De blindgeboren bedelaar.

(Joh. 9.)

"Een blindgeboren bedelaar!" Welk een beeld van hulpeloosheid en ellende! Welk een treffend voorbeeld van den toestand der joodsche natie en van ieder onbekeerd mensch! Hoe aantrekkelijk en eenvoudig schoon wordt zijne geschiedenis ons medegedeeld! Is alsof wij er bij tegenwoordig zijn, en zijne juiste en eenvoudige antwoorden hooren. Laten wij er eenige oogenblikken bij vertoeven, en wij zullen zien, hoe deze geschiedenis ons leert: Wat Jezus voor ons deed, en wat Jezus voor ons is.

"En voorbijgaande, zag Hij een mensch, blind van de geboorte af. En zijne discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi! wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zou geboren worden? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. Ik moet werken de werken desgenen, die mij gezonden heeft, zoolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Zoolang ik in de wereld ben, zoo ben ik het licht der wereld." Heerlijke woorden! De Zoon Gods was in de wereld gekomen om de werken Gods te werken. En wat waren dat voor werken? De behoudenis van verloren, schuldige, verdoemelijke zondaars. Welk een genade! En nauwelijks waren deze woorden door den Heer uitgesproken, of Hij sloeg reeds de handen aan het werk. "Dit gezegd hebbende, spoog hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden, en zeide tot hem: Ga heen, wasch u in het badwater Silůam (hetwelk overgezet wordt, uitgezonden). Hij dan ging heen en wiesch zich, en kwam ziende."

Waarde lezer! vestig uwe bijzondere aandacht op deze treffende gebeurtenis. De wonderbare handelwijze van den Heer heeft een diepere beteekenis dan wij op het eerste oogenblik zouden denken. Slijk op de oogen van een ziende te strijken, zou het beste middel zijn om hem blind te maken; en hier opent de Heer door datzelfde middel de blinde oogen eens bedelaars. Maar wat ligt hierin dan opgesloten? De diepe en heerlijke verborgenheid van den persoon en het werk van Christus, gelijk Hij aan het slot van dit hoofdstuk zegt: "Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden." (vs. 39.)

Welk een ernstig woord! "Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen." Hoe moeten wij dat verstaan? Kwam Hij dan niet om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was? O ja! dat verzekert Hij ons verscheidene malen. Maar waarom zegt Hij dan hier "tot een oordeel"? De zin dezer woorden is de volgende. Het doel zijner zending was de verlossing; de zedelijke uitwerking zijns levens was het oordeel. Hij oordeelt niemand, en toch oordeelt Hij allen. Het leven van Christus was de sterkste proef, die ooit met den mensch genomen was en kan genomen worden. Daarom kon Hij zeggen: "Indien ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zondeÖ Indien ik de werken onder hen niet gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden mij en mijnen Vader gehaat." (Joh. 15 : 22 - 24.)

Het is van groot nut de uitwerking van het karakter en het leven van Christus hier beneden gade te slaan. Hij was het licht der wereld, en dit licht werkte op tweeŽrlei wijze. Het overtuigde en bekeerde, het oordeelde en redde. Het verblindde door zijnen hemelschen glans allen, die meenden te zien; terwijl het tegelijkertijd allen verlichtte, die waarlijk hunne zedelijke en geestelijke blindheid gevoelden. Jezus kwam niet om te oordeelen, maar om te behouden; en toch oordeelde Hij, toen Hij kwam, een ieder. Hij was onderscheiden van allen, die Hem omgaven, evenals het licht te midden der duisternis; en toch verloste Hij allen, die het oordeel aannamen en hunne ware plaats innamen.

