De terugkeer van IsraŽl naar Palestina.

 

Wanneer wij den blik vestigen op het oude, door God uitverkoren en van de heidenen afgezonderde volk, dan wordt ons hart met droefheid vervuld bij het zien van den treurigen en vernederenden toestand, waarin het zich bevindt. Om hunne zonden en ongerechtigheden, om hunne afgoderij en hardnekkigheid, maar bovenal om hunne verwerping van den Messias door Jehova verworpen, dolen de Joden als vreemdelingen rond onder al de volken der aarde. Verwijderd van hun land en hunne heilige stad zijn zij zonder heiligdom en zonder altaar. Een spot en ergernis voor de meeste volken, dragen zij het kenmerk hunner schande en verwerping, zelfs dan, wanneer zij er in geslaagd zijn door geld zich in de hoogste kringen der maatschappij een plaats te verschaffen. Veracht, gehaat, soms als de pest geschuwd door de menschen, zijn zij verlaten door God, en dwalen zij overal heen als schapen, die geen herder hebben,

Doch dit zal niet altijd zoo blijven. Neen! de Heer zal zich over zijn volk ontfermen. "De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk". De Heer "zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden." Er zal een tijd komen, waarin IsraŽl naar het land zijner vaderen zal terugkeeren, stad en tempel zal herbouwen, onder de vernieuwde gunst van Jehova het licht van zijn vriendelijk aanschijn weer zal genieten, en veilig zal wonen onder de palmen en cederen van het beloofde land. - Hier van het bewijs te leveren is het doel van dit opstel.

Reeds uit onze beschouwingen over "de eerste komst van Christus en het koninkrijk der hemelen" en over "de tweede komst van Christus op aarde" (9e jaargang, pag. 21 en 129.) blijkt duidelijk, dat er een terugkeer van IsraŽl naar Palestina moet plaats hebben. Wanneer toch de Heer van den hemel zal komen met zijne hemelsche heiligen om de heerschappij over zijn volk te aanvaarden, wanneer zijne voeten zullen staan op den Olijfberg, en Hij opnieuw zijne intrede in Jeruzalem zal doen, om alsdan door IsraŽl als den waren Messias te worden ontvangen en aangebeden, dan moet natuurlijk dat volk vůůr dien tijd in zijn land teruggekeerd zijn en stad en tempel herbouwd hebben. Doch wij willen het niet bij deze gevolgtrekking, hoe juist die ook zijn moge, laten; maar zullen achtereenvolgens de duidelijkste en meest stellige Schriftuurplaatsen aanhalen, opdat deze waarheid ook voor den eenvoudigsten lezer ontwijfelbaar zeker moge zijn.

Jesaja 14 : 1, 2. "Want de Heer zal zich over Jakob ontfermen, en Hij zal IsraŽl nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. En de volken zullen hen aannemen, en in hunne plaats brengen; en het huis IsraŽls zal hen erfelijk bezitten in het land des Heeren tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heerschen over hunne drijvers." 't Is duidelijk genoeg, dat deze profetie nog niet vervuld is. Wel is een klein gedeelte van de Joden uit de Babylonische ballingschap teruggekeerd, doch geenszins om over hunne vijanden te heerschen, maar wel degelijk om hun onderworpen te blijven tot op het oogenblik, dat zij door de verwoesting van Jeruzalem door Titus over de gansche aarde verstrooid zijn. In de gansche geschiedenis van IsraŽl is er geen tijd te vinden, die op een vervulling van deze profetie gelijkt.

In Jes. 54, waar over IsraŽl als weduwe gesproken wordt, omdat het den Heer had verlaten, vinden wij de volgende belofte, die onwedersprekelijk het aanstaand herstel van Gods oude volk aankondigt. "Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, Ö en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken Ö Want de Heer heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nogtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God. Voor een kleinen oogenblik heb Ik u verlaten; maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij uwer ontfermen, zegt de Heer, uw Verlosser." (vs. 4-8.) Men leze verder hoofdstuk 55 en 61-65, op welke profetieŽn wij later hopen terug te komen.

Jeremia 16 : 10-18 is een zeer duidelijke profetie van IsraŽls terugkeer naar Palestina. Nadat de Heer hun de redenen van hunne verwerping en verstrooiing onder al de volken der aarde heeft medegedeeld, zegt Hij: "Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat er niet meer zal gezegd worden: Zoo waarachtig als de Heer leeft, die de kinderen IsraŽls uit Egypteland heeft uitgevoerd! maar: Zoo waarachtig als de Heer leeft, die de kinderen IsraŽls heeft opgevoerd uit het land van het noorden en uit al de landen, waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb." De aanstaande terugkeer der IsraŽlieten naar hun land zal derhalve nog wonderbaarder zijn dan hun uittocht uit Egypte. En wanneer men vraagt: hoe dit geschieden zal? dan geeft vs. 16 daarop het antwoord. (Zie ook Jer. 23:5-8.)

Een zeer merkwaardige profetie is Jeremia 30 en 31. "Want zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat Ik de gevangenis van mijn volk, IsraŽl en Juda, wenden zal, zegt de Heer; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten." (vs. 3.) En als om te voorkomen, dat men van deze woorden en van hetgeen volgt een vergeestelijkende verklaring geven zou, wordt er bijgevoegd: "En dit zijn de woorden, die de Heer gesproken heeft van IsraŽl en van Juda." En welke zijn nu die woorden? "Zoo zegt de Heer: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hunne woningen ontfermen en de stad zal herbouwd worden op haren hoop, en het paleis zal liggen naar zijne wijze." (vs. 18.) Welk een duidelijke voorzegging! Even duidelijk is het volgende hoofdstuk, hetwelk meer bijzonder betrekking heeft op de herstelling van gansch IsraŽl in het land. Niet alleen de twee, maar ook de tien stammen zullen in Kanašn terugkeeren, hoewel niet op denzelfden tijd, zooals wij later zullen zien. "Terzelver tijd, spreekt de Heer, zal ik allen geslachten IsraŽls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn." - "Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen, met een groote gemeente zullen zij herwaarts wederkeeren." Welk een onuitsprekelijke liefde en teederheid straalt ons in deze woorden tegen! Ja, waarlijk, de Heer is barmhartig en groot van goedertierenheid! Maar Hij is tevens naijverig op zijne eer. Alle volken zijn getuigen geweest van de verwerping van IsraŽl, van zijne ellende en schande; doch nu worden zij uitgenoodigd om de barmhartigheid Gods te aanschouwen in de herstelling van zijn volk. "Hoort des Heeren woord, gij volken! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, die IsraŽl verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijne kudde." Hierop volgt de heerlijke beschrijving van het geluk en den voorspoed, welke IsraŽl smaken zal onder de regeering van zijnen Messias - een beschrijving, welke ons hart met lof en dank vervult jegens Hem, die, niettegenstaande de grootste zonden en de hardnekkigste verwerping, zůů groot in vergeven kan zijn, dat ieder spoor van de vroegere ellende voorgoed is verdwenen.

