Ziet, Ik kom haastelijk

Gezeten aan de rechterhand des Vaders in den hemel, waar Hij heenging om voor de zijnen plaats te bereiden, roept de liefhebbende Bruidegom zijne geliefde bruid, die nog in de vreemdelingschap wandelt, gedurig de heerlijke woorden toe: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Niet eens, niet tweemaal, maar verscheidene malen herhaalt Hij dezelfde woorden. Sla slechts het laatste gedeelte van het twee en twintigste hoofdstuk der Openbaring op, en gij zult dr, op die ne bladzijde der Schrift, dezelfde belofte verscheidene malen herhaald vinden. Waarom zoo dikwijls? vraagt gij misschien. Heeft niet de bruidegom, die naar zijne bruid verlangt, behoefte haar gedurig te zeggen, dat zij weldra bij elkander en onafscheidelijk aan elkander verbonden zullen zijn? Welnu, de Heere Jezus verlangt naar ons; zijn hart verheugt zich bij de gedachte, dat wij weldra bij Hem zullen zijn; Hij haakt naar het oogenblik, dat Hij ons in de vele woningen des Vaders kan binnenleiden, om ons zijne heerlijkheid te doen genieten en bovenal zijne liefde te doen smaken; en daarom heeft zijn hart behoefte ons gedurig toe te roepen: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Welk een onuitsprekelijke liefde! Jezus verlangt naar ons - naar ons, zulke ellendige, ondankbare schepselen! Wie zou het kunnen gelooven, als het niet zoo duidelijk en zoo herhaaldelijk in Gods Woord geschreven stond! Maar, Gode zij dank! hoe onbegrijpelijk het ook is, het is waar. Wij zijn Hem door den Vader gegeven, en nu wil Hij, dat wij zijn zullen, waar Hij is. (Joh. 17.) O, dat is het heerlijkste van alles! Voorzeker, 't is gelukkig, wanneer wij naar Jezus verlangen; 't is verblijdend voor onze harten , wanneer wij ons in zijne liefde en in zijne tegenwoordigheid verheugen; maar oneindig heerlijker is het, dat Jezus naar ons verlangt, en zich in onze tegenwoordigheid wil verheugen. Dat vervult de ziel met een onuitsprekelijke vreugde, en brengt ons vol bewondering en aanbidding aan de voeten van Hem, die niet alleen zijn leven voor ons gaf, maar ons verheft tot de hoogste heerlijkheid.