Dit zien wij ook bij het aanschouwen van het kruis van Christus. "Het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht GodsÖ Doch wij prediken Christus den gekruisigden den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid; maar hun, die geroepen zijn beiden Joden en Grieken, Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods." (1 Kor. 1 : 18, 23, 24.) Uit een menschelijk oogpunt beschouwd, was het kruis een tooneel van zwakheid en dwaasheid; maar uit het goddelijk oogpunt gezien, was het de openbaring der macht en der wijsheid. De Joden, die het door de nevelen van menschelijke instellingen beschouwden, ergerden er zich aan; en de Grieken, die er van de ingebeelde hoogte hunner filosofie op neerzagen, verwierpen het als een verachtelijke zaak. Het geloof van een arm zondaar daarentegen, hetwelk het kruis uit de diepte van schuld en verderf aanschouwt, vindt daarin een goddelijk antwoord op elke vraag, een goddelijke hulp voor allen nood. De dood van Christus, evenals zijn leven, oordeelt iederen mensch; en toch vinden daarin allen hunne redding, die dit oordeel aannemen.

Doch laten wij voortgaan met de geschiedenis van den blindgeborene. Nauwelijks waren zijne oogen geopend, of hij werd een voorwerp van belangstelling voor zijne omgeving. "De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde? Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: "Ik ben het." - De verandering was voor iedereen zichtbaar. Hij had onopgemerkt in blindheid en ellende kunnen voortleven en sterven; maar nu hij in persoonlijke aanraking met den Zoon van God gekomen was, had er een verandering bij hem plaats gegrepen, die niet nalaten kon de opmerkzaamheid zijner omgeving tot zich te trekken. Zoo is het altijd. Het is onmogelijk, dat iemand in aanraking met Christus kan komen, zonder iets te ondervinden, wat hij niet kan verbergen voor degenen, die hem gadeslaan. Een persoonlijke ontmoeting met Christus is een goddelijke werkelijkheid. In de aanraking van Christus ligt leven en kracht Een enkele geloofsblik op den Zaligmaker van zondaars, den Opwekker der dooden heeft de bewonderenswaardigste gevolgen.

Hebt gij de heilige en verborgen kracht van die aanraking van Jezus reeds ondervonden, waarde lezer? Wees verzekerd, dat niets minder dan dat u helpen kan. Gij kunt beminnenswaardig, braaf, ja, zelfs godsdienstig zijn, en evenwel geheel en al zonder goddelijke, levende, persoonlijke vereeniging met Christus leven. Voorwaar, dit is zeer ernstig. O, hoe gaarne zouden wij er u toe willen bewegen, dezen ernst te gevoelen! En wanneer gij er waarlijk van overtuigd zijt, dat gij geen levensgemeenschap met Christus hebt, o, laat u dan toch dringend door ons bidden, naar zijne stem te luisteren en u met kinderlijk vertrouwen tot Hem te wenden! Werp u slechts in het geloof op Hem, en uwe geestelijke oogen zullen terstond de kracht van dat geheimzinnige slijk bespeuren, waarmede Jezus de oogen des blinden bestreek; en allen, die u omgeven, zullen bemerken, dat gij bij Jezus geweest zijt. Wees toch niet onverschillig in deze zaak. Zeg niet: "Ik heb nog tijd genoeg." Het is nu de tijd Gods. Er is voor u geen morgen. Jezus gaat nu voorbij. Hij wacht om u met open armen te ontvangen, u aan den toestand van blindheid en ellende te ontrukken en u met zijne rijkdommen te begiftigen. Dan zult gij te midden uwer geburen een getuige van Jezus zijn. Zij zullen bemerken, dat het met u niet meer zoo is als vroeger, dat er een verandering bij u heeft plaats gevonden, dat de hartstochten en begeerlijkheden, de gewoonten en de kwade invloeden, die u vroeger gevangen hielden, u nu niet meer beheerschen, dat de zonde, hoewel zij zich van tijd tot tijd openbaart, hare vroegere kracht over u verloren heeft.

