De opname der Gemeente.

De Gemeente is onafscheidelijk aan Christus verbonden en volkomen aan Hem gelijkvormig; zij is ééne plant met Hem in de gelijkmaking zijns doods en zijner opstanding; zij is vleesch van zijn vleesch en been van zijne beenen; met één woord, zij is het lichaam van den gestorven, opgewekten en verheerlijkten Christus, de geliefde bruid van den hemelschen Bruidegom. Dat is reeds nu haar heerlijk standpunt, en wat zal hare toekomst wezen? Zou hare woonplaats voor altijd hier op aarde kunnen zijn? Neen! roepen wij allen terstond uit, neen, onmogelijk! het lichaam moet komen, waar het Hoofd, de bruid, waar de Bruidegom is! En, ja, zóó is het! De Gemeente, die reeds nu in Christus in den hemel is gezet, zal spoedig met Hem daar zijn. Niet de aarde, maar de hemel is hare woning, haar vaderland, haar eeuwig en gelukkig "te huis." "Va­der! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij mijne heerlijkheid mogen aan­schouwen, die Gij mij gegeven hebt, want Gij hebt mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld." Zóó sprak de Heer vóór zijn heengaan van deze aarde in zijn gebed tot den Vader, opdat wij zijne blijdschap vervuld zouden hebben in onszelven. Welke onuitsprekelijk heerlijke woorden! "Ik wil, dat waar ik ben ook die bij mij zijn. die Gij Mij gegeven hebt." Ja, wij zullen voor eeuwig bij Jezus zijn in het huis van den Vader; wij zullen daar zijne heerlijkheid aanschouwen, en, wat meer zegt, die heerlijkheid met Hem deelen. "Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij mij gegeven hebt." En welke heerlijkheid zal dat zijn? Niets minder dan de heerlijkheid, die Jezus had bij den Vader, vóór de grondlegging der wereld. Wel mogen wij vol verbazing uitroepen: Hoe is dat mogelijk? Maar, Gode zij dank! hoe onbegrijpelijk het ook is, het is waar. De heerlijkheid, die Jezus had bij den Vader vóór de grondlegging der wereld, en die voor geen menschenkind verkrijgbaar was, heeft Hij ons tot ons eeuwig deel gegeven. Hij verliet den hemel, gaf zijne heerlijkheid prijs, kwam op deze aarde en volbracht het werk onzer verlossing, om aan het einde van alles tot den Vader te kunnen zeggen: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde; ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen; en nu verheerlijk mij, Gij Vader! bij U zelven, met de heerlijkheid, die ik bij U had, eer de wereld was." Dezelfde heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was, vraagt Hij hier als de Zoon des menschen van den Vader, nadat Hij het werk voleindigd had, en dus als het loon op zijnen strijd, om daarna die heerlijkheid aan ons te kunnen geven. Aanbiddelijke Jezus! hoe onuitsprekelijk hebt Gij ons liefgehad! Ja, Gij hebt alles, wat Gij hadt, en U zelven voor ons overgegeven, opdat Gij ons Uwe heerlijkheid deelachtig zoudt kunnen maken! O, doe ons Uwe liefde verstaan; vervul ons hart met Uwen lof!

De eeuwige woonplaats der Gemeente zal derhalve de hemel, het huis des Vaders zijn; zij zal daar wonen met haren Heer en Bruidegom, en zijne heerlijkheid aanschouwen en deelen. Doch hoe komt zij daar? Dat is de vraag, die wij nu gaan beantwoorden. Laten wij, ten eerste, beschouwen: de belofte, ons door Jezus gegeven; ten tweede: de wijze, waarop die belofte zal vervuld worden; en ten derde: de voorstelling, die ons van de vervulling dier belofte gegeven wordt.

Gereed staande deze aarde te verlaten, zeide de Heer tot zijne discipelen: "Kinderkens! nog een kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: Waar ik heenga, kunt gij niet komen; alzoo zeg ik ulieden nu ook." (Joh. 13 : 33.) Geen wonder, dat de discipelen bij het vernemen dezer woorden bedroefd en ontroerd werden. Hun geliefde Meester, hun trouwe Leidsman en Vriend, die hen met zooveel geduld gedragen, met zooveel liefde terechtgewezen, met zooveel trouw verzorgd had, ging hen verlaten; zij zouden alleen overblijven in deze wereld vol zonde en smart. Zij zouden Hem, dien zij zoo vurig beminden, niet meer zien. Hij had het hun gezegd, dat Hij heenging naar den Vader, en dat zij Hem nu niet konden volgen. Tranen vloeiden langs hunne wangen; vrees en ontroering vervulden hun hart. Wie zou hen vertroosten? wie hen  geruststellen? Wie? O, dezelfde Heer die hen nu ging verlaten! Hij verstond hunne smart. Hij kende hun leed; Hij begreep hunne vrees en ontroering; en Hij komt met zijne gewone liefde in hun midden, en roept hen, eigen smart en lijden vergetende, toe: "Uw hart worde niet ontroerd!" - Hoe! zouden wij niet ontroerd en bedroefd worden, nu Gij ons gaat verlaten, - "Neen!" antwoordt de Heer, "uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou ik het u gezegd hebben: ik ga heen om u plaats te bereiden. En zoo wanneer ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kom ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben." (Joh. 14 : 1-3.) Welk een heerlijke belofte! Welk een troost voor het hart der bedroefde discipelen! Welk een troost voor ons! De Heer Jezus ging wel heen, maar het was niet voor Hem zelven; neen! het was tot ons nut; Hij ging naar den hemel, om ons dáár in het huis des Vaders, waar vele woningen zijn, waar dus plaats is voor allen, een plaats te bereiden; Hij ging heen, maar, om zoodra zijn werk in den hemel afgeloopen en de plaats voor al zijne discipelen bereid zal zijn, weder te komen, en ons tot zich te nemen, opdat wij ook zijn mogen, waar Hij is.

Dat is de belofte, die de Heer ons bij zijn heengaan heeft achtergelaten. Hij ging heen om ons plaats te bereiden, en Hij komt weder om ons tot zich in zijne heerlijkheid op te nemen. Slaan wij derhalve onzen blik naar den hemel, dan zien wij daar Jezus voor ons bezig om de plaats, die wij eeuwig in het huis des Vaders zullen innemen, te bereiden. Slaan wij onzen blik op de toekomst, dan hooren wij de zalige verzekering uit zijnen eigen mond: "Ik kom weder, om u tot mij te nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben." Welk een onuitsprekelijke liefde! Geen oogenblik vergeet Hij de zijnen. Hij is nu bezig om de beste plaats, die er in den hemel is, voor onze ontvangst in gereedheid te brengen; en zoodra die plaats gereed zal zijn, komt Hij terug om ons daar voor eeuwig te doen wonen. Zijne wederkomst is dus alleen afhankelijk van het bereid zijn van de plaats in den hemel. En die plaats zal bereid zijn, zoodra het laatste lid aan de Gemeente zal toegevoegd zijn; met andere woorden, zoodra de laatste geloovige, die tot de Gemeente behoort, uit de wereld gerukt en bekeerd zal zijn. Is dit geschied, dan komt de Heer. Wij kunnen er van verzekerd zijn, dat Hij geen oogenblik langer zal wachten dan noodig is. Hij zelf verlangt naar ons. "Vader! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt." Hij zelf roept ons toe: "Ziet, ik kom haastelijk!" En daarom zal Hij geen oogenblik vertoeven, zoodra de plaats voor ons allen bereid zal wezen.

De wederkomst des Heeren is dus de hoop der Gemeente. De Heer zelf heeft haar die hoop gegeven. Dat is uit deze woorden onwedersprekelijk zeker. Niet door den dood, maar door Jezus' wederkomst, zullen wij komen, waar Hij is. "Ik kom weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij zijn moogt, waar ik ben." Die belofte alleen kan het hart, dat Jezus lief heeft, bevredigen. Hij zelf zal komen om ons af te halen. Hij zal niet een ander  - niet de dood of een engel - zenden, maar Hij zelf zal komen. Welk een liefde! Ja, dat voldoet ons hart! Wij verlangen Hem te zien, gelijk Hij is, en Hem gelijk te Zijn. Wij verlangen er naar bij Hem te zijn, zijne heerlijkheid te aanschouwen en te genieten. Welnu, Hij zelf komt om ons af te halen. De Vriend onzer ziel, de geliefde hemelsche Bruidegom zal de plaats bij den Vader verlaten, en tot ons wederkomen, niet om op deze aarde bij ons te blijven, maar om ons van de aarde tot zich op te nemen en ons te brengen in het huis des Vaders.

Maar hoe zal die opname der Gemeente plaats hebben? De Schrift geeft ons hierop een duidelijk antwoord. Even duidelijk als de belofte is, die Jezus gegeven heeft, is de wijze, waarop die belofte zal vervuld worden. Lezen wij 1 Kor. 15 : 51-54:

"Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning."

En 1 Thess. 4 : 13-18:

"Doch, broeders! ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij gelooven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met hem. Want dat zeg­gen wij u door het woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heer zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst op­staan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heer te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd ,met den Heer wezen. Zoo dan vertroost elkander met deze woorden."

Uit deze heerlijke openbaring omtrent de wijze van de opname der Gemeente leeren wij in de eerste plaats: dat de ontslapen geloovigen zullen opgewekt worden en een nieuw heerlijk lichaam zullen ontvangen. Zonder lichaam is het onmogelijk in het huis des Vaders, in de onmiddelijke tegenwoordigheid Gods te zijn. Zonder lichaam is men de volmaaktheid nog niet deelachtig. De volmaaktheid is eerst dan, wanneer wij geheel aan Christus gelijkvormig zullen zijn, wanneer de belofte vervuld zal zijn: "gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen." (1 Kor. 15 : 49.) En dit zal eerst geschieden bij de komst des Heeren. Paulus zegt: "Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, den Heere Jezus Christus; die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerpen." (Fil. 3 : 20, 21.) En Johannes: Ge­liefden nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is." (1 Joh. 3 : 2.) Hieruit volgt dus, dat degenen, die in den Heer ontslapen zijn, niet terstond in den hemel d.i. in het huis des Vaders, komen. Eerst bij de komst des Heeren, gelijk wij uit deze plaatsen duidelijk zien, zullen de ontslapen heiligen uit hunne graven worden opgewekt, eerst dan zullen zij een nieuw lichaam ontvangen, en eerst daarna door den Heere Jezus worden gebracht in het huis des Vaders. Nu bereidt Hij ons nog plaats, dan komt Hij om ons die plaats te doen innemen. Tot dat oogenblik zijn de ontslapen heiligen in het Paradijs, en wachten daar, evenals wij hier op aarde, op de komst van Jezus om ons daar te brengen, waar Hij is. Er wordt ons in het Nieuwe Testament niet veel gezegd van den toestand dergenen, die in Jezus ontslapen zijn; evenwel wordt er ons genoeg van gezegd, om ons te doen zien, dat zij daar gelukkig zullen zijn. Jezus zelf zeide aan het kruis tot den moordenaar: "Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn." (Luk 24 : 39-43.) Stefanus bad den Heer, dien hij ter rechterhand Gods zag staan, zijnen geest te ontvangen. (Hand. 7 : 59, 60.) Paulus zegt in 2 Kor. 5 : 8: "Wij hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heer in te wonen;" en in Fil. 1: 23: "Ik heb begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het bes­te;" - "sterven is mij gewin." Uit deze plaatsen zien wij dus, dat het leven in het Paradijs een leven met Jezus zal zijn - een begeerlijk leven - een leven, beter dan het leven hier op aarde - een leven, dat gewin is. En geen wonder! wij zullen daar geen zonde meer kennen, geen zwakheid of gebreken meer zien, niet meer door allerlei omstandigheden gestoord worden, maar een ongestoorde ge­meenschap met Jezus genieten. Wij zullen er niet slapen noch droomen, maar onszelven volkomen bewust zijn. De gedachte van misschien honderde jaren in een onbewusten toestand door te brengen, zou voorzeker allertreurigst zijn; het zou dan beter zijn hier op aarde te blijven; maar, Gode zij dank! wij zullen in het Paradijs gelukkig zijn; want wij zullen daar in volkomen zelfbewustheid Jezus genieten, Hem loven en prijzen; en daarom is het sterven gewin; daarom is het beter dáár dan hier te zijn. Doch hoe gelukkig en begeerlijk dat leven in het Paradijs ook zijn zal, het is de volmaaktheid niet. Die is eerst dan, wanneer de Heer Jezus zal komen om zijne Gemeente af te halen. "Want de Heer zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst op­staan." Dan zullen "in een punt des tijds, in een oogenblik de dooden onverderfelijk worden opgewekt." Naar dat oogenblik verlangde Paulus, als hij zeide: "of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding uit de dooden." (Fil. 3: 11.) Welk een heerlijk oogenblik zal dat zijn voor hen, die in Jezus ontslapen zijn! Want hoe gelukkig zij ook in het Paradijs zullen geweest zijn, oneindig heerlijker zal het wezen, als de Heer komt om hen op te wekken uit de dooden, hun het nieuwe, heerlijke lichaam te geven, en hen daar te brengen, waar Hij is, in het huis des Vaders, om daar tot in eeuwigheid zijne heerlijkheid te deelen. Dan is ook voor hen de wachtenstijd voorbij en de volmaakte zaligheid begonnen.

Doch is de komst van Jezus heerlijk voor de ontslapen heiligen, even heerlijk zal die zijn voor hen, die levend overblijven tot de toekomst des Heeren. Uit bovenstaande plaatsen blijkt toch, dat de algemeene gedachte onder de christenen, alsof alle geloovigen moeten sterven, geheel onjuist is. "Ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen." Er zijn dus geloovigen, die niet zullen sterven, maar "die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren." Dit is voor geen tegenspraak vatbaar. De Heer verklaart ons hier uitdrukkelijk, dat wanneer Hij zal wederkomen, Hij een gedeelte zal vinden in het Paradijs, ontslapen in Hem, en een gedeelte nog levende hier op aarde.

Maar wat zal er met die levend overgeblevenen gebeuren? Zullen zij zóó in den hemel worden opgenomen? O, neen! dat zou onmogelijk zijn. Even onmogelijk als het is, om zonder lichaam in het huis des Vaders te komen, even onmogelijk is het, om daar met dit ons sterfelijk en verderfelijk lichaam te komen. "Doch dit zeg ik, broeders! dat vleesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet." (1 Kor. 15 : 50.) Ons lichaam moet dus veranderd worden; het moet de sterfelijkheid en verderfelijkheid uit­doen, en de onsterfelijkheid en de onverderfelijkheid aan­doen. "Ziet ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd wor­den; in een punt des tijds, in een oogenblik, met de laat­ste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden." "Wij die levend overblijven tot de toekomst des Heeren," zullen derhalve niet sterven, maar in een punt des tijds, in een oogenblik, veranderd worden; dat wil zeggen: dit ons sterfelijk en verderfelijk lichaam zal, zonder te sterven, in een oogenblik, in een onsterfelijk en onverderfelijk lichaam veranderd worden. Welk een treffend bewijs van Gods almacht! De schepping van den mensch uit het stof der aarde was een heerlijk bewijs van Gods almacht; heerlijker proef van die almachtige kracht is de opstanding van den tot stof weergekeerden mensch; maar boven dit alles staat de verandering der levende heiligen bij de komst van Jezus; daar zij ons op een schitterende wijze toont, hoe volkomen Christus over den dood heeft gezegevierd, en hoe volkomen Hij zelfs de laatste sporen der zonde heeft uitgewischt. Ja, de gansche kracht der goddelijke almacht zal aan ons, die levend overblijven, worden uitgeoe­fend. Wij, ellendige, schuldige, vijandige, aan den dood onder­worpen zondaars, zullen, zonder te sterven, zonder tot stof weer te keeren, in één oogwenk overgeplaatst worden van deze zondige, ellendige aarde in de reine gewesten des hemels.

Welk een heerlijk vooruitzicht! Hoe vertroostend en verblijdend voor ons hart! Hoevele bezwaren worden er door deze zalige hoop weggenomen! Want hoewel de dood voor den christen zijn eigenlijk karakter heeft verloren, hoewel die niets anders voor hem is dan de overgang tot een beter, heerlijker leven, tot een leven met Jezus in het Paradijs, zoo blijft het sterven toch altijd iets onaangenaams. Het is geheel en al in strijd met onze natuur, met alles, wat in ons is. Het is het losscheuren van de teederste banden, het verbreken van de gelukkigste betrekkingen op aarde. Daarom kan de dood op zichzelven nooit een oorzaak van vreugde voor ons zijn. Men versta mij wel; ik bedoel volstrekt niet, dat de christen voor den dood moet vreezen; o, neen! ik geloof, dat hij den dood als door Christus overwonnen moet beschouwen; ja, wat meer zegt, ik geloof, dat de dood onze dienaar is. De Apostel zegt: "Alles is uw. Hetzij Paulus, hetzij Appollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn allen uwe." (1 Kor. 3: 22.) En waarom? Omdat de dood ons brengt bij Jezus in het Paradijs. Maar hetgeen ik bedoel, is dit, dat de dood op zichzelven niets begeerlijk is; niemand verlangt er naar, of zal er naar verlangen, dan degenen, die hem zeer nabij zijn, en van wie de Heer reeds alle opzien tegen den dood heeft weggenomen. Het is daarom een heerlijk vooruitzicht, dat wij misschien zullen behooren tot degenen, die niet zullen sterven, maar die zullen veranderd worden. Wanneer de Heer heden komt, dan behoeven wij niet te sterven, dan zullen wij niet van onze dierbare betrekkingen en vrienden, die in Jezus ge­looven, gescheiden worden, maar met hen in den hemel worden opgenomen. En de Heer kan heden komen; want niets staat zijne komst in den weg. Wanneer mijn hart dit gelooft, dan zal ik niet meer denken aan den dood, die mij niet kan bekoren, maar aan de komst des Heeren, die mijn hart in alle opzichten met een onuitsprekelijke vreugde vervult. Ja, onbeschrijfelijk heerlijk zal het zijn, wanneer wij van sterfelijke, verderfelijke menschen in onsterfelijke en onverderfelijke zullen veranderd worden! Ons verne­derd, gebrekkig, zwak, ziekelijk, aan den dood onder­worpen lichaam zal op eenmaal in een geestelijk en hemelsch lichaam veranderd worden, in een lichaam gelijkvormig aan dat van Jezus, den laatsten Adam, den Heer uit den hemel. En die verandering zal niet langzaam geschieden; zij zal niet gelijk zijn aan de langzame, en pijnlijke ver­andering van de pop in den schoonen vlinder; neen! Zij zal in een oogenblik, in een punt des tijds, dus in min­der dan een minuut, plaats hebben. Zonder dat wij het weten, misschien als wij aan ons werk zijn, of als wij te zamen ons vergaderen in den naam van Jezus, zullen wij op eens, zonder pijn te voelen, in een nieuw, heerlijk lichaam Jezus aanschouwen en Hem te gemoet snellen.

In een nieuw, heerlijk lichaam zullen wij Jezus aanschouwen en Hem te gemoet snellen. Ja, dat is het, wat ons in de derde plaats hier geleerd wordt. Zoodra het laatste lid uit de wereld zal getrokken en aan de Gemeente zal toegevoegd zijn, zal de Heer de rechterhand des Vaders verlaten, en met een geroep met de stem des  archangels en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel, om al de zijnen tot zich op te nemen. De laatste bazuin zal slaan; en op het geluid der bazuin zullen de graven geopend worden, en op één oogenblik zullen al de millioenen, die in Jezus ontslapen zijn, uit de graven te voorschijn treden, niet meer bekleed met een lichaam der sterfelijkheid, maar met een lichaam