Maar er is nog een andere reden, waarom de Heer zijne belofte zoo dikwerf herhaalt. Er is toch geen waarheid, die zoo spoedig vergeten wordt als de wederkomst van Jezus. Nauwelijks waren de Apostelen des Heeren ontslapen, of de Gemeente vergat allengs de belofte van Jezus' wederkomst; en het duurde niet lang, of deze heerlijke waarheid was geheel en al verloren gegaan. Eeuwen gingen voorbij, waarin niemand er aan dacht en niemand er aan geloofde. Doch wat behoeven wij zoover achter ons te zien, slaan wij slechts den blik op onszelven. Door Gods genade zijn onze oogen voor deze waarheid geopend geworden; wij hebben de roepstem van den Bruidegom vernomen; zij vond weerklank in ons hart, en wij hebben onze lampen in gereedheid gebracht om Hem te gemoet te snellen. Zalige blijdschap heeft ons hart vervuld, toen wij voor de eerste maal deze waarheid met het gansche hart omhelsden. De glans der hemelsche vreugde lag op ons gelaat, wanneer wij er onder elkander over spraken. Is dat nog z? Helaas, neen! Hoevele uren, ja, hoevele dagen gaan er voorbij, dat wij er nauwelijks of in 't geheel niet aan denken! Onze harten zijn kouder geworden. Die hoop is niet meer zoo levendig bij ons. Zij vervult niet meer zoo onverdeeld ons hart; zij heiligt niet meer zoo geheel ons leven. Wij voelen ons weer meer te huis op de aarde, in de aardsche omstandigheden en genoegens. Ziet, geliefden! daarom roept de Heer ons zoo dikwijls toe: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Hij wist, dat wij het zoo licht zouden vergeten, en Hij heeft toch zoo gaarne, dat wij er veel aan denken. Of verheugt zich de bruidegom niet over het verlangen zijner bruid om bij hem te zijn? En zou Jezus zich niet verblijden, wanneer wij sterk en vurig naar Hem verlangen? O, gewis! dat is zijne grootste vreugde. En daarom doet Hij alles om dat verlangen in ons te wekken, te versterken en te verlevendigen. 't Verveelt u toch niet, dat Hij er zoo dikwijls op terugkomt? Ik heb het wel eens gehoord, hoe men, wanneer er over de wederkomst van Jezus gesproken werd, zeide: "Nu al wer daarover, we hebben er nog pas over hooren spreken!" - 't Is wel treurig, wanneer het z ver gekomen is. Voorzeker, de vrouw, die haren man liefheeft, zal bij elken brief, waarin hij haar schrijft, dat hij spoedig weder zal komen, zich opnieuw verblijden; en 't zou zeer zeker tot groote droefheid voor den man zijn, wanneer hij vernam, dat zij het vervelend vond, zoo dikwijls over zijne terugkomst te hooren. En welk een droefheid moet het dan niet voor onzen liefdevollen Jezus zijn, wanneer Hij ziet, dat wij ons niet verblijden, als Hij ons toeroept: "Ziet, Ik kom haastelijk." Voor den geloovige, die Jezus vurig liefheeft, zal dat woord telkens opnieuw een heerlijke vertroosting zijn. Ja, al werd het hem ook honderd maal op n dag toegeroepen, het zou hem telkens met zalige blijdschap en heiligen ernst vervullen. Hoe goed zou het zijn, wanneer wij er elkander wat meer aan herinnerden! O, dat ne woord: "Ziet, Ik kom haastelijk!" kan wonderen verrichten! - Daar is een broeder in nood, in zorgen, in moeielijkheden; de tranen vloeien hem langs de wangen; gij gaat tot hem, en roept hem toe: Jezus komt haastelijk!" Welk een omkeering in dat hart, welk een verandering op dat gelaat! De zorg verdwijnt, de nood is minder drukkend, de moeielijkheden zijn minder groot, de glimlach der hoop schijnt door de tranen heen; dankbaar drukt hij u de hand, en gij gaat heen met het bewustzijn een broeder vertroost te hebben. - Ginds ligt een zuster op haar ziekbed; de dagen en vooral de nachten vallen haar lang; het lijden is zoo langdurig; zij is ongeduldig en zou zoo gaarne van hier. "Weldra komt de Heer!" roept gij haar toe, en 't is alsof ge balsem giet in de wonde, alsof het lijden op eens gemakkelijker te dragen valt. - Op een anderen tijd ziet gij een broeder een verkeerden weg inslaan, of op het punt een zondige daad te verrichten; gij gaat tot hem, klopt hem zachtjes op den schouder, en fluistert hem in 't oor: "Ziet, Ik kom haastelijk!" Hij schrikt; hij slaat de oogen neer; hij komt tot zichzelven, en eindelijk valt hij vol schaamte en berouw aan Jezus' voeten neer, om Hem zijne schuld te belijden, maar Hem tevens te danken, dat Hij hem verhinderd heeft den weg der zonde te betreden. - Bij een andere gelegenheid zoudt gij zoo gaarne eenig geld voor de armen of voor het werk des Heeren verzamelen, maar gij bemerkt, dat men ternauwernood de beurs uit den zak haalt en zeer karig geeft. "Spoedig komt de Heer, broeders!" roept gij uit; en 't is, alsof men op eens rijker is geworden; de verontschuldigingen zijn verdwenen, het hart is wijder geworden, de beurzen worden geleegd, en allen verkeeren onder den indruk, dat, wanneer Jezus komt, alles hier moet blijven en in de handen der ongeloovigen zal vallen, en het dus veel beter is met het geld en goed, dat God ons gaf, nu nog winst te doen voor de eeuwigheid. - Welk eene verandering brengt de herinnering aan de komst van Jezus derhalve te weeg in alle toestanden en omstandigheden des levens! Dit zal ons nog duidelijker worden, wanneer wij een oogenblik stilstaan bij de verschillende malen, dat de Heer Jezus in Openb. 22 over zijne spoedige wederkomst spreekt.

