zoon gezonden heeft. En waar is dan die rustige, bezonnen geest, welke dezulken moet kenmerken, die bij de eeredienst de kanalen des Geestes moeten zijn, indien de taal, waarvan zij zich bedienen, juist uitdrukt, hetgeen zij zelven niet gelooven, en wat bepaalde onzin is! Moge de Heer ons daarom den Geest der kracht, der liefde en der gematigdheid in ruime mate schenken!

 

4. Eenige opmerkingen over de wederkeerige afhankelijkheid der heiligen in de onderlinge bijeenkomst.

 

Ik merk in de eerste plaats op, dat alles, wat in een onderlinge bijeenkomst gebeurt, de vrucht der gemeenschap moet zijn. Wanneer ik, b.v. een hoofdstuk uit Gods Woord wil voorlezen, dan moet ik niet in mijnen Bijbel bladeren om een gepast hoofdstuk te vinden, maar de Geest Gods moet mij het gedeelte, dat ik zal voorlezen, in het hart geven. Evenzoo is het met het opgeven van een lied. Het staat mij niet vrij, een lied op te geven, omdat ik geloof, dat het oogenblik tot zingen gekomen is, of omdat ik in het liederboek een lied gezocht heb, dat mij bevalt, maar de Geest Gods moet mij aan een lied herinneren en mij aansporen, het op te geven. Het bladeren in de Bijbels en liederboeken door verscheidene broeders, om een gepast hoofdstuk of lied te vinden, heeft den schijn, alsof men het ware karakter eener van Gods Geest afhankelijke vergadering wil verloochenen. Wel kan mijne gebrekkige bekendheid met den inhoud mij noodzaken den Bijbel of het liederboek ter hand te nemen, om het mij door den Geest aangeduide hoofdstuk of lied op te zoeken; doch altijd moet het gevoel mij leiden, dat wij in afhankelijkheid van Gods Geest vergaderd zijn om elkander op te bouwen in het geloof. Als wij dit begrepen hebben, dan volgt daaruit van zelf, dat, wanneer een broeder zijn Bijbel of liederboek opneemt, men weet, dat hij dit doet met het doel om een hoofdstuk voor te lezen of een lied op te geven. En dit moet voor de anderen genoeg zijn om niet hetzelfde te doen, maar zlang te wachten, totdat hij een hoofdstuk of een lied opgegeven heeft of van zijn voornemen afziet.

Dit brengt mij van zelf tot de onderlinge afhankelijkheid. Het eigen ik treedt, helaas! al te dikwijls in de vergadering op den voorgrond. Wanneer men naar de vergadering gaat, en slechts denkt aan het hoofdstuk of het lied, dat men wil opgeven, dan is het eigen ik het middelpunt van de gedachten. Nu moeten mijne gedachten niet gevestigd zijn op hetgeen ik doen zal, maar op de goedheid en de wonderbare genade van Hem, die ons aan de bewaring des Geestes toevertrouwd heeft. En voorzeker zal de Heilige Geest, wanneer wij ons ootmoedig aan Hem onderwerpen, een ieder de plaats aanwijzen, die hij in te nemen heeft, naarmate van de gave, die hij bezit. Ieder christen is slechts een deel van het lichaam van Christus; en wanneer ik dit versta, dan zal ik mij voor voorbarig spreken in de vergadering wachten. Wanneer ik gevoel, dat de Heer mij een woord gegeven heeft om te spreken, dan zal ik mij toch herinneren, dat anderen hiertoe evengoed door den Heer kunnen geroepen zijn, en ik zal hen niet in den weg staan. Vr alle dingen moet ik, als een broeder reeds zijn boek geopend heeft om een gedeelte der Schrift voor te lezen of een lied op te geven, wachten, totdat hij dit gedaan heeft, en hem niet trachten voor te komen. "Ieder mensch zij rasch om te hooren, traag om te spreken," (Jak. 1 : 19.) is een vermaning, die wel degelijk door ons mag behartigd worden.

