De toestand der wereld na de opname der Gemeente.

 

De opname der Gemeente is, zooals wij bewezen hebben, [1] de heugelijke gebeurtenis, die ieder oogenblik kan plaats hebben, en die geschieden zal, vrdat de Heer zijne voorspellingen omtrent Isral en de wereld in vervulling zal doen treden. Wij moeten nu onzen blik vestigen op den toestand der wereld na de opname der Gemeente, en daartoe in de eerste plaats de vraag beantwoorden, of die opname voor de wereld zichtbaar of onzichtbaar zal zijn? Wij gelooven, dat de Schrift ons het laatste leert, en dat wel om de volgende redenen.

1. In Joh. 14 : 19 zegt de Heer: "Nog een kleinen tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien; want ik leef; en gij zult leven." Wanneer men de laatste woorden van Jezus (Joh. 13-17.) met opmerkzaamheid leest, dan wordt het duidelijk, dat de Heer, over zijn heengaan sprekende, niet bedoelt zijn gaan in den dood, maar zijn gaan naar het huis des Vaders. Hij verplaatst zich in den geest na de opstanding, nadat Hij het werk der verlossing volbracht had en tot den Vader kon heengaan, om de heerlijkheid, die Hij had, eer de wereld was, uit de handen des Vaders te ontvangen; "De kleine tijd," waarover de Heer hier spreekt, is derhalve niet de tijd tusschen zijnen dood en zijne opstanding, maar de tijd tusschen zijne hemelvaart en zijne wederkomst. Wel is de Heer na zijne opstanding aan zijne discipelen verschenen, maar wij weten, dat de discipelen Hem toen verscheidene dingen hebben gevraagd, en dat de Heer hen zelfs over hun ongeloof heeft bestraft. En nu lezen wij in Joh. 16 : 23, dat de Heer, sprekende over dien kleinen tijd, zegt: "In dien dag zult gij mij niets vragen;" zoodat het zeer duidelijk is, dat de Heer met dien kleinen tijd den tijd tusschen zijne hemelvaart en zijne komst om de Gemeente op te nemen bedoelt. Bij die komst zullen de discipelen niet alleen gelooven, maar bekennen, dat Jezus in zijnen Vader is, en zij in Hem, en Hij in hen; dan zullen zij Hem niets meer vragen, want dan zullen zij Hem zien van aangezicht tot aangezicht, en hetgeen ten deele was, zal dan te niet gedaan zijn. Doch van die komst zal de wereld niets zien; want, zegt de Heer: "Nog een kleinen tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien," waaruit dus volgt, dat de opname der Gemeente voor de wereld onzichtbaar zal zijn.

2. Alle voorbeelden, welke wij in de Schrift van de opname der Gemeente vinden, geven ons aanleiding te gelooven, dat die opname voor de wereld onzichtbaar zal zijn. Van Henoch wordt gezegd, dat, nadat hij met God gewandeld had, "hij niet meer was, want God nam hem weg;" (Gen. 5 : 24.) "dat hij weggenomen is geweest, opdat hij den dood niet zien zou; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had." (Hebr. 11 : 5.) Hieruit volgt natuurlijk, dat niemand zijne wegneming heeft gezien. - Toen Elia ten hemel voer, bekwam alleen Eliza als een bijzonder voorrecht de vrijheid daarbij tegenwoordig te zijn, terwijl zelfs de zonen der profeten er niet bij tegenwoordig waren (2 Kon. 2.) - De Heer Jezus zelf, het Hoofd der Gemeente, werd bij zijne hemelvaart alleen door zijne discipelen gezien. Evenzoo zal het met de Gemeente gaan. Zij zal niet meer gevonden worden, omdat God haar zal weggenomen hebben; en alzoo zal de naam "verborgenheid," welke de Schrift haar geeft, ook in hare opname bewaarheid worden. Zij is een verborgenheid in hare vorming, (Efez. 3 : 3-7.) een verborgenheid in haar verborgen leven met Christus in God, (Kol. 3 : 3, 4.) een verborgenheid gedurende hare reis door de wereld, die haar niet kent, (2 Kor. 6 : 9, 10.) en eindelijk een verborgenheid in haar heengaan van deze aarde.

