Nederigheid.

 

1. Er is een groot onderscheid tusschen nederig voor God te zijn en voor God vernederd te worden. Ik word voor God vernederd, omdat ik niet nederig geweest ben. Ik word vernederd, omdat ik gezondigd heb. Indien ik nederig geweest was, dan zou dit door de genade zijn voorkomen. Want "God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade."

2. Wie in Gods tegenwoordigheid wandelt, zal waarlijk nederig zijn. Als wij die tegenwoordigheid verlaten, dan zijn wij in gevaar onszelven te verheffen. Velen denken, dat het gevaarlijk is, wanneer men dikwijls op den berg vertoeft. Ik geloof echter, dat wij niet in gevaar zijn, als wij op den berg vertoeven, maar als wij er af komen. Wanneer wij van den berg afdalen, dan beginnen wij ons te verheffen, dat wij er op zijn geweest. Paulus behoefde geen doorn in het vleesch, toen hij in den derden hemel was; maar wel, toen hij weer terug was gekomen in den gewonen toestand, want toen bestond er gevaar, dat hij zich op die hooge openbaringen zou verheffen.

3. Ware nederigheid bestaat niet daarin, dat wij slecht van onszelven denken, maar daarin, dat wij in het geheel niet aan onszelven denken.