In Ezech. 34, 36 en 37 vinden wij opnieuw zeer duidelijke voorzeggingen aangaande IsraŽls aanstaand herstel. In het 34ste hoofdstuk lezen wij eerst het oordeel over de ontrouwe herders van IsraŽl, (vs. 1 - 10.) daarna de belofte van herstel, (vs. 11-22.) en eindelijk de beschrijving van de heerlijkheid des duizendjarigen rijks onder hunnen Messias. "Ik zal ze uitroeien van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen in hun land, en Ik zal ze weiden op de bergen IsraŽls, bij de stroomen en in alle bewoonbare plaatsen des lands." - In het 36ste hoofdstuk lezen wij: "Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u, enz.." Er volgt dan verder de geheele bekeering en herstelling van IsraŽl en hunne zegeningen gedurende het duizendjarig rijk. - Het 37ste hoofdstuk bevat de welbekende beschrijving van de opwekking der doodsbeenderen. 't Zijn de IsraŽlieten, die als doodsbeenderen beschouwd worden; zij zijn dor, geheel verdorven, geheel dood. Als volk bestaan zij, als 't ware, niet meer. Doch zij zullen uit de graven der volken, waaronder zij verstrooid zijn te voorschijn worden geroepen en naar het beloofde land terugkeeren. (Zie Dan. 12 : 2.) De doodsbeenderen krijgen eerst vleesch en daarna een geest; dat wil zeggen - de IsraŽlieten zullen zoowel uitwendig als inwendig hersteld worden; zij zullen hunne plaats als volk weer innemen, en tegelijkertijd een nieuw hart en een nieuwen geest bekomen. Van vs. 15-28 wordt ons dan, onder het beeld van die twee houten, de vereeniging van Juda met IsraŽl voorgesteld, gelijk die plaats zal vinden bij de komst van Christus op aarde.

Wij zouden nog vele andere profetieŽn uit het Oude Testament omtrent dit onderwerp kunnen aanhalen; doch de bovenstaanden zijn meer dan voldoende, om ons het bewijs van IsraŽls terugkeer naar Palestina te leveren. Wij willen nu nog alleen om de groote belangrijkheid en duidelijkheid dier profetie stilstaan bij het elfde hoofdstuk van den brief aan de Romeinen. - Nadat de Apostel in de twee vorige hoofdstukken de gevolgen van de verwerping van den Messias door de IsraŽlieten met treffende juistheid uit hunne eigen schriften had aangetoond, stelt hij de vraag: Is de verwerping van IsraŽl algemeen en altijddurend? Is geheel IsraŽl verworpen? en zijn degenen, die verworpen zijn, voor altijd verworpen? - Met verontwaardiging antwoordt hij hierop: "Dat zij verre! God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk Hij te voren gekend heeft," welk antwoord dan verder door hem wordt ontwikkeld, verklaard en met verschillende bewijzen gestaafd. Staan wij eenige oogenblikken bij die bewijsvoering stil.

Na aangetoond te hebben, dat er zelfs nu, evenals ten tijde van Elia, een overblijfsel was naar de verkiezing der genade - aangezien Paulus zelf een IsraŽliet was - onderzoekt hij, welk het lot zal zijn van dat deel des volks, hetwelk verworpen is. "Zoo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden?" dat wil zeggen, om te vallen met een volkomen en onherstelbaren val? "Dat zij verre!" roept de Apostel opnieuw uit, "maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloerschheid te verwekken," (vs. 11.) Indien derhalve een van de bedoelingen van de roeping der heidenen is, om Gods oude volk tot jaloerschheid te verwekken - om bij de Joden het gevoel te doen ontwaken van hetgeen zij verloren hebben en de begeerte om het verlorene te herwinnen - dan is het duidelijk, dat zij niet voor altijd verworpen zijn. Ja, wat meer zegt, indien door IsraŽls val de genade tot de heidenen gekomen is, dan zal zijn herstel zeer zeker nog heerlijker gevolgen hebben. (vs. 12 -15.) En nadat Paulus verder heeft aangetoond, dat de Joden van wege hun ongeloof van den olijfboom zijn afgehouwen, en de heidenen in hunne plaats in dien olijfboom zijn ingeŽnt, richt hij de vermaning tot de heidenen, dat ook zij, wanneer zij in het ongeloof vervielen, zouden afgehouwen worden; en zegt dan ten slotte de volgende merkwaardige woorden: "Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden. Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeŽnt worden; want God is machtig, ze weder in te enten." (vs, 22, 23.) Wel verklaren deze woorden nog niet bepaald, dat IsraŽl weer hersteld zal worden; doch hetgeen er in vs. 25 volgt, bewijst ons dit ten duidelijkste: "Want ik wil niet, broeders! dat u deze verborgenheid onbekend zij, dat de verharding voor een deel over IsraŽl gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzoo zal geheel IsraŽl zalig worden, gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob." Nadat derhalve de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, dat is, wanneer allen, die uit de heidenen tot de Gemeente van Christus behooren, geroepen en in de hemelsche heerlijkheid ingegaan zullen zijn, en nadat de in den olijfboom ingeŽnte takken zullen afgehouwen zijn, zal geheel IsraŽl zalig worden. Gods oude volk, voor een tijd om zijn ongeloof verworpen, zal weder in den olijfboom worden ingeŽnt, en in al de hun beloofde zegeningen in het land zijner vaderen hersteld worden.