Wij gevoelen het met iederen dag dieper, dat het groote doel van alle prediken en van alle schrijven moet zijn, de ziel met Christus in verbinding te brengen. Zoolang dit doel niet bereikt is, kan er niets geschieden. Men moge lange predikatiŽn houden en dikke boeken schrijven, maar wanneer de ziel des zondaars niet in een werkelijke, levengevende aanraking met den Zoon Gods gekomen is, dan is alles tevergeefs. Hoewel de blindgeborene van de instellingen der joodsche godsdienst omringd was, zoo had hij toch zijn leven lang in dien hulpeloozen, noodlijdenden toestand moeten blijven. Buiten den naam van Jezus had er niets waarde voor hem. En zoo is het in alles. Niemand dan Jezus kan den hulpeloozen zondaar helpen. Maar 't spreekt van zelf, dat ik dan ook in een levende verbinding met dien goddelijken en almachtigen naam gebracht moet worden, om deze hulp deelachtig te worden. Ik kan voortgaan en uitroepen: "Niemand dan Jezus kan mij helpen!" zonder daardoor mijn toestand te verbeteren. Ook de duivelen weten, dat niemand dan Jezus den hulpeloozen zondaar kan helpen; maar dit baat hun niets. Er moet een levende vereeniging van de ziel met Jezus plaats hebben, om den mensch te rukken uit den toestand van geestelijke blindheid en ellende. En niet alleen dit; maar de macht dezer levende vereeniging moet dagelijks verwezenlijkt worden, om in de ziel de frischheid en volheid des goddelijken levens te onderhouden. "Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heer, hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hem; geworteld en opgebouwd in Hem , en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging." (Kol. 2 : 6, 7.)

Ziedaar, de twee dingen, waar het op aan komt: het aannemen van Christus en dan het wandelen in Hem. Velen, die Christus schijnen aangenomen te hebben, wandelen niet in Hem. Vandaar de dorheid, koudheid en onverschilligheid onder de christenen. Het hart houdt zich met allerlei dingen bezig, doch Jezus wordt vergeten. Godsdienstoefeningen en vergaderingen worden bezocht, velerlei werkzaamheden verricht, doch het hart is niet met den Heer vervuld; deze dingen hebben een plaats gekregen tusschen Jezus en de ziel. O, waarde christelijke lezer! laten wij toch in voortdurende gemeenschap met Jezus wandelen; laten wij Hem in al zijne volheid en heerlijkheid steeds voor oogen houden! Dan zal onze getuigenis duidelijk, beslist en verstaanbaar en onze wandel in deze dagen van oppervlakkige belijdenis een helderschijnend licht zijn.

Doch keeren wij tot onze geschiedenis terug. In de verschillende soorten van menschen, die hier ons oog ontmoet, bemerken wij een hoogst merkwaardige openbaring der karakters. De arme blindgeborene zelf vertoont een buitengewonen ernst en een bewonderenswaardige eenvoudigheid en oprechtheid. Het zou zeer zeker voor zijn tijdelijk welzijn veel voordeeliger geweest zijn, indien hij de waarheid van hetgeen aan hem geschied was, verzwegen had. Hij had zich kunnen verblijden in de weldaad van het werk van Christus, en toch met het oog op de vijandschap der wereld een getuigenis voor zijnen naam kunnen vermijden. Hij had de vrucht van het werk van Christus kunnen inoogsten , en de smaad van de belijdenis zijns naams kunnen ontvlieden. Hoe dikwijls zien wij dit! Duizenden verblijden zich, wanneer zij hooren , wat Jezus gedaan heeft, maar zij wenschen geenszins zijnen verachten en verworpen naam gelijkvormig te worden. Hoe geheel anders gedroeg zich de blindgeborene! Zijne oogen waren geopend geworden, en hij kon niet nalaten daarvan te spreken en mede te deelen, wie het gedaan had en hoe Hij het gedaan had. Hij legde voor allen, die het hooren wilden, een treffend getuigenis af van de groote daden des Heeren. Zijn hart was geheel vervuld niet hetgeen de Heer voor Hem gedaan had; hij vraagde er niet naar, of dit in zijn voor- of in zijn nadeel was; hij was vrij van alle nevenbedoelingen, en daarom ging hem het heldere licht op. Al is iemand nog zoo onwetend, indien hij slechts oprecht het licht volgt, dat God hem schenkt, dan zal hij zeker meer licht ontvangen, terwijl over de ziel van hem, die om de een of andere reden het hem geschonken licht niet opvolgt en de getuigenis voor Christus verduistert, een toenemende duisternis komt.