Laten wij steeds bedenken, dat het doel onzer samenkomst stichting is. In de gemeente te Korinthe was in plaats van de liefde, die de opbouwing van allen zoekt, de ijdelheid werkzaam, om schitterende talenten te toonen. Wel was de gave der talen een gave des Geestes, maar wij zien in Korinthe, hoe men een gave des Geestes kan bezitten en die gave verkeerd kan gebruiken. Het is geenszins het doel des Geestes, om de arme aardsche vaten, die in het bezit zijner gaven zijn, te verheerlijken, maar om door de opbouwing der leden Christus te verheerlijken, die deze gaven schenkt. En daarom kunnen die gaven alleen recht gebruikt worden door hem, die het eigen ik ter zijde gesteld heeft en Christus alleen op het oog heeft. Hoe heerlijk zien wij dit bij den apostel Paulus! In het bezit van alle gaven, bleef hij toch vrij van pralerij. En met welk een eenvoudigheid des harten tracht hij zijnen Heer te verheerlijken en de heiligen op te bouwen! "Ik dank God, dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen. Maar ik wil in de vergadering liever vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal." Voorwaar! in den mond van zulk een man heeft de vermaning "laat alle dingen geschieden tot stichting" dubbele kracht.

Het kan niet genoeg herhaald worden, dat, wanneer ik in de vergadering der heiligen werkzaam wil zijn, ik de zekere overtuiging moet hebben, dat dit de wil en het gebod des Heeren is. "Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft." (Rom. 12 : 3.) De door God mij geschonken mate des geloofs moet de maatstaf zijn van hetgeen ik doe. Daar het nu evenwel mogelijk is, dat hiervan misbruik gemaakt wordt, zoo zegt de Apostel in 1 Kor. 14 : 29: "Dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordeelen." Dit is een behoedmiddel tegen misbruiken in de vergadering. Vooreerst moet ik zelf beoordeelen, of de Heer mij roept om in de vergadering werkzaam te zijn; maar nadat ik gesproken of iets anders gedaan heb, staat het aan mijne broeders om te oordeelen; en in de meeste gevallen zal ik mij aan hun oordeel moeten onderwerpen. Het is mogelijk, dat een broeder waarlijk door den Heer geroepen is om te dienen, doch dat de vergadering zoo weinig geestelijk is, dat zij zijne dienst niet kan waardeeren, en hem dus veroordeelt; doch dit is zulk een zeldzaam geval, dat ik daarover niet verder zal uitwijden. Liever wil ik iedereen, die in de vergadering spreekt, of iets anders doet, herinneren, dat het God even gemakkelijk is, de harten der heiligen z te besturen, dat zij mijne dienst erkennen en zich met mijne gebeden vereenigen, als mijn hart tot zulk een dienst bekwaam te maken. Wanneer het waarlijk de Heilige Geest is, die mij tot dienen aanspoort, zoo zal diezelfde Geest, die ook in de heiligen woont, zorgen, dat mijne dienst erkend wordt. Wanneer ik derhalve bemerk, dat mijn werken in de vergaderingen, in plaats van de heiligen te stichten, een last voor hen is, dan moet ik daaruit besluiten, dat ik mij in mijne overtuiging bedrieg, en dat ik niet geroepen ben werkzaam te zijn.

Aan den anderen kant, moeten wij zeer op onze hoede zijn, geliefde broeders! tegen den geest van liefdelooze beoordeeling van hetgeen in de vergadering voorvalt. Niets kan den zegen meer wegnemen dan dit. De Heer moge er ons voor bewaren! Wij vergaderen ons om God te aanbidden en elkander te stichten, en geenszins om een broeder te beoordeelen en te beslissen, of hij zijne bediening op een vleeschelijke wijze uitoefent. Wanneer het vleesch zich openbaart, dan moet het geoordeeld worden; maar wanneer dit in de vergadering noodzakelijk is, dan is het een treurige en verootmoedigende zaak. Wachten wij ons voor den geest van critiseeren! Er zijn toch geringe en groote gaven; en de leden, die ons dunken de zwakste te zijn, hebben overvloediger versiering.

