Onze eenheid met Christus.

De zekerheid van den geloovige bestaat in zijne eenheid met Christus; en zijn vrede, zijne vreugde, zijn wandel hangen van de kennis en verwezenlijking dier eenheid af. Wel is waar, kennen en verwezenlijken wij deze hoogst gewichtige en heerlijke waarheid alleen door het geloof; doch Gods Woord verklaart ons, dat zij een feit is, en op dat Woord rust het geloof. Het geloof neemt eenvoudig als waar aan, wat God gesproken heeft; hoe tegenstrijdig dit ook met het verstand, het gevoel, de ervaring, de zintuigen, de twijfelingen of de vrees zijn moge. Naar dit alles luistert het geloof niet. Het geeft geen gehoor aan de vrees, den twijfel of het gevoel; het bekommert zich niet om de ervaring, de zintuigen of het verstand; het luistert eenvoudig naar de stem van God, die in zijn Woord tot ons spreekt. Hetgeen dat Woord zegt - hetgeen derhalve God zelf verklaard heeft - dat alleen neemt het geloof aan; en God verklaart in zijn Woord, dat de geloovige één is met Christus. "Die den Heer aanhangt, is één geest met Hem." (1 Kor. 6 : 17.) "Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken; hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt." (1 Kor. 12 : 13.)

Christus is vol genade, zoodat zelfs de schuldigste Hem welkom is. Toen Hij hier op aarde wandelde, nam Hij allen, die tot Hem kwamen, met de grootste liefde aan; en nu, nadat Hij verhoogd is in den hemel, hebben wij de zekerheid, dat Hij "dezelfde Heer is van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen; want een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden." (Rom. 10: 12, 13.) Doch het Woord van God verklaart ons niet alleen de liefde van Jezus, het deelt ons ook mede, hoe God denkt over degenen, die Christus aangenomen hebben. "Dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid." (Rom. 4 : 5.) "Nu is het niet alleen om zijnentwil (Abraham) geschreven, dat het hem toegerekend is; maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, dengenen die gelooven in Hem, die Jezus, onzen Heer, uit de dooden opgewekt heeft; welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking." (vs. 23-25.) Dit is evenwel niet alles. Het Woord Gods leert ons, dat zelfs de minste geloovige, die zich zeer zwak en met veel vrees aan Jezus vastklemt, één is met dien Christus, aan wien hij zich vastklemt. Het geloof, waardoor hij zich aan Jezus vastklemt, is de eerste polsslag van het leven van Christus in zijne ziel. Dit toont de uitnemende grootheid van Gods kracht aan hen, die gelooven, "naar de werking der sterkte zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt." (Efez. 1 : 19, 20.) Het toont ons, dat "God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, ons heeft levend gemaakt met Christus - uit genade zijt gij zalig geworden - en ons mede opgewekt en mede gezet heeft in den hemel in Christus Jezus. (Efez. 2 : 4-6.) God spreekt tot den geloovige als "met Christus begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt, door het geloof der werking Gods, die Hem uit de dooden opgewekt heeft." (Kol. 2 : 12.) Laten wij wel opmerken, dat wij door het geloof aan de werking Gods met Christus opgestaan zijn. Het leven, dat wij bezitten, is een leven, dat wij in gemeenschap met Jezus bezitten - opgestaan met Hem. God heeft Hem uit de dooden opgewekt; en het geloof, waardoor wij ons aan Hem vastklemmen, is een geloof aan de werking Gods; en door dit geloof zijn wij met Christus opgestaan. God heeft Hem opgewekt, en heeft ons, die dit geloof in zijne werking hebben, met Hem levend gemaakt. Het leven, dat wij bezitten, bezitten wij derhalve met Christus - in gemeenschap met Hem.

Hoe onuitsprekelijk heerlijk is dus de toestand, waarin God ons gebracht heeft! Wij zijn één met Christus; wij zijn hetzelfde leven met Hem deelachtig. Hij is ons leven, gelijk geschreven staat: "Wanneer Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is." Hoe vast is derhalve onze zekerheid! Wij zijn in Christus. Gelijk de hand of de voet in het lichaam ingelijfd is, zoo is de geloovige in Christus ingelijfd; en daarom zijn wij erfgenamen zijner zegeningen. "Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." "Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing." (1 Kor. 1 : 30.) "In Hem zijn wij geworden de gerechtigheid Gods." Wij zijn begenadigd in den Geliefde." "God heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus." Kan er ooit een beschuldiging tegen Hem ingebracht worden? Onmogelijk! En daarom kan er ook geen ingebracht worden tegen den geloovige, die één met Hem is. Dit is de natuur en de volmaaktheid van de rechtvaardigmaking en van het standpunt der geloovigen voor God. Het geloof, waardoor ik als een arm zondaar Christus aanneem, is de eerste polsslag van een nieuw leven, dat inderdaad het leven van Christus is - een leven, dat ik in gemeenschap met Hem bezit. En hoe zouden nu mijne zonden, welke allen op Christus gelegd zijn, mij nog tot last kunnen zijn? Mijne herinnering moge ze voor mijne aandacht terugroepen, Satan moge mij daardoor zoeken te verschrikken, zij zijn evenwel uitgedelgd door het bloed des kruises. Indien Christus mijne zonden niet weggenomen had, dan zou Hij mij niet tot een deelgenoot zijns levens hebben kunnen maken. Ben ik een geloovige, dan is Christus mijn leven, en dan ben ik ook verzekerd, dat al mijne zonden weggenomen en mijne overtredingen vergeven zijn. Geloofd zij God voor zulk een oneindige genade en zulk een volkomene zekerheid!