Waarde lezer' sta een oogenblik hierbij stil; denk met ernst hierover na; zie toe, dat gij handelt naar het u geschonken licht. 't Is zoo gelukkig, wanneer iedere lichtstraal, die wij ontvangen, door ons op de rechte wijze gebruikt wordt; en dat zal altijd het geval zijn, wanneer het geweten in een goeden toestand is. "Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe." (Spr. 4: 18.) "Wanneer uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele lichaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw geheele lichaam duister. Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij." (Luk. 11 : 34, 35.) Maar hoe kan dit geschieden? zal men vragen. Hoe kan het licht in duisternis veranderd worden? Ons antwoord is: Waar niet naar het ontvangen licht gehandeld wordt, daar ontstaat duisternis. Ontzettende gedachte! "Geeft eere den Heere, uwen God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelde, en tot een donkerheid zette." (Jer. 13 : 16.) Er is geen grooter gevaar dan zonder een nauwgezet geweten met de waarheid vertrouwd te zijn. Zulk een toestand voert de ziel in de handen des Satans; terwijl een nauwgezet geweten, een oprecht gemoed, een eenvoudig oor, ons bestendig op den heiligen vreedzamen en lichten weg Gods doet wandelen. Daarom zegt de Heer: "Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende eenig deel, dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht." (Luk. 11 : 36.) Iemand, wiens oog eenvoudig is, zal derhalve niet alleen licht voor zichzelven bezitten, maar hij zal ook een fakkeldrager voor anderen zijn; terwijl daarentegen iemand, wiens oog niet eenvoudig en wiens hart met verdeelde gedachten vervuld is, niet alleen zelf in geestelijke duisternis gehuld is, maar ook een oneer voor den naam van Christus, een werktuig in de hand van den duivel en een steen des aanstoots voor zijne medemenschen is.

De blindgeborene wandelde naar het licht, dat hij ontvangen had. Niets was in staat hem te ontmoedigen; niets kon zijnen mond sluiten; niets kon zijn licht uitblusschen. Toen "de geburen" vraagden: "Is deze niet die zat en bedelde?" gaf hij bereidwillig ten antwoord: "Ik ben het." Toen zij hem verder vraagden: "Hoe zijn u de oogen geopend?" antwoordde hij zonder weifelen: "De mensch, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: Ga heen aan het badwater Silůam, en wasch u. En ik ging heen, en wiesch mij, en ik werd ziende." En toen zij verder voortgingen te vragen: "Waar is hij?" zeide hij ronduit: "Ik weet het niet." Hij weifelde niet in het geven zijner antwoorden, en hij zeide ook niet meer dan noodig was, maar handelde oprecht naar het licht, dat hij had. En dit is juist noodig. Hij was in persoonlijke aanraking met Jezus geweest; en deze persoonlijke aanraking was de vaste grond zijner getuigenis. Wij moeten nooit verder gaan dan de maat onzer persoonlijke kennis van Christus; maar wij moeten ook getrouw handelen naar het licht, dat wij hebben. Het is ons aller voorrecht met Jezus te mogen wandelen en in zijne gemeenschap te verkeeren, en onze belijdenis van Hem moet altijd het gevolg zijn van deze persoonlijke gemeenschap. Dit deed de blindgeborene en daarom ontving hij meer licht.