Uit alle door ons beschouwde profetieŽn blijkt ten duidelijkste, dat de IsraŽlieten naar hun land zullen terugkeeren, stad en tempel zullen herbouwen en onder de heerlijke regeering van den Messias al de hun beloofde zegeningen zullen deelachtig worden. Evenwel spreken deze plaatsen slechts in het algemeen over den terugkeer van IsraŽl naar Palestina; wij moeten nu in meerdere bijzonderheden treden, opdat wij ons een juist denkbeeld van de aanstaande gebeurtenissen zouden kunnen vormen.

Staan wij in de eerste plaats stil bij Dan. 9 : 24-27. "Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad." Zij worden, gelijk wij vroeger reeds opmerkten, verdeeld in drie tijdvakken - in 7 weken, 62 weken en 1 week. Van den terugkeer der Joden uit de Babylonische ballingschap tot op Messias, den Vorst, zijn 7 weken en 62 weken. In 7 weken of 49 jaren werden de straten en de grachten weder opgebouwd, doch in benauwdheid der tijden; en van toen af tot op de komst van Christus verliepen 62 weken of 434 jaar. "En na die 62 weken zal de Messias uitgeroeid worden, doch hij zal niets hebben." [1] Ook dit is vervuld. De Messias is op den bepaalden tijd verschenen, doch door zijn volk verworpen, zoodat hij als koning niets heeft ontvangen. Hij moest zijne erfenis en de heilige stad in de handen van den mensch overgeven, en ging naar den hemel terug, om eerst veel later zijn koninkrijk in bezit te nemen. En het volk van den vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstroomenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen." Ook dit is geschiedt. Ten gevolge van de verwerping van den Messias door IsraŽl heeft God de Romeinen gezonden, die onder hunnen veldheer Titus Jeruzalem en den tempel hebben verwoest, welke verwoesting tot op het tegenwoordige oogenblik voortduurt. - "En hij zal velen het verbond versterken ťťn week, en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden." Wie is die "hij." die met de meerderheid der Joden een verbond zal sluiten? Het is de vorst, wiens volk de stad en den tempel verwoest heeft. Wanneer het Romeinsche rijk hersteld zal zijn en de Joden in hun land zullen teruggekeerd zijn, dan zal er een koning in hun midden opstaan, die met de meerderheid der Joden een verbond zal sluiten. De woorden van Jezus zullen dan in vervulling treden: "Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijnen eigen naam, dien zult gij aannemen." (Joh. 5 : 43.) Na hunnen waren Messias verworpen te hebben, zullen de Joden in de laatste dagen den valschen Messias aanhangen. Deze zal eerst een verbond met hen sluiten en door vleierijen hen aan zich onderwerpen, (zie Dan 11 : 32.) doch daarna zal hij zich in de helft der week, dus nadat 3Ĺ jaar verloopen zijn, in zijne ware gedaante vertoonen; hij zal het slachtoffer en spijsoffer doen ophouden en derhalve aan de Joodsche offerdienst een einde maken, om zichzelven in den tempel Gods als een God te plaatsen. (2 Thess. 2.) Ė "En uithoofde van den gruwelijken vleugel zal een verwoesting zijn, ook tot de voleinding toe, die, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste (Jeruzalem). Uithoofde van den gruwel der verwoesting, namelijk van den vorst, den Antichrist, die in den tempel Gods als een God zal zitten, en die door de Joden zal aangebeden worden, zal er een groote verwoesting komen over Jeruzalem, die eindigen zal met de vernietiging van den Antichrist zelven door de komst des Heeren met de hemelsche heirscharen. - Uit deze profetie volgt derhalve, dat de Joden naar hun land moeten terugkeeren, vůůrdat de zeventigste week van DaniŽl begint, dat zij gedurende die week aan den Antichrist zullen onderworpen zijn, waardoor vele oordeelen over hen zullen uitgestort worden.

Onderzoeken wij nu het 24e hoofdstuk van MattheŁs, Gelijk wij reeds in den vorigen jaargang, pag. 175, hebben aangetoond, spreekt de Heer hier over de oordeelen en verdrukkingen, die de komst van den Zoon des menschen onmiddelijk zullen voorafgaan. In vs. 29 en 30 toch lezen wij: "En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden Ö en alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen; en dan zullen al de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid." Hierdoor wordt de meening van hen, die deze profetie op de verwoesting van Jeruzalem door Titus willen doen zien, voldoende wederlegd. Ook hebben wij reeds vroeger bewezen, dat het tooneel dezer oordeelen en verdrukkingen het Joodsche land zal zijn, en dat de geloovigen, waarover hier gesproken wordt, geloovigen uit de Joden zijn. Deze twee punten in het oog houdende, zal ons de verklaring dezer profetie niet moeielijk vallen. De Heer beschouwt zijne discipelen hier als de vertegenwoordigers van de geloovige Joden, die in den laatsten tijd, nŠ de opname der Gemeente, op aarde zullen zijn. Men kan dit hoofdstuk in drie deelen verdeelen. Eerst wordt de toestand der geloovigen en der wereld beschreven gedurende den tijd, dat het evangelie des koninkrijks gepredikt zal worden. (vs. 4-14.) Daarna volgt de beschrijving van het tijdperk, waarin de gruwel der verwoesting aan de heilige plaats zal staan. (vs. 15 -28.) En eindelijk wordt de komst des Heeren en de verzameling van de uitverkorenen uit IsraŽl voorzegd. (vs. 29-31.)

1. Er zullen valsche Christussen in IsraŽl opstaan; oorlogen, hongersnooden, pestilentiŽn en aardbevingen zullen er in verscheidene plaatsen zijn. Evenwel moeten de geloovigen zich niet verontrusten, want dan is het einde nog niet; deze oorlogen zijn slechts een beginsel der smarten. (vs. 5-8.) Doch behalve deze uiterlijke teekenen kondigt de Heer nog andere aan, welke de geloovigen meer inwendig op de proef zullen stellen. Men zal hen overleveren in verdrukking en hen dooden; van alle volken zullen zij gehaat worden, zoodat velen zullen geŽrgerd worden. De een zal den ander overleveren; valsche profeten zullen opstaan en velen verleiden; en van wege het toenemen der ongerechtigheid zal de liefde van velen verkouden. (vs. 9-12.) 't Zal, voorzeker, een treurige tijd zijn - een tijd, waarin echter voor het oefenen des geloofs ruimschoots gelegenheid bestaat. "Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden." (vs. 13.) Waarschijnlijk zullen al deze dingen vůůr of in de eerste 3Ĺ jaar van DaniŽls laatste week voorvallen, in welken tijd ook de oordeelen, in Openb. 6-10 beschreven, over de aarde zullen uitgestort worden.