De wereld zal derhalve van de opname der Gemeente niets zien. In een punt des tijds, in een oogenblik zullen de geloovigen van de aarde verdwijnen, zonder dat iemand weet, waarheen zij gegaan zijn en op welke wijze zij vertrokken zijn. 't Spreekt echter van zelf, dat deze buitengewone gebeurtenis niet onopgemerkt voorbij zal gaan. Evenals men vroeger Henoch gemist heeft, zoo zullen ook dan de geloovigen gemist worden. Men denke er slechts een oogenblik over na, en men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een ontzettende opschudding die voor ons zoo heerlijke gebeurtenis zal te weeg brengen. Duizenden menschen zullen op eens verdwenen zijn. De man zal zijne vrouw en de vrouw haren man missen; de ouders zullen hunne kinderen en de kinderen hunne ouders tevergeefs zoeken; de vriend zal zijnen vriend niet meer kunnen vinden; den vorigen, ja, misschien denzelfden dag waren zij nog te zamen, en nu is een van beide er niet meer. En wat nog treffender zal zijn, geheele huizen zullen ledig staan, waarin de bewoners al hunne goederen en al hun geld hebben achter gelaten; - gansche familin zullen verdwenen zijn, zonder dat men er eenig spoor van kan vinden. Welk een ontsteltenis, welk een opschudding zal dit te weeg brengen! 't Zal gewis in de eerste dagen en weken het onderwerp van alle gesprekken uitmaken; de dagbladen zullen er vol van staan, en men zal zeer zeker tot de ongerijmdste gissingen de toevlucht nemen, nog ongerijmder dan die van de zonen der profeten ten tijde van Elia. En dit zal niet in n land of in n werelddeel plaats hebben, maar in alle landen der wereld, overal waar er geloovigen zullen zijn. Voorzeker, sinds de zondvloed heeft er geen gebeurtenis plaats gehad, die zulk een indruk teweeggebracht en zulk een belangstelling opgewekt zal hebben.

Maar gelijk het met alles en ten allen tijde in de wereld gaat, zoo zal het ook dan gaan - men zal, na er lang over gedacht, naar gegist en waarschijnlijk mede gespot te hebben, de zaak vergeten. Andere gebeurtenissen zullen weldra de aandacht z boeien en de harten z bezighouden, dat men geen tijd meer zal hebben, aan het verdwijnen der christenen te denken. De oordeelen zullen toch na de opname der Gemeente met zulk een verrassende snelheid over de wereld worden uitgestort - de gebeurtenissen, in de profeten voorspeld, zullen elkander z snel opvolgen - de oorlogen en pestilentien zullen z verschrikkelijk zijn, dat men zeer spoedig en zeer gemakkelijk het andere zal vergeten. Ja, wij kunnen bij de kennis, die wij hebben van het menschelijk hart, nou een schrede verder gaan, en zeggen, dat de wereld zich ten slotte zal verblijden van de lastige waarschuwingen en vermaningen der fijnen bevrijd te zijn. En wanneer zij dan eindelijk het geld en goed, dat de christenen hebben achter gelaten, in bezit zal kunnen nemen, dan kunnen wij ons licht voorstellen, dat de schrik en de droefheid van het eerste oogenblik spoedig in uitgelaten vreugde zal veranderen.