 

De handelingen van een broeder in de vergadering zijn niet allen vleeschelijk, omdat hij tot op zekere hoogte vleeschelijk werkzaam is, en in dit opzicht zou het voor ons allen zeer nuttig zijn, de woorden van een der geachtste broeders onder ons ernstig te overwegen: "Het is vr alles noodig, dat wij eerst den aard onzer gave onderzoeken en dan de maat dier gave. Wat het laatste betreft, zoo geloof ik, dat menige gave niet erkend wordt, omdat de broeder, die ze ontvangen heeft, bij hare uitoefening de maat overschrijdt." "Is het een profetie, laat ons handelen naar de maat des geloofs." Alles wat hier buiten ligt, is van het vleesch. Evenzoo is het ook, wanneer een broeder een gave tot vermanen heeft, en hij begint te leeren. Daarom moeten wij allen blijven bij hetgeen God ons gegeven heeft. Maar evenzeer is het noodig met dank aan te nemen, wat door den Geest gewerkt is, ook dan wanneer het met het vleesch verbonden is.

Ten slotte wenschte ik nog op een paar bijzonderheden opmerkzaam te maken. Vooreerst op de uitdeeling van brood en beker aan de tafel des Heeren. Aan den eenen kant is het wenschelijk, dat dit niet altijd door denzelfden broeder gedaan wordt, alsof er een kerkelijk onderscheid bestond; maar aan den anderen kant vind ik niets in de Schrift, wat een broeder het recht geeft het brood te breken of den beker uit te reiken zonder dankzegging. In Matth. 24: 26, 27; Mark. 14 : 22, 23; Luk. 22 : 19 en 1 Kor. 11 : 24 wordt ons gezegd, dat de Heer dankte, toen hij het brood brak en den kelk nam, en in 1 Kor. 10 : 16 wordt ons den beker als de beker der dankzegging voorgesteld. Wanneer wij ons dus aan de Schrift houden, dan is het duidelijk, dat hij, die het brood breekt en den beker opneemt, ook tegelijkertijd de dankzegging moet doen.

In de tweede plaats wensch ik 1 Tim. 3 en Tit. 1 aan de biddende overdenking mijner lezers aan te bevelen. In het zesde vers van 1 Tim. 3 lezen wij de volgende behartigenswaardige woorden: "Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle." Het kan zijn, dat een jonge man - zooals in het Oude Testament Jeremia en in het Nieuwe Timothes - door God geroepen is werkzaam te zijn, en in dit geval zijn de woorden tot den laatste gesproken "niemand verachte uwe jongheid," op hunne plaats. Maar de woorden "geen nieuweling" werden juist tot Timothes gericht, opdat zijne jeugd geen aanleiding zou geven tot werkzaam zijn aan dezulken, bij wie noch de genade noch de gave gevonden werd, welke hem ten deel geworden waren. Ieder gevoelt dan ook, dat een jongeling de plaats der onderworpenheid moet innemen. In 1 Petr. 5 : 5 vinden wij dan ook een voortreffelijke vermaning, die, helaas! niet genoeg behartigd wordt. "Desgelijks gij jongen! zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed: want God wederstaat de hoogvaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade."

Moge de Heer ons in zijne genade geven, dat wij in ootmoed voor Hem wandelen, opdat het werk des Heiligen Geestes van onze zijde door niets verhinderd of gestoord worde!

 


 

De uitgever dezer brieven veroorlooft zich nog een paar korte aanmerkingen hierbij te voegen.

1. Wanneer een broeder in de vergadering zich tot God wendt met de woorden: "Mijn God!" dan heeft de Geest hem zeker deze woorden niet ingegeven. De Heilige Geest kan niemand aansporen om in de vergadering persoonlijk voor zichzelven te bidden, daar degene, die bidt, de mond der vergadering is.

2. Wanneer een gebed een lange voorstelling van leerstukken bevat, dan kan ik ook daarin geen werking des Geestes erkennen. Die bidt, spreekt met God en niet met zijne broeders; en het staat ons in geen geval vrij voor God een preek te houden.

3. Ik betwijfel zeer, of de handelingen bij de eeredienst, die altijd naar denzelfden regel geschieden, het werk des Geestes zijn. De Heilige Geest kan evengoed willen, dat een vergadering met een gebed in plaats van met een gezang begonnen wordt; of dat zij uiteengaat met het zingen van een lied zonder daaropvolgende dankzegging. Evenzoo is het in alle opzichten. De Geest Gods moet vrij kunnen werken en niet door onze menschelijke vormen gebonden worden.