Gedurende dezen tijd zal het evangelie des koninkrijks worden gepredikt. "En dit evangelie des koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen." (vs. 14.) Gewoonlijk worden deze woorden op den tegenwoordigen tijd toegepast, en dan als een bezwaar ingebracht tegen de mogelijkheid van de spoedige komst des Heeren om de Gemeente op te nemen. Leest men ze evenwel in hun verband, dan zal men spoedig overtuigd worden, dat zij volstrekt niet op de tegenwoordige bedeeling van toepassing zijn, maar wel op den tijd, waarin de gebeurtenissen plaats hebben, die ons hier worden beschreven. Er wordt daarom ook niet van het evangelie der genade, maar van het evangelie des koninkrijks gesproken. En dit is een belangrijk onderscheid. Het evangelie, dat nu verkondigd wordt, is het evangelie der genade en der vergeving der zonden door Jezus Christus, en heeft ten doel de vorming der Gemeente van Christus; het evangelie, dat dan gepredikt zal worden, is het evangelie des koninkrijks, en heeft ten doel de menschen voor te bereiden voor de tweede komst van den Messias. Het evangelie, dat Johannes de Dooper vůůr de eerste komst van Christus predikte: "het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen", datzelfde evangelie zal ook in de laatste dagen worden verkondigd.

2. Na de beschrijving van de eerste verdrukkingen, die er in de laatste dagen over de Joden komen zullen, gaat de Heer voort met de beschrijving van het tijdperk, waarin de gruwel der verwoesting in de heilige plaats, zal staan. "Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, staande in de heilige plaats, waarvan gesproken is door DaniŽl, den profeet; - die het leest, die merke daarop! - dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen." (vs. 15 , 16.) De Heer verwijst ons hier, tot recht verstand van hetgeen Hij zegt, op de profetie van DaniŽl, waaruit wij reeds hebben aangetoond, dat de Antichrist na 3Ĺ jaar over de Joden geregeerd te hebben, het slacht- en spijsoffer zal wegnemen, de tijden en de wet zal veranderen en zichzelven als een God in den tempel Gods zal plaatsen. Het is dus over deze laatste 3Ĺ jaar, dat de Heer hier spreekt. Er zal dan een tijd van groote verdrukking zijn, gelijk niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zijn zal. (vs. 21; zie ook Dan. 12 : 1.) In dien tijd zal de Antichrist de geloovigen, die weigeren zullen hem te aanbidden, vervolgen en dooden. (Zie Openb. 12 : 13-17 ; 13 : 7.) En die vervolgingen zullen zůů verschrikkelijk zijn, dat geen vleesch behouden zou worden Ė dat is, in het leven zou blijven - indien die dagen niet verkort werden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. (vs. 22.) Deze uitverkorenen zijn de geloovige Joden, die in die dagen in hun land zullen zijn. Wanneer zij den Antichrist als een God in den tempel Gods zullen zien zitten, dan moeten zij vluchten op de bergen, want alsdan is de groote verdrukking nabij. Er is dan geen tijd meer te verliezen; en daarom die op het dak is, kome niet af, en die op den akker is, keere niet weder naar huis, maar vluchte terstond op de bergen. En daar men des winters, in den regentijd, in het Oosten moeielijk kan reizen, en de Joden op den sabbat niet ver mogen reizen, voegt de Heer er bij: "Bidt, dat uwe vlucht niet geschiedde des winters noch op een sabbat."

3. Wanneer echter de macht van den Antichrist haar toppunt zal bereikt hebben en zijne onderdrukking van de geloovigen op het hoogste zal gekomen zijn, dan komt de Heere Jezus van den hemel met groote kracht en heerlijkheid om zijne vijanden te verdelgen en zijne uitverkorenen te verlossen. Plotseling, gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen, gelijk een adelaar valt op zijn buit, zal de Heer komen. (vs. 27, 28.) Dan zullen de koningen der aarde van hunne troonen gestooten worden en hunne koninkrijken zullen vergaan. Dit is de verklaring van de woorden in vs. 29: "En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden." Zon, maan en sterren worden toch in de Schrift meermalen als zinnebeelden gebruikt van groote en kleine machten op aarde. Zoo stellen in Jozef's droom de zon, de maan en de sterren zijnen vader, zijne moeder en zijne broeders voor. Zoo vinden wij dezelfde zinnebeelden gebruikt in profetieŽn als Jes. 13 en 34; Ezech. 32 : 7, 8 - profetieŽn, die reeds lang in vervulling zijn getreden, en bij welker vervulling, niet in letterlijken maar in figuurlijken zin, de zon en de maan zijn verduisterd geworden en de sterren van den hemel zijn gevallen, doordien de koningen, tegen wie die profetieŽn gericht waren, met hunne machtigen en grooten zijn verdwenen. Bovendien is Openb. 6 : 12-17 een duidelijk bewijs, dat wij deze dingen niet letterlijk, maar zinnebeeldig moeten opvatten. 't Zou toch onmogelijk zijn, dat de menschen in de spelonken en steenrotsen gingen vluchten, en tot de bergen en de steenrotsen zouden zeggen: "Valt op ons en verbergt ons!" indien de sterren werkelijk als onrijpe vijgen op de aarde gevallen waren, aangezien er na zulk een gebeurtenis van de geheele aarde wel niets zou overgebleven zijn. Wij moeten derhalve hier denken aan de vernietiging van al de koninkrijken der aarde; en dit is in treffende overeenstemming met Nebukadnezar's droom. De steen, zonder handen afgehouwen, zal het beeld vermalen; met andere woorden, bij de komst van Christus zullen al de koninkrijken der aarde vernietigd worden, en onder de heerschappij komen van den Koning, der koningen.