Staat hier een oogenblik stil, waarde broeders! en denkt een oogenblik na. Wanneer de Heer komt om ons op te nemen in zijne heerlijkheid, dan zullen wij alles, wat wij bezitten en verzameld hebben, op aarde moeten achterlaten; zelfs de kleederen, die wij aan hebben, zullen, evenals de mantel van Elia, op aarde vallen; en alles zal het deel worden van de kinderen dezer wereld. Welk een ernstige gedachte! Het geld en goed, dat wij nu bezitten, zal eenmaal in de handen der ongeloovigen vallen. "Maar ik verzamel mijne schatten voor mijne kinderen," zal menigeen zeggen. Dit kunt gij wel doen; wanneer gij denkt te sterven, maar niet wanneer gij gelooft aan de komst des Heeren, of gij zoudt moeten wenschen, dat uwe kinderen op aarde blijven om geoordeeld te worden, terwijl gij wordt opgenomen in den hemel. En dat zult gij toch wel niet wenschen, niet waar? Gij zult toch wel met mij den Heer bidden, dat uwe kinderen deel mogen hebben aan de bruiloft des Lams. Welnu, dan kunt gij ook uwe schatten niet vergaderen of uw geld niet bewaren voor uwe kinderen; maar dan moet gij u voorstellen, dat eenmaal alles het eigendom van de wereld zal worden. Werd dit wat meer bedacht, en vervulde het geloof aan de komst van Jezus wat meer het hart, dan zou men er niet aan denken, om zich hier op aarde schatten te vergaderen; maar men zou zich met het geld en het goed, dat de Heer ons gaf, en waarover Hij ons als rentmeesters aanstelde, schatten vergaderen in den hemel, waar ze de mot en de roest niet kunnen verteeren, en waar de dieven kunnen doorgraven noch stelen. Hoe beschamend zal het zijn voor allen, die, aan het aardsche goed gehecht, dit zorgvuldig hebben bewaard, en met ledige handen moeten verschijnen voor den rechterstoel van Christus! Het goed, dat zij vergaderden of bewaarden, blijft achter, en zij hebben zich geene schatten vergaderd in den hemel. Komt, geliefden! laat het geloof aan Jezus' komst onze harten en handen wijd openen! Verblijdt met uwe gaven de armen, die de Heer in zijne plaats achterliet; ondersteunt den arbeid des Evangelies en degenen, die daarin arbeiden; doet wel aan allen en op allerlei wijzen, en bedenkt, dat het penninkske der weduwe evenveel waarde heeft voor den Heer als de guldens der rijken. Dit doende zult gij u een schat vergaderen in den hemel, en uwe werken zullen u eenmaal volgen.

Doch wij moeten tot ons onderwerp terugkeeren. Uit hetgeen ik gezegd heb, blijkt, dat, hoewel het verdwijnen der Gemeente schrik en ontsteltenis zal te weeg brengen, de wereld zich evenwel niet zal bekeeren. Wel geloof ik, dat er enkelen zullen zijn, die, met de Schrift bekend zijnde, zullen begrijpen, wat er geschied is, en die zich daarop zullen bekeeren; doch dit zullen slechts zeer weinigen zijn; de groote massa zal onbekeerd blijven, ja, zal in meerdere goddeloosheid toenemen. 't Zal worden gelijk het was in de dagen van Noach, en gelijk het was in Sodom en Gomorra ten dage van Lot. (Luk. 17 : 26-30.) De boosheid zal menigvuldig zijn op de aarde; de goddeloosheid zal haar toppunt bereiken; de revolutie-geest zal overal losbarsten en het ongeloof zal op den troon zitten; zoodat ten slotte alle van God gestelde machten zullen ten onder gebracht zijn en de geheele wereld hare knien zal buigen voor den mensch der zonde, den zoon des verderfs. 't Zal een ontzettende tijd zijn, zoodanig als er niet is geweest van de grondlegging der wereld af. "De menschen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods." (2 Tim. 3 : 1-4; zie ook 1 Tim. 4 : l; 2 Petr. 2 en 3 en Judas.) Hoe ontzettend boos is toch het menschelijk hart! 't Is door niets te verbeteren. Noch de banvloeken der wet, noch de prediking der genade, noch de treffendste gebeurtenissen zijn in staat, eenige verandering in den toestand van dat hart te brengen. 't Is en 't blijft altijd even boos, even vijandig tegen God. Gelijk men de opstanding van Jezus willens en wetens ontkend heeft, zoo zal men ook de opname der Gemeente loochenen. Ja, zelfs de vreeselijke oordeelen, die over de wereld zullen worden uitgestort, zullen geen verandering te weeg brengen. Wanneer de oordeelen z ontzettend zullen zijn, dat de menschen den dood zullen zoeken, dan nog zullen zij niet veranderen, maar integendeel voortgaan met de duivelen te aanbidden, en zij zullen zich niet bekeeren van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererijen, noch van hunne dieverijen. (Openb. 9 : 20, 21.) En wanneer hunne smart z groot zal zijn, dat zij hunne tongen kauwen van pijn, dan zullen zij, in plaats van zich te bekeeren, den God des hemels lasteren van wege hunne pijnen en van wege hunne gezweren. (Openb. 16: 10, 11.) Verschrikkelijke toestand van verharding en boosheid! Wel mogen wij God loven en prijzen, dat Hij ons door zijne onuitsprekelijke genade uit dien toestand verlost heeft!

