Jezus' opstanding:

EEN GENEESMIDDEL VOOR ALLE KWAAD.

 

Hoe diep en verschillend de behoeften der ziel ook zijn mogen, zij worden allen bevredigd door den dood en de opstanding van Christus. Is de ziel bedroefd over hare zonden, - de opstanding is het heerlijke bewijs van de volkomen uitdelging der schuld. Van het oogenblik af, dat ik Jezus aan de rechterhand Gods aanschouw, zie ik het einde der zonden; want Hij kon dr niet zijn, wanneer de zonde niet geheel verzoend was. "Hij werd overgeleverd om onze overtredingen;" Hij hing als onze plaatsbekleeder aan het kruis; Hij nam onze ongerechtigheden op zich, en daalde, daarmede beladen, in het graf. "Maar God heeft Hem opgewekt uit de dooden," en drukte daardoor zijne volkomen goedkeuring op het werk der verlossing uit. Daarom lezen wij: "Hij werd opgewekt om onze rechtvaardigmaking." De opstanding van Christus bevredigt derhalve de behoefte der ziel met betrekking tot de zonde.

Wanneer wij nu verder gaan, en het vaak moeielijk pad van den christen gadeslaan, dan vinden wij, dat de opgestane Jezus een uitnemend geneesmiddel is voor al de smarten des levens. Dit wordt ons duidelijk voorgesteld in Joh. 20. Maria gaat vroeg in den morgen naar het graf; en, zooals wij uit de gelijkluidende plaats in Markus zien, was haar hart niet alleen bedroefd door het verlies van haren hemelschen Vriend, maar ook bekommerd door de moeielijkheid, hoe zij den steen van de spelonk zou afwentelen. De opstanding bevrijdde haar van de smart en tevens van den last. De opgestane Heer vervulde het ledig in haar troosteloos hart, en wentelde van hare schouders den last, dien zij niet kon torschen. Zij vond den steen afgewenteld van het graf, en zij vond ook haren geliefden Meester, die voor een tijd door den dood van haar was weggenomen geweest. Zulke heerlijke dingen kon de opstanding te weeg brengen. Evenzoo is het met ons. Zijn onze harten gebroken door de ijskoude hand des doods, is de band der liefde door zijn kouden adem verscheurd, dan is de opstanding het eenige geneesmiddel. Ja, de opstanding, die groote hersteller, zoowel van de vermoeide als van de gevallen natuur, vervult elk ledig, maakt iedere gapende klove dicht, heelt alle smart. Als het geweten ontrust is door het besef van zonde, dan brengt de opstanding het tot rust door de zekerheid, dat het werk der verlossing is aangenomen. Is het hart door smart ter nedergebogen en als van n gereten door het verlies van dierbare betrekkingen, dan heelt en vertroost de opstanding, door ons de hereeniging te verzekeren met al degenen, die ons vrgingen. Zij zegt ons "niet te treuren als dezulken, die geen hoop hebben; want als wij gelooven, dat Jezus gestorven is en opgewekt, zoo zal ook God degenen, die in Jezus ontslapen zijn, wederbrengen met Hem." (1 Thess. 4 : 13, 14.) Men denkt zoo vaak, dat de tijd ieder ledig, hetwelk door den dood in het hart ontstaan is, weder aanvult, maar bij den geestelijken mensch is dit onmogelijk. De arme wereldling kan wellicht in voorbijgaande omstandigheden iets vinden, dat de leegte, door den dood ontstaan, aanvult, niet alzoo de christen; voor hem is de opstanding de groote gebeurtenis, waarop hij zijnen blik vestigt, omdat daardoor elk verlies vergoed en hij van alle kwaad verlost wordt.