De komst van den Heer zal voor de ongeloovige Joden even verschrikkelijk zijn als die voor de geloovige heerlijk zal wezen. Terwijl de geloovigen zich zullen verblijden over die komst, omdat zij dan van hunne onderdrukkers verlost en door den Heer in genade aangenomen zullen worden, zullen de ongeloovigen bij die komst weenen. (vs. 30; zie ook Openb. 1 : 7.) [2] En geen wonder! waar de geloovige Joden door den Heer zullen gespaard worden, om onder zijne heerlijke regeering al de hun beloofde voorrechten en zegeningen te genieten, zullen de anderen bij zijne komst worden gedood, om voor eeuwig in den poel des vuurs geworpen te worden. Dit is de bedoeling van vs. 40 en 41. Deze verzen moeten aldus vertaald worden: "Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal weggenomen, en de ander zal gelaten worden. Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de een zal weggenomen, en de ander zal gelaten worden." Zij willen zeggen, dat bij de komst des Heeren op aarde de een, die ongeloovig is, door het oordeel zal weggenomen worden, terwijl een ander, die geloovig is, op aarde zal gelaten worden om het koninkrijk van Christus te beŽrven.

Doch er is nog een bijzonderheid in dit hoofdstuk, waarbij wij moeten stilstaan. Nadat de Heer in vs. 30 van zijne komst op aarde gesproken heeft, zegt Hij in vs. 31: "En hij zal zijne engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve." Welke uitverkorenen worden hier bedoeld? Uit ons onderzoek van dit hoofdstuk is toch gebleken, dat de Joden lang vůůr de komst van Christus op aarde naar hun land teruggekeerd zullen zijn en de stad en den tempel zullen herbouwd hebben; en nu wordt hier gesproken over een bijeenvergaderen van zijne uitverkorenen uit de vier winden nŠ de komst des Heeren. De vraag, welke uitverkorenen dit zijn, is dus zeer belangrijk, en de beantwoording tot recht verstand der aanstaande gebeurtenissen noodzakelijk. Een vergelijking van Zach. 13 met Ezech. 20 zal ons het antwoord op die vraag geven. In Zach. 13 : 8, 9 lezen wij: "En het zal geschieden in het gansche land, spreekt de Heer, de twee deelen daarin zullen uitgeroeid worden en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven. En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal mijnen naam aanroepen; en Ik zal het verhooren; Ik zal zeggen: Het is mijn volk; en het zal zeggen: De Heer is mijn God." Uit het eerste vers van dat hoofdstuk blijkt, dat de profetie is voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, dat is dus voor de twee stammen. Van deze zullen in het land twee derde gedeelten uitgeroeid worden, terwijl ťťn derde gedeelte, na door het vuur des oordeels gelouterd te zijn, behouden zal worden. In Ezech. 20 : 38 lezen wij echter, dat de wederspannigen van het huis IsraŽls in het land hunner vreemdelingschappen zullen gedood worden, en in het land van IsraŽl niet zullen wederkomen, terwijl alleen het overblijfsel in het land zal gebracht worden. De twee stammen worden dus in het land, de tien stammen buiten het land geoordeeld. Het overblijfsel der twee stammen wordt in het land gelouterd, dat der tien stammen wordt buiten het land gelouterd, en eerst daarna in het land gebracht. Het is dit overblijfsel, waarover de Heer in vs. 31 spreekt. Terwijl Hij de uitverkorenen uit Juda door zijne komst uit hunne ellende verlost, zal Hij de uitverkorenen uit IsraŽl na zijne komst door zijne engelen uit de vier winden doen bijeenvergaderen, om ze te brengen in het beloofde land, en ze daar deel te geven aan zijne, heerlijke regeering (Zie ook Jes. 11.) Verder volgt hieruit, dat de twee stammen ongeloovig naar Palestina zullen terugkeeren, terwijl van de tien stammen alleen de uitverkorenen in hun land zullen gebracht worden.

Staan wij nu stil bij Openb. 11 en 12. Reeds in het eerste en tweede vers van hoofdst. 11. zien wij, dat deze profetie betrekking heeft op het Joodsche land, en wel in de laatste helft van DaniŽls zeventigste jaarweek. De stad en den tempel zien wij hier reeds herbouwd en de offerdienst hersteld. Het voorhof is den heidenen gegeven, die de stad 42 maanden, d. i. 3Ĺ jaar, zullen vertreden. Dit geschiedt, wanneer de Antichrist als God in den tempel zal zitten. De Antichrist toch is, hoewel koning over de Joden, een van de tien koningen van het Romeinsche rijk, en staat daarom met de heidenen of volken in betrekking. Gedurende dien tijd zullen er twee getuigen profeteeren, die met zakken bekleed zijn, ten teeken hunner droefheid en rouw over den afval des volks. Zij zullen optreden in het karakter van Mozes en Elia. Evenals Elia zullen zij door vuur hunne vijanden verslinden, en macht hebben den hemel te sluiten, opdat het niet regene in de dagen hunner profeteering; en evenals Mozes zullen zij het water in bloed veranderen, en de aarde slaan niet allerlei plagen. (vs. 5, 6.) Voorwaar, wel een nieuw bewijs, dat hier niet over de Gemeente gesproken wordt, ja, dat de Gemeente in een tijd, waar zulk een getuigenis wordt afgelegd, onmogelijk op aarde kan zijn. De Heer zeide tot Jakobus en Johannes, toen zij vuur van den hemel wilden doen komen om de Samaritanen te verdelgen: "Gij weet niet. van hoedanigen geest gij zijt." (Luk. 9 : 54, 55.) Wanneer nu deze profeten hunne getuigenis zullen geŽindigd hebben, dan zal het beest, namelijk, het Romeinsche rijk (zie Openb. 13 : 7.), hun krijg aandoen en hen dooden, en hunne lichamen zullen 3Ĺ dag liggen op de straat der groote stad, "die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruist is," dat is derhalve Jeruzalem. (vs. 8.) Hierover zullen allen, die op de aarde wonen, zich verblijden; doch hunne blijdschap zal van korten duur zijn, want na die 3Ĺ dag zal God hun een geest des levens geven, en zij zullen ten aanschouwe hunner vijanden opgenomen worden in den hemel. (vs. 10-12.) "En in diezelve ure geschiedde een groote aardbeving, en het tiende deel der stad (Jeruzalem) is geval]en, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van menschen; en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven." (vs. 13.)