Maar hoe zal de wereld zoo op eens tot zulk een goddeloosheid vervallen? Dit zal ons geenszins verwonderen, zoodra wij bedenken, wat er gebeuren zal. Wanneer toch de Gemeente in den hemel opgenomen zal zijn, dan zal ook de Heilige Geest de aarde verlaten hebben; dan is het licht der wereld en het zout der aarde verdwenen; dan is alles duister geworden en aan het verderf prijs gegeven. De Gemeente, in wie de Heilige Geest woont, houdt nu den stroom der ongerechtigheid nog tegen; (2 Thess. 2.) de geloovigen oefenen nu nog invloed uit op de ongeloovigen, en hunne getuigenis houdt de volkomen openbaring van het ongeloof nog tegen; maar zoodra zij van de aarde zullen verdwenen zijn, dan kan alles zijnen vrijen loop hebben, dan is er niemand meer die tegenhoudt, en dan zal daarom de boosheid der menschen zich in al hare verschrikkelijkheid openbaren. Men sla de wereld slechts gade, en men zal overal al die beginselen vinden, welke dan tot hunne volle ontwikkeling zullen komen. Neemt niet de goddeloosheid ieder jaar toe? Wordt niet de afwijking van Gods geboden steeds grooter? Wankelen niet bijna alle troonen door de revolutie-geest der volkeren? Steekt het ongeloof niet meer en meer het hoofd op, en durft het niet stoutweg loochenen, wat het voor eenige jaren nog niet durfde ontkennen? Welnu, stelt u voor, dat de ware christenen op eens verdwijnen, dat het licht wordt weggenomen en de getuigenis der waarheid ophoudt, en gij zult het u gemakkelijk kunnen verklaren, dat de boosheid hand over hand en met groote snelheid zal toenemen. De mensch, overgelaten aan zichzelven, en geheel prijsgegeven aan de macht van den duivel, die dan uit den hemel op de aarde zal geworpen zijn, (Openb. 12 : 9.) zal zich in zijne gansche boosheid en vijandschap tegen God vertoonen; de ongerechtigheid en het ongeloof zal als een stroom de aarde bedekken en hun toppunt bereiken in de aanbidding van den Antichrist. Maar dan ook zal de Heer komen, om met vlammend vuur wraak te doen over de werkers der ongerechtigheid. (2 Thess. 1 : 8.)

Welk een ontzettend lot wacht dus de wereld! Zouden wij koel en onverschillig kunnen blijven bij het vreeselijke oordeel, dat over haar uitgestort wordt? Neen, gelijk Jezus weende over Jeruzalem, en uitriep: "Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient!" zoo zullen ook onze harten met droefheid vervuld zijn, en onze tranen vloeien bij het zien van een wereld, die zich dagelijks meer dompelt in zonde en onrechtigheid, en die met rassche schreden het verderf te gemoet gaat. Maar bij weenen alleen moet het niet blijven; neen! wij moeten het evangelie der genade verkondigen, opdat er nog velen van den toekomenden toorn mogen verlost worden. Het uur des oordeels, hoe nabij het ook is, heeft nog niet geslagen. De deur der genade is nog open, en het is nu nog mogelijk deel te krijgen aan de hemelsche zegeningen der Gemeente, aan de bruiloft des Lams. O, mocht God ons een vuriger liefde voor Christus geven en een grooter medelijden met de arme zielen, die op den weg naar het eeuwig verderf wandelen! Broeders! de tijd is kort. De uren snellen voorbij. Weldra zullen wij geen gelegenheid meer hebben in de wereld voor onzen Heer en Meester te getuigen en zielen voor Hem te winnen. Komt! laten wij daarom getrouw zijn aan onze roeping, opdat het eenmaal voor den troon van God openbaar moge worden, dat wij vele zielen gebracht hebben tot Jezus!


[1] Wij verwijzen onze lezers en vooral de nieuwe inteekenaren naar de beschouwingen over de wederkomst van Christus, welke in den vorigen jaargang voorkomen, en waarmede wij in dezen jaargang hopen voort te gaan.