Evenzoo is de opstanding de eenige bevrijding van de moeite en den druk der tegenwoordige omstandigheden. Tot zoolang moeten wij van dag tot dag werken, dragende onze lasten, en verdragende den arbeid van den tegenwoordigen, kommervollen tijd. Gelijk Maria mogen wij uitroepen: "Wie zal ons den steen afwentelen?" Wie? De opgestane Jezus. Zoo gij de opstanding aanneemt, zijt gij verheven boven den invloed van elken druk. Wij zullen, wel is waar, nog menigen last te dragen hebben, maar hij zal ons niet in het stof doen neerzinken, omdat onze harten levend gehouden worden door de heerlijke waarheid, dat ons Hoofd uit de dooden is opgewekt, en nu gezeten is aan de rechterhand Gods; ja, dat ook onze plaats dr is met Hem. Het geloof verheft onze ziel naar boven; het stelt ons in staat onze bekommernissen op den Heer te werpen, en zeker te zijn, dat Hij ons ondersteunen zal. Hoe vaak zijn wij teruggedeinsd voor een beproeving of moeielijkheid, die in de verte verscheen, gelijk een donkere wolk aan den gezichteinder; en, zie! als wij naderbij kwamen, vonden wij den steen afgewenteld van het graf. De opgestane Jezus had hem weggenomen. Hij heeft de donkere wolk weggevaagd en de lucht opgeklaard door het licht zijner heerlijke tegenwoordigheid. Maria was tot het graf gekomen, terwijl zij een grooten steen tusschen haar en het voorwerp harer liefde verwachtte, doch in plaats daarvan vond zij den verrezen Jezus tusschen haar en de gewaande moeielijkheid. Zij was gekomen om een dood lichaam te zalven, maar werd gelukkig gemaakt door een opgestanen Zaligmaker. Zie daar de weg van God en de macht en de waarde der opstanding. Zonden, smarten en lasten - alles verdwijnt, wanneer wij ons bevinden in de tegenwoordigheid van een levenden Heer. Toen Johannes op het eiland Patmos als een doode in het stof nedergebogen was, wat richtte hem toen weder op? De opstanding - de levende Jezus. "Ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid." Dit deed hem recht op zijne voeten staan. Gemeenschap met Hem, die het leven ontworsteld heeft aan den dood, nam zijne vrees weg, en gaf goddelijke sterkte aan zijne ziel.

Ook bij Petrus en Johannes vinden wij een voorbeeld van de macht der opstanding. Zij zijn blijkbaar verslagen door al hetgeen zij bij het graf aanschouwd hadden. De grafdoeken zoo zorgvuldig te zien samengerold, dat was onverklaarbaar. Maar zij zijn slechts verslagen, omdat "zij alsnog de Schriften niet kenden, dat Hij van de dooden moest opstaan." Niets dan de opstanding kon hun bezwaar oplossen. Hadden zij die geweten, zij zouden de samengerolde grafdoeken gemakkelijk hebben kunnen verklaren; zij zouden geweten hebben, dat de Overwinnaar des doods dr geweest was, zijn machtig werk volbrengende en de sporen van Zijne overwinning achterlatende. De Heer Jezus was kalm en bedaard door den strijd gegaan. Hij had geen haast gehad en liet geen verwarring achter. Hij had zooveel tijd genomen als noodig was om zijne grafdoeken en zijn graf in orde te brengen. Hij bewees daardoor, dat het Hem geen inspanning kostte den dood zijne macht te ontnemen. Petrus en Johannes wisten dit evenwel niet; en daarom keerden zij terug naar hun huis. De kracht van Maria's liefde deed haar langer daar vertoeven. De liefde had meer invloed dan de wetenschap; en hoewel haar het hart brak, bleef zij bij het graf; zij wilde liever weenen op de plaats, waar haar Heer gelegd was geweest, dan ergens anders gaan. Maar de opstanding bracht alles in orde. Zij vulde het ledig in Maria's verbroken hart aan, en loste het bezwaar in het hart van Petrus en Johannes op. Zij droogde hare tranen, en maakte een einde aan hunne verbazing. De opgestane Jezus is waarlijk het eenige middel voor alle kwaad, en om er gebruik van te maken is niets anders noodig dan geloof.