"Ziet, Ik kom haastelijk; zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart" Ziedaar de eerste maal, dat de Heer hier belooft spoedig weder te komen! En wat is er aan die belofte verbonden? "Zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart." De Heer zegt niet: "Behouden is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart;" want de behoudenis is niet afhankelijk van het geloof in de profetie, maar van het geloof in Jezus; maar Hij zegt: "Zalig, dat is, welgelukzalig, gelukkig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart." De geloovigen toch, die de woorden der profetie dezes boeks niet verstaan en derhalve ook niet bewaren, zijn wel behouden, maar kunnen onmogelijk gelukkig voor hun hart zijn; want zij meenen, dat zij gedurende de oordeelen, waarvan dat boek spreekt, op aarde zullen zijn. Nu is het onmogelijk welgelukzalig te zijn bij het lezen van al die ontzettende oordeelen, wanneer men zich voorstelt daarbij tegenwoordig te zullen zijn; men zal dan integendeel met vrees en schrik vervuld zijn , en in plaats van de woorden der profetie dezes boeks te bewaren, die zooveel mogelijk trachten te vergeten. Hij echter, die de woorden der profetie dezes boeks verstaat, weet, dat de Gemeente van Christus gedurende de oordeelen, welke in dit boek beschreven worden, in volmaakte rust bij haren Heer en Bruidegom in den hemel woont. Dat maakt zijn hart onuitsprekelijk gelukkig. Want bij het lezen en hooren dier vreeselijke oordeelen kan hij tot zichzelven zeggen: "Wanneer dat alles op aarde geschieden zal, zult gij er niet meer zijn; want dan zijt gij reeds ingegaan in het huis des Vaders, en omringt gij reeds den troon des Almachtigen." Ja, dat is heerlijk! In plaats van vrees en schrik vervult blijdschap zijn hart bij het lezen van de woorden dezer profetie, want de liefde van Jezus straalt hem hier op heldere wijze tegen, en roept hem toe: "Ik heb u niet alleen van het eeuwig verderf, maar ook van den toekomenden toorn verlost!" En wanneer hij dan die woorden niet alleen hoort en verstaat, maar ook, gelijk Maria, bewaart in zijn hart, dan blijft hij gelukkig, ook wanneer men hem van alle kanten op de teekenen der tijden wijst, en men in de oorlogen en geruchten van oorlogen de uitstorting der oordeelen en de vervulling der profetien wil zien. Bedaard en kalm antwoordt hij: "Dat kan niet zijn, want vr de vervulling dier profetien zal de Gemeente in den hemel zijn!"

Verder lezen wij: "Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij." (vs. 10.) Tot Danil werd gezegd: Verzegel de woorden der profetie, want het zal nog lang duren, eer hare vervulling zal komen. Hier wordt gezegd: Verzegel niet, want de tijd is nabij. De vervulling dezer profetie zou haastelijk geschieden, en daarom was het niet der moeite waardig het boek te verzegelen; want nauwelijks zou het verzegeld zijn, of het zegel zou weer opengebroken moeten worden. En wat volgt er nu? "Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde." Ernstige woorden! De tijd is nabij, dat een iegelijk zal geoordeeld worden; en daarom moeten allen, zoowel de goddeloozen als de rechtvaardigen, rijp worden voor het oordeel. Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe, opdat hij zoodoende rijp zij om geoordeeld te worden. Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde, opdat hij zoodoende rijp worde voor de heerlijkheid. Geliefde broeders! overdenkt met heiligen ernst deze woorden. De tijd is kort; weldra komt de Heer; wat gij heden nog doen kunt, doet het nog heden; morgen kan de tijd van werken voorbij zijn, en dan zoudt gij het u te laat beklagen, zooveel, wat nog had moeten verricht worden, tot gelegener tijd te hebben uitgesteld.