In het twaalfde hoofdstuk wordt ons in een profetisch gezicht de geheele geschiedenis van IsraŽl in betrekking tot den Messias voorgesteld. Dat de vrouw, waarover daar gesproken wordt, de Gemeente niet kan zijn, gelijk door vele uitleggers wordt beweerd, blijkt ten duidelijkste uit de omstandigheid, dat zij volgens vs. 5 de moeder is van den Messias. De mannelijke zoon toch die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede, is onwedersprekelijk Christus. (Zie Ps. 2 : 9.) Christus nu is niet uit de Gemeente, maar uit IsraŽl geboren. In plaats van de moeder van Christus te zijn, is de Gemeente uit Christus voortgekomen. Zij is de vrucht van Jezus' dood en opstanding. De vrouw moet derhalve IsraŽl zijn - een andere verklaring is onmogelijk. Zij is bekleed met de zon, dat wil zeggen, gelijk wij reeds vroeger opmerkten, met de opperste macht. Zij heeft de maan, de mindere macht, onder hare voeten, en twaalf sterren zijn op haar hoofd naar de twaalf stammen IsraŽls. In Gods oog is IsraŽl het voornaamste volk der aarde, omdat de Messias, wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde, er uit zou voortkomen. De vrouw nu was zwanger, en riep, barensnood hebbende en zijnde in pijn om te baren. Doch er was een andere macht, die de vrouw vijandig is. "En er werd een ander teeken gezien in den hemel; en ziet, er was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden," Een vergelijking van deze woorden met het eerste vers van hoofdst. 13 zal ons doen zien, dat hier het Romeinsche rijk wordt bedoeld. "En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde," d.i. het Romeinsche rijk overwon het derde deel van de koningen der aarde en vernietigde hunne heerschappij. - "En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben." De duivel gebruikte de Romeinen om den Messias ter dood te brengen; doch hij bereikte zijn doel niet; want de vrouw "baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon."

Tot dusverre is alles vervuld. De Messias is uit IsraŽl voortgekomen, door de Romeinen ter dood gebracht en door God opgenomen in den hemel. Hetgeen nu volgt moet nog gebeuren, en de reden, waarom hetgeen reeds gebeurd is en hetgeen nog gebeuren moet, zoo nauw aan elkander verbonden is, terwijl er toch reeds meer dan 1800 jaren daartusschen verloopen zijn, ligt in het belangrijke feit, dat God bij de verwerping van Jezus door de Joden opgehouden heeft IsraŽl als volk te behandelen, en Hij eerst later, wanneer de tijden der heidenen zullen vervuld zijn en de opname der Gemeente zal plaats gehad hebben, den afgebroken draad van IsraŽls geschiedenis weer zal opvatten.

De gebeurtenissen, die ons in het verdere gedeelte van dit hoofdstuk worden medegedeeld, hebben plaats in de tweede helft van DaniŽls zeventigste week. De duivel, die nu nog in den hemel, d.i. in de hemelsche gewesten, woont, (zie Efez. 6.) zal met zijne engelen uit den hemel op de aarde geworpen worden. (vs. 7-12.) En zoodra dit geschied zal zijn, zal hij de vrouw vervolgen, die het kind gebaard had. Wanneer wij deze profetie in verband brengen met degenen, die wij reeds onderzocht hebben, zoo komen wij tot een juist begrip van de gebeurtenissen, die dan zullen plaats hebben. De Antichrist zal in de tweede helft van de zeventigste week het slacht- en spijsoffer wegnemen en zichzelven als een God in den tempel Gods plaatsen. De massa der Joden zal hem aanbidden, doch een klein overblijfsel zal zich van hem afkeeren. Dit kleine overblijfsel, het waarachtige IsraŽl, zal door den duivel, in den persoon van den Antichrist, worden vervolgd, en het is over die vervolging, dat hier spraak is. De Heer zal evenwel de zijnen bewaren. "Der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halven tijd (d.i. 3Ĺ jaar) buiten het gezicht der slang." (vs. 14.) En wanneer de slang hare vlucht zal willen verhinderen door water als een rivier uit haren mond te spuwen, dan zal de Heer de vrouw te hulp komen en de aarde openen om de rivier te verzwelgen. (vs. 15-17.) Doch hierdoor nog niet teruggeschrikt, gaat de slang heen om krijg te voeren tegen de overigen van het zaad der vrouw, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. (vs. 18.)

Ontzettend zal derhalve de toestand van het getrouwe overblijfsel van IsraŽl zijn. In het land hunner vaderen teruggebracht en tot den Heere bekeerd, zien zij de massa des volks zich geheel afkeeren van Jehova om een mensch als God te aanbidden. De tijden en de wet worden veranderd, het dagelijksch offer houdt op, en in den tempel te Jeruzalem staat het beeld van der keizer des Romeinschen rijks. (Openb. 13 :14, 15.) Welk een droefheid voor het hart, dat den Heere vreest! Doch het zal bij deze droefheid en smart alleen niet blijven. Daar zij volstandig zullen weigeren zich aan deze afgoderij medeplichtig te maken, zullen zij op de vreeselijkste wijze worden vervolgd. Velen hunner worden gedood, (Openb 6 : 9-11; Matth. 24 : 9.) anderen gemarteld, (Matth. 24 : 9; Openb. 13 : 7; Dan. 7 : 21.) terwijl een gedeelte vlucht in de woestijn, om daar door den Heer bewaard te worden. (Openb 12; Matth. 24.) Het is in deze benauwdheid, dat zij tot den Heer, den God hunner vaderen, zullen roepen, om wraak over hunne vijanden en om redding uit hunne verdrukkingen. Het boek der Psalmen, waarin ons het lijden van Jezus en het lijden van IsraŽls overblijfsel in de laatste dagen wordt geprofeteerd, levert ons daarvan treffende voorbeelden. "O God! verbreek hunne tanden in hunnen mond; Ö laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijne pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. Laat hem henen gaan, als een smeltende slak; laat hen, als eener vrouwe misdracht de zon niet aanschouwen. Eer dat uwe potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heeten toorn wegstormen. De rechtvaardige zal zich verblijden, als bij de wraak aanschouwt; hij zal zijne voeten wasschen in het bloed des goddeloozen." (Ps. 58.) - "O, God! dat Gij den goddeloozen ombracht! en gij mannen des bloeds, wijkt van mij! Die van U schandelijk spreken, uwe vijanden ijdelijk verheffen. Zou ik niet haten, Heer! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij." (Ps. 139 : 19-22.) - "Om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood; wij worden geacbt als slachtschapen. Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. Waarom zoudt Gij uw aangezicht verbergen? onze ellende en onze onderdrukking vergeten? Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. Sta op, ons ter hulpe, en verlos ons om uwer goedertierenheid wil." (Ps. 44 : 23- 27.) "O Heere! maak mij levend, om uws naams wil, voer mijne ziel uit de benauwdheid, om uwe gerechtigheid. En roei mijne vijanden uit, om uwe goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijne ziel beangstigen, want ik ben uw knecht." (Ps. 143 : 11, 12.) Zie verder Ps. 55 : 16; 69 : 23-29; 149 : 6-9; enz.