In vers 19, vinden wij een nieuw voorbeeld van het beginsel dat wij bespreken. "En op denzelfden dag, zijnde, de eerste dag der week , toen de deuren gesloten waren, alwaar de discipelen vergaderd waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden van hen en zeide tot hen: "Vrede zij ulieden." De gesloten deur bewijst de vrees der discipelen. Zij waren bevreesd voor de Joden. En wat kon hunne vrees wegnemen? Niets dan de gemeenschap met hunnen opgestanen Heer. En die onthield Hij hun niet. Hij verscheen hun, en sprak zijnen zegen over hen uit. "Vrede zij ulieden", zeide Hij. "Vrede," niet omdat de deur verzekerd was, maar omdat de Heer was opgestaan. Wie kon hen nu eenig kwaad doen, terwijl zij den Overwinnaar van dood en hel in hun midden hadden? Er is een onuitsprekelijke waarde in dat woord "vrede", door zulk Een, op zulk een tijd uitgesproken. De vrede, die voortvloeit uit de gemeenschap met den opgestanen Zoon van God, kan noch door de zonde noch door de stormen dezer wereld weggenomen worden; het is de vrede van het binnenste heiligdom de vrede van God, die alle verstand te boven gaat. Waarom zijn wij zoo vaak ontrust door den toestand van de dingen rondom ons? Waarom steunen wij, al is het dan niet op gesloten deuren, ten minste op iets menschelijks? Omdat wij niet gestadig ons oog gericht houden op Hem, die dood is geweest, maar nu leeft in alle eeuwigheid - op Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde. Indien wij het slechts meer verwezenlijkten, dat ons deel in Hem is, ja, dat Hij zelf ons deel is, dan zouden wij minder ter nedergeslagen zijn bij de beroeringen dezer arme wereld. De staatkunde, de landbouw, de handel, enz., zouden hunne eigene plaats in ons hart vinden, zoo wij ons telkens herinnerden, dat "wij gestorven zijn en ons leven met Christus verborgen is in God." "Onze wandel is in de hemelen." Zij, die met Christus opgestaan zijn, zijn niet meer van de aarde. Zij zijn gestorven voor alles, wat in de wereld is, en hun leven is in den hemel, waar zij in beginsel en in den geest reeds vertoeven. Beschouwen wij onszelven als aardsch, dan zullen wij ongetwijfeld met aardsche dingen bezig zijn; maar beschouwen wij onszelven als hemelsch, dan zullen wij zeer zeker met hemelsche dingen bezig zijn. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn." Dit is eenvoudig. "Wij moeten zoeken de dingen, die boven zijn," omdat wij "met Christus opgewekt zijn." Het verschil tusschen Abraham en den geloovige nu, kan aldus uitgedrukt worden: Abraham ging van de aarde naar den hemel; de geloovige christen komt uit den hemel op de aarde, namelijk in den geest en in het geloof. Abraham was een pelgrim op aarde, omdat hij een hemelsch vaderland zocht; de christen is een pelgrim, omdat hij een hemelsch vaderland verkregen heeft. De christen moet zichzelven beschouwen als iemand, die van den hemel gekomen is om te midden van al de moeielijkheden dezer aarde te wandelen. Dit zal aan zijn karakter en wandel een hoogere richting geven. De Heer geve, dat het zoo meer en meer moge zijn met allen, die den naam van Jezus noemen!

Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat de Heer Jezus de vrees zijner discipelen wegnam, door in hun midden te komen en in al hunne omstandigheden te deelen. 't Was niet zoozeer een dadelijke verlossing van hetgeen hun vrees veroorzaakte, maar een verheffing hunner zielen boven de omstandigheden door gemeenschap met Hem. Zij vergaten de Joden, zij vergaten hunne vrees, zij vergaten alles, omdat hunne zielen vervuld waren met hunnen opgestanen Heer. Des Heeren weg is vaak om de zijnen in de beproeving te laten en daarin met hen te zijn. Als Paulus begeert verlost te worden van den doorn in het vleesch, is het antwoord: "Mijne genade, is u genoeg." Het is een veel grootere genade, de liefde en nabijheid des Heeren in de beproeving te gevoelen dan er van verlost te worden. De Heer liet toe, dat Sadrach, Mesach en Abed-nego in den oven geworpen werden; maar Hij kwam zelf bij hen, en wandelde met hen. Dit was liefderijker van Hem en gelukkiger voor hen, dan wanneer Hij tusschenbeide getreden was, eer zij er in geworpen werden.

Mocht het de wensch zijn van ons hart, om op onze reis door dit leven vol beproevingen steeds in des Heeren nabijheid te verkeeren; dan zullen wij, zoowel in den oven der smart als in den storm der vervolging, vrede hebben. En wanneer ons hart bedroefd is, of een zware last op onze schouders drukt, wanneer wij in moeielijkheden zijn, of vrees en ongeloof in ons woont, alles zal hersteld worden door de gemeenschap met Hem, die uit de dooden is opgestaan.