In verband hiermede staan de volgende woorden: "Ziet, Ik kom haastelijk; en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zijn zal." Wanneer de Heere Jezus komt in zijne heerlijkheid, dan zal Hij, de zijnen beloonen voor het werk, dat zij op aarde in zijnen naam gedaan hebben. Gezeten op den troon zijner heerlijkheid, zal Hij den n macht geven over tien, den ander over vijf, den derde over drie steden. Allen zullen een plaats in zijn koninkrijk ontvangen; en de heerlijkheid van die plaats zal afhangen van hetgeen zij op aarde hebben verricht. Ieder lid van de Gemeente heeft een gave, een talent van den Heer ontvangen om mede te woekeren. leder heeft een plaats van den Heer gekregen, om Hem te verheerlijken. De een heeft een geringe en de ander een verheven plaats; maar beiden kunnen den Heer evenzeer verheerlijken, omdat beider plaats hun door Hem is aangewezen. De een is een prediker des evangelies, de ander een koopman, weer een ander een handwerksman, een vierde een landbouwer, een vijfde een huisvrouw; maar hoe verschillend hunne roeping ook zijn moge, zij zijn allen door den Heer in die roeping geplaatst en kunnen Hem daarin verheerlijken. Waren allen evangelieverkondigers, of allen handwerkslieden, dan zou alles in verwarring komen; maar nu heerscht er de schoonste orde, want nu kan de naam des Heeren op alle plaatsen en in alle betrekkingen verheerlijkt worden. Hoe gelukkig zou het zijn, wanneer deze heerlijke waarheid door alle christenen verstaan werd! Hoeveel redenen van ontevredenheid en murmureering zouden er eensklaps verdwijnen! Hoeveel gelukkiger zou een ieder zich in zijne roeping en op zijne plaats gevoelen! Niets kan toch bij alle moeielijkheden en bezwaren van het werk, dat wij te verrichten hebben, ons hart z vertroosten en bemoedigen als de gedachte: ik werk voor den Heer, ik drijf handel voor den Heer, ik timmer voor den Heer, ik ploeg voor den Heer, ik voed mijne kinderen op en doe mijn huishouden voor den Heer. Dan is geen werk te nietig, te gering in onze oogen. Dan zullen wijl niet naar wat anders verlangen, alsof wij daarin nuttiger konden zijn. Dan zal het ons eenig streven zijn om hetgeen wij te doen hebben, goed te doen, en de roeping, die de Heer ons gegeven heeft, getrouw te vervullen. En dan zullen wij eenmaal ons loon voor onzen arbeid ontvangen.

Dit loon nu hangt natuurlijk niet af van de grootheid, de uitgestrektheid en de verhevenheid van het werk, dat wij verricht hebben, maar alleen van de getrouwheid, waarme wij het deden. Een straatveger, die voor den Heer, in alle getrouwheid zijn werk heeft verricht , zal meer loon ontvangen dan de evangelieprediker, die in zijne prediking zichzelven gezocht heeft. Een huisvrouw, die in stilte haar dagelijksch werk heeft verricht en hare kinderen heeft opgevoed voor den Heer, zal gewis evenveel loon ontvangen als de man, wiens naam door zijne christelijke werkzaamheden overal bekend is geworden. Een arme, die niets had om te geven dan een beker koud waters, en dit deed in den naam des Heeren, zal evengoed zijn loon ontvangen als de rijke, die honderden guldens heeft weggegeven. Ja, niets, hoe gering, hoe nietig het ook zijn moge, hoezeer ook in het verborgen geschied, zal aan dien dag onbeloond blijven. De Heer zal alles aan 't licht brengen, en het geringste bewijs van liefde voor Hem niet vergeten.