Doch hoe verschrikkelijk dit lijden van de geloovigen uit IsraŽl ook zijn zal, er is een ander lijden, dat veel zwaarder op hen zal drukken - een lijden niet door de menschen hun aangedaan, maar door God over hen gezonden. Hoewel zij zich van de afgodendienst des Antichrists zullen onthouden, en getrouw zullen blijven aan den God hunner vaderen, zullen zij toch gevoelen, dat al deze verdrukkingen een rechtvaardige vergelding zijn voor de zonden door hen begaan. Gods hand zal zwaar op hen rusten; Gods toorn zal in volle stroomen over hun hoofd worden uitgestort; des Heeren gramschap zal hen treffen van wege hunne zonden en ongerechtigheden. Hun geweten zal zijn ontwaakt, en als met vlammend schrift zullen hunne misdaden voor hunne oogen geschreven staan. Zij zullen hunne blikken niet durven opslaan naar omhoog, daar zij ieder oogenblik hunne geheele vernietiging vreezen, en toch zal het bewustzijn in hun hart leven, dat Jehova hun God is. Bijna wanhopende aan hunne verlossing, zullen zij zich toch vastklemmen aan de goedertierenheid en ontferming des Heeren. "Daarom is het recht verre van ons - zullen zij uitroepen - en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet er is duisternis, op een grooten glans, maar wij wandelen in donkerheden. Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden. Wij brommen allen gelijk als de beeren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is verre van ons. Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden die kennen wij: het overtreden en het liegen tegen den Heer, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valsche woorden uit het hart." (Jes. 59: 9-13.) "Hoe lang, Heere! zult Gij eeuwiglijk toornen? zal uw ijver als vuur branden? Ö Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat uwe barmhartigheden ons voorkomen: want wij zijn zeer dun geworden. Help ons, o God onzes heils! Ter oorzake van de eer uws naams; en red ons, en doe verzoening, over onze zonden, om uws naams wil." (Ps. 79.) Ja, vreeselijk zal de toestand van die geloovige Joden zijn! Wij kunnen er geen beschrijving van geven; wij kunnen geen woorden vinden om dien naar waarheid voor te stellen. Slechts dan, wanneer wij ons voor den geest terugroepen, de ellende en benauwdheid, waarin wij waren, toen Gods Geest ons aan onszelven ontdekte, kunnen wij ons eenigermate voorstellen, welk een gevoel hun hart zal vervullen. Doch wanneer hunne ellende ten toppunt gestegen zal zijn, wanneer zij, gebogen onder den last hunner schuld, onder het ontzettende bewustzijn den Zoon van God te hebben gedood, met de vreeselijkste wroeging des gewetens, zonder hoop, bijna zullen vertwijfelen aan de genade huns Gods, dan zullen op eenmaal de heerlijke woorden van Jes. 43 in hunne ooren weerklinken: "Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg, om mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet." Welk een heerlijk oogenblik zal dat zijn! Welk een glans van vreugde zal zich op hun gelaat verspreiden! En wanneer dan de beloofde Messias, de vroeger door hen gekruisigde Christus, op de wolken met groote kracht en heerlijkheid zal verschijnen, om hunne vijanden te verdelgen, het beloofde land van al de gruwelen te reinigen en hen voor altijd zijne zalige tegenwoordigheid te doen genieten, dan zullen de bergen en dalen van Kanašn weerklinken van het vrolijk gezang der verlosten; dan zal uit het zoolang geprangde hart de heerlijke woorden van den Psalmist tot den troon van Jehova opstijgen: "Looft den Heer, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam. Loof den Heer, mijne ziel! en vergeet geen van zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest; die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; die uwen mond verzadigd met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends .... Barmhartig en genadig is de Heer, langmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezen. Zoo ver het oosten is van het westen, zoover doet Hij onze overtredingen van ons."

Er blijven ons nu nog twee vragen ter beantwoording over. Wanneer, en op welke wijze zullen de Joden naar hun land terugkeeren? Ons antwoord op de eerste vraag kan kort zijn. Wij hebben vroeger bewezen, dat de Heer den afgebroken draad van IsraŽls geschiedenis niet kan voortzetten, zoolang de Gemeente van Christus nog op aarde is; en hieruit volgt dus, dat de Joden eerst na de opname der Gemeente naar hun land kunnen terugkeeren. Het is wel mogelijk, dat er gedurende het verblijf der Gemeente op aarde sommige Joden naar Palestina terugkeeren, maar een terugkeer van IsraŽl, als volk, gelijk zulks in de profetieŽn voorzegd wordt, kan eerst plaats vinden, nadat de Gemeente in den hemel is opgenomen.

Over de wijze, waarop de Joden naar hun land zullen terugkeeren, wordt ons in de Schrift niet zeer veel gezegd. Meestal houden de profetieŽn zich bezig met de gebeurtenissen, die in de laatste dagen in Palestina zullen plaats vinden, zonder ons mede te deelen, op welke wijze de Joden in hun land teruggekomen zijn. Er is echter ťťn profetie, die ons hierover een weinig licht verspreid. Wij bedoelen het achttiende hoofdstuk van Jesaja. Een zeemogendheid, als zoodanig aangeduid door de woorden, "die gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren," wordt opgeroepen om boden te zenden tot een volk, dat getrokken en geplukt is, en dat volk onder zijne bescherming te nemen. "Hoor, o land! schaduwachtig aan de frontieren, dat aan de zijde der rivieren van moorenland is; dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat henen, gij snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreeselijk is van dat het was en voortaan; een volk dat onder een richtsnoer [3] geplaatst en vertreden is, welks land de rivieren berooven." [4] Dat dit getrokken en geplukte volk niet anders dan IsraŽl zijn kan, blijkt uit het zevende vers. Geen ander volk toch kan den Heere der heirscharen als een geschenk worden gebracht tot den berg Sion. Deze profetie voorzegt ons dus, dat het volk IsraŽl door een ander, en wel door een groot en machtig volk, dat tevens heerschappij heeft over de zee, in bescherming genomen en naar Palestina teruggebracht zal worden. En dat dit niet ongemerkt, maar met een groote beweging geschieden zal, blijkt uit vs. 3. "Alle gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het hooren." De geheele wereld zal dus getuige van deze belangrijke gebeurtenis zijn. Evenwel zal het doel worden gemist, hetwelk die machtige natie heeft met de wederbrenging van de Joden in hun land. Want hoewel de Heer in het begin stil zal zijn, en niet tusschen beiden zal treden, zoo zal IsraŽl dan nog niet zeker wonen; integendeel er zullen vele oordeelen over hetzelve worden uitgestort, zoodat de woorden vervuld zullen worden: "Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop verwinteren." (vs. 6.) Met andere woorden: in hun land teruggekeerd, zullen de Joden opnieuw onder de macht der andere volken komen, die hen op de vreeselijkste wijze zullen onderdrukken. Deze onderdrukking zal echter van korten duur zijn, en zal, gelijk wij dit reeds uit andere profetieŽn gezien hebben, eindigen met hunne volkomen verlossing. Met de belofte dier verlossing wordt dan ook dit hoofdstuk besloten: "Te dier tijd zal den Heere der heirscharen een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en door het volk, dat vreeselijk is van dat het was en voortaan Ö tot de plaats van den naam des Heeren der heirscharen, tot den berg Sion." - Uit deze profetie blijkt derhalve, dat de een of andere zeemogendheid de Joden naar hun land zal doen terugkeeren. Welke die mogendheid zijn zal, is moeielijk te bepalen; doch zeker is het, dat die terugkeer om staatkundige redenen en geenszins om de vreeze des Heeren zal bewerkstelligd worden. Aangezien Palestina de weg is van Europa naar IndiŽ, is het zeer waarschijnlijk, dat de Joden in hun land zullen teruggebracht worden, om te voorkomen, dat een der Europesche natiŽn dat land in bezit neemt, en daardoor het geheele Oosten onder hare macht brengt.

Trekken wij nu de slotsom van ons onderzoek in korte woorden te zamen. Na de opname der Gemeente zullen de twee stammen van IsraŽl door de een of andere mogendheid, om staatkundige redenen, in hun land teruggebracht worden, waar zij Jeruzalem en den tempel zullen herbouwen. Deze terugkeer zal geschieden, terwijl zij nog ongeloovig zijn; evenwel zal een klein gedeelte, in het land teruggekeerd, zich tot den Heer bekeeren. Nadat nu de stad en den tempel herbouwd zal zijn, begint de zeventigste week van DaniŽl. Die week is in twee helften, ieder van 3Ĺ jaar, verdeeld. In de eerste helft van die week zal ťťn der Joden zich als koning opwerpen, door vleierijen de Joden aan zich zoeken te verbinden en een verbond met hen sluiten. Dit zal de Antichrist zijn, de mensch der zonde, de zoon des verderfs. Verder zullen in die eerste helft de oordeelen van Openb. 6-9 en van Matth. 24 : 4-14 over IsraŽl en de wereld worden uitgestort, en zal door een deel van de geloovige Joden het evangelie des koninkrijks over de geheele wereld gepredikt worden. In de tweede helft dier week zal de Antichrist zich in zijne ware gedaante vertoonen; hij zal de tijden en de wet veranderen, het slacht- en spijsoffer doen ophouden en zichzelven als een God in den tempel Gods plaatsen. Twee derde gedeelten der Joden zal hem aanhangen en dienen, doch ťťn derde gedeelte zal weigeren hem te aanbidden. Deze laatsten zullen daarom vreeselijk door hem worden vervolgd. Sommigen zal hij dooden, anderen zullen gemarteld worden, terwijl een gedeelte zal vluchten in de woestijn, om daar door den Heer bewaard te worden. In die laatste 3Ĺ jaar zal de Satan op de aarde geworpen worden en zijne macht op de verschrikkelijkste wijze openbaren. Tegelijkertijd zullen twee getuigen in Jeruzalem profeteeren. Deze zullen, na hunne getuigenis volbracht te hebben, door de macht van het Romeinsche rijk worden gedood, doch na 3Ĺ dag uit de dooden opgewekt en door God in den hemel opgenomen worden. 't Is dan de tijd der groote verdrukking, de dag, van Gods wraak over IsraŽl en de wereld. Oordelen, zooals er niet geweest zijn van het begin der wereld tot nu toe en ook niet meer zijn zullen, zullen dan over het Joodsche land en de geheele aarde worden uitgestort. Ontzettend zal de benauwdheid zijn, waarin het getrouwe overblijfsel uit IsraŽl zich zal bevinden. Doch wanneer de nood op het hoogste geklommen zal zijn, en zij zich in het stof voor Jehova zullen vernederd hebben, dan komt de Zoon des menschen met groote kracht en heerlijkheid op de wolken des hemels, vergezeld door zijne hemelsche heiligen, om zijne vijanden te verdelgen, den Antichrist te verdoen en het Romeinsche rijk te vernietigen. Dan zal Hij de geloovige Joden uit hunne verdrukking verlossen en de uitverkorenen uit IsraŽl door zijne engelen uit de vier winden der aarde doen bijeenvergaderen. Geheel IsraŽl zal dan zalig worden; zij zullen allen den Heer kennen, van den kleinen tot den grooten, en onder de heerlijke regeering van den Messias al de hun beloofde voorrechten en zegeningen deelachtig worden.


[1] Deze vertaling is beter dan, "maar het zal niet voor hem zelven zijn."

[2] Men leze in vs. 30, in plaats van "al de geslachten der aarde" "al de geslachten des lands," namelijk, van het Joodsche land. Zoo ook in Openb. 1 : 7.

[3] Zie tot verklaring dezer vreemde uitdrukking 2 Kon. 21 : 13 en Jes. 31:11, 17.

[4] Voor de duidelijkheid hebben wij hier een betere vertaling gevolgd.