Slaan wij hem te midden der FarizeŽn gade. Deze door blind vooroordeel beheerschte mannen hadden willens hunne oogen voor het licht der waarheid gesloten. In plaats van zich rustig neder te zetten en de reine, hemelsche leer van den gezegenden Heer, wiens stem in hun midden vernomen werd, te onderzoeken, waren zij reeds overeengekomen, dat, wanneer iemand hem beleed de Christus te zijn, die uit de synagoge zou geworpen worden. 't Was onmogelijk, dat zij de waarheid konden verstaan, zoolang hunne oogen door vooroordeel verblind waren. Zij beleden te zien, en daarom bleven zij in hunne zonden. Jezus zeide tot hen: "Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geen zonde hebben, maar nu zegt gij: Wij zien, zoo blijft dan uwe zonde." Het voortduren der zonde is noodzakelijk verbonden aan de belijdenis, dat men zien kan. Wanneer iemand weet, dat hij blind is, dan kan hij geopende oogen krijgen; maar wat kan er voor iemand gedaan worden, die meent te zien, terwijl tegelijkertijd zijne oogen door vooroordeel verblind zijn? Helaas, niets! Het licht in hem is duisternis; en hoe groot is die duisternis! Deze FarizeŽn konden er zich op beroemen, den sabbat te houden en Gode de eer te geven; en toch durfden zij van Christus zeggen: "Wij weten, dat deze mensch een zondaar is." Zoover bracht hen hunne godsdienstigheid. Doch een sabbat zonder Christus is misleiding. God te willen eeren maar niet door Christus is een verschrikkelijk bedrog. En toch vertoonde dit alles zich bij die ongelukkige FarizeŽn. Zij werden verontrust door de getuigenis van dien armen man. Hoe gaarne zouden zij haar onderdrukt hebben! Maar dat konden zij niet. Zij namen het hartvochtige middel te baat, om de ouders van den blindgeborene te roepen; doch alles was tevergeefs. De ouders vreesden de Joden. Zij wilden hun aanzien niet verliezen. Zij wisten niets van Christus en zijn werk; en zij waren daarom niet bereid zich om zijnentwil te laten bestraffen, en daarom zeiden zij: "Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken."

Doch wat deed de blindgeborene? Hij bleef kalm en bedaard te midden van al die opschudding. Hij wist wel niet veel, maar wat hij wist, gebruikte hij zeer gepast. Hij verhaalde vrij en open, wat Jezus aan hem gedaan had. Vrijmoedig zeide hij op al hunne tegenwerpingen: "…ťn ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie." Dit feit stond onomstootelijk vast. Dat kon niemand hem ontnemen, hoeveel moeite men ook deed. De mensch, die vroeger zat en bedelde, stond nu voor hen met geopende oogen; en "de mensch, genaamd Jezus" had den blinde het gezicht gegeven. Met de grootste eenvoudigheid getuigde de blindgeborene van deze heerlijke genade aan hem geschied. Zijne kennis van Jezus was gering: hij wist niet, wie Hij was, en ook niet, waar Hij was; maar hij wist genoeg om de FarizeŽn in de grootste verwarring te brengen. En wat hier zoo treffend schoon wordt medegedeeld, is, dat zijne getuigenis van minuut tot minuut helderder wordt. Het groote onverstand zijner vijanden opende hem meer en meer de oogen. Eerst verhaalt hij eenvoudig, wat Jezus aan hem gedaan heeft; daarna komt hij door de tweedracht der Joden tot de erkentenis: "Hij is een profeet"; en toen zij met hunne vragen nog niet ophielden, zeide hij: "Ik heb het u alreeds gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom hooren? Wilt gijlieden ook zijne discipelen worden." Hij beleed dus hier een discipel van Jezus te zijn. En toen de Joden hem daarop uitscholden, en hem toeriepen: "Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn discipelen van Mozes. Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar dezen weten wij niet, van waar hij is", antwoordde hij in zijne verheven eenvoudigheid: "Hierin is u immers wat wonders, dat gij niet weet, vanwaar hij is, en nogtans heeft hij mijne oogen geopend. En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is, en zijnen wil doet, dien hoort Hij. Van alle eeuwen is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft. Indien deze van God niet ware, hij zou niets kunnen doen."

Het is inderdaad een waar genot dit verhaal te lezen. Het doet ons hart goed een oprecht mensch in moedigen kamp met het godsdienstig vooroordeel te zien. God geve, dat er in onze dagen velen den blindgeborene mogen gelijken! Wij kennen geen sterker dam om den toenemenden stroom des ongeloofs tegen te houden, dan de moedige, krachtige getuigenis van hen, die iets van den Heer ondervonden hebben. Welk een kracht zou het zijn, wanneer zij eenvoudig mededeelden, wat de Heer aan hunne ziel gedaan heeft, en wanneer zij hunne getuigenis grondden op hetgeen duidelijk en zeker, ja, onwederlegbaar is! In deze geschiedenis zien wij, hoe een arme, onwetende man, die eens als een blinde bedelaar aan den weg zat, door zijne getuigenis de FarizeŽn in verwarring bracht en al hunne redeneringen omverwierp. Hij was voor hen, als 't ware, een drukkende steen, een last, welken zij niet konden verdragen. "Gij zijt geheel in zonde geboren, en leert gij ons?" riepen zij uit. "En zij wierpen hem uit."

Gelukkige man! Hij was eenvoudig en oprecht het ontvangen licht gevolgd. Hij had een vrijmoedige getuigenis voor de waarheid afgelegd. Zijn oog was geopend geworden om te zien, en zijn mond om te getuigen. En om de getuigenis der waarheid werd hij uit de synagoge geworpen, Hij had de FarizeŽn nimmer verontrust in de dagen zijner blindheid en ellende. Misschien hadden sommigen van hen hem in 't voorbijgaan wel vol trotschheid een onbeduidende aalmoes toegeworpen, om zich bij hunne medemenschen den naam van weldoeners te verwerven; doch nu was die blinde bedelaar een krachtig getuige geworden. Woorden van waarheid stroomden van zijne lippen - woorden, die voor hen zůů scherp en veroordeelend waren, dat zij hem niet langer konden verdragen en hem daarom uitwierpen.

Gelukkige, hoogst gelukkige man! Dat was het schitterendste oogenblik in zijne geheele loopbaan. Deze menschen hadden hem, zonder het te weten, een gewichtige dienst bewezen. Zij hadden hem in de eervolste positie gebracht, waarin ooit een sterfelijk mensch komen kan - een positie van gelijkvormigheid met Christus. En zie, hoe het teergevoelig hart van den goeden Herder bij het gezicht van zijn uitgeworpen schaap bewogen wordt!

"Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon vŠn God? Hij antwoordde en zeide: Wie is hij, Heere? opdat ik hem moge gelooven? En Jezus zeide tot hem: En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, die is het. En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad hem."

Dat is genoeg. Deze trouwe getuigenis verdiende een rijke belooning. Hij had met beslistheid naar het hem gegeven licht gehandeld, en ten gevolge daarvan werd hij door de godsdienstigen dezer wereld uitgeworpen. Hij werd gedwongen buiten de legerplaats zijne plaats in te nemen; maar 't was ook daar, dat Jezus hem vond en zich aan zijne ziel openbaarde. Voor dezen hoogst bevoorrechten man, die als een aanbidder aan de voeten van de vleesch geworden Godheid geknield lag, was als 't ware den voorhang voor altijd gescheurd. Welk een heerlijke plaats! Welk een tegenstelling met de plaats, waarop wij hem in 't begin van deze geschiedenis vinden! Welk een merkwaardige loopbaan! Eerst een blinde bedelaar , daarop een getrouwe getuige en eindelijk een verlichte aanbidder aan de voeten van Gods Zoon. Hoe gelukkig en bevoorrecht is deze man! Hoe heerlijk is het een oprecht, een voor Christus warm kloppend hart te vinden - een hart, dat niet naar de gevolgen vraagt, maar zich onvoorwaardelijk aan Jezus vastklemt! Mocht de Heer in deze dagen van koude onverschilligheid en oppervlakkige geloofsbelijdenis vele zulke getuigen van zijne waarheid verwekken!