Uit welk een geheel ander oogpunt leeren wij hierdoor ons leven op aarde en onze werkzaamheden beschouwen. Al doen wij dezelfde dingen, die de wereld ook doet, zoo hebben zij toch voor ons een geheel andere beteekenis, en worden met een geheel ander doel verricht. Zij houden op bloot aardsche bezigheden te zijn, maar staan voor ons, omdat wij ze voor den Heer, tot zijne verheerlijking doen, in verband met den hemel, en zullen eenmaal op hemelsche wijze beloond worden. Ja, 't zal onuitsprekelijk heerlijk zijn, wanneer wij daar uit den mond des Heeren zullen vernemen: "Wel gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten." Men zegge niet: " 't Is mij genoeg, wanneer ik maar in den hemel kom;'' want daardoor bewijst men maar al te duidelijk hoe weinig liefde men voor den Heer heeft. Wat is ons toch aangenamer dan een geschenk van een onzer vrienden te ontvangen? Niet de pracht of de waarde van het geschenk maakt ons gelukkig, maar dat het een geschenk is van hem, dien wij liefhebben. Zoo zal het ook dan zijn. Het loon wordt ons door Jezus, onzen besten Vriend, gegeven, en dat vervult reeds nu, in het vooruitzicht, mijn hart met zalige vreugde. En o, hoe heerlijk zal zijne liefde ons daar tegenstralen! Hij zal het werk beloonen, dat wij niet door onze, maar door zijne kracht hebben verricht. Hij zal eveneens handelen, alsof wij het alles zelf hadden gedaan. 't Is onbegrijpelijk, maar heerlijk! En 't zal zeer zeker met een onbeschrijfelijk gevoel van dankbaarheid en zaligheid zijn, dat wij de kroon, door Jezus ons op het hoofd gedrukt, zullen afnemen en aan zijne voeten zullen werpen met de woorden: "Gij, Heer! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door uwen wil zijn zij en zijn zij geschapen."

"Ik, Jezus, heb mijnen engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster." Ziedaar opnieuw de belofte van Jezus' komst voor de Gemeente. Eer de dag aanbreekt, verschijnt de morgenster. Zoo zal Jezus, voordat de dag der wraak en der heerlijkheid op deze aarde zal aanbreken, als de Morgenster voor de Gemeente verschijnen, om haar vr de ure der verzoeking te brengen in het huis des Vaders. En zoodra nu de Bruidegom zich als Morgenster aan de Gemeente vertoont, antwoorden de Geest en de bruid: .,Kom!" De Bruidegom roept: "Ziet, Ik kom haasteliik!" en de bruid antwoordt: "Ja, kom, Heere Jezus!" Hoe zou het ook anders kunnen? Hij is het hoofd, en zij het lichaam; Hij de man en zij de vrouw; Hij haar n en haar alles, en zij de vervulling van Hem, die alles in allen vervult. Ja, de bruid verlangt bij den Bruidegom te zijn; dr is hare plaats, hare woning, haar "te huis." Daar eerst zijn al de wenschen haars harten bevredigd; daar eerst kan zij rusten van haren arbeid en van hare omzwervingen hier op aarde; daar eerst is zij volmaakt gelukkig.

Is die gezindheid de uwe, waarde lezer? Verlangt gij evenals een bruid naar uwen bruidegom? Antwoordt gij altijd terstond op de belofte van Jezus: "ziet, Ik kom haastelijk!" "Amen, ja, kom, Heere Jezus?" O, niets is gelukkiger en zaliger voor het hart! Het verbindt de ziel steeds nauwer aan den Heer, en vervult haar steeds meer met het gevoel zijner liefde. En wanneer die gezindheid uw hart vervult, en gij met vurig verlangen roept: "Kom, Heere Jezus!" dan zult gij zeer zeker tot uwe medegeloovigen gaan, en hun toeroepen: "Die het hoort, zegge: Kom !" en dan gij zult uwe liefde uitstrekken tot degenen, die nog rondom u in de schaduwe des doods voortwandelen, en tot hen zeggen: "Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet." Ja, het geloof aan de komst des Heeren maakt ons ijverig in zijn werk, en vervult ons met medelijden voor degenen, die buiten zijn; want nog een weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven; en dan zal het voor die duizenden, die ons omringen, te laat zijn, dan zullen zij moeten achterblijven om geoordeeld te worden. Mochten daarom onze harten steeds met de levendige verwachting van Jezus' komst vervuld zijn! Mochten wij ten allen tijde met blijdschap de belofte uit zijnen mond ontvangen, die Hij ons zoo gedurig toeroept: "Ziet, Ik kom haastelijk!" en er terstond op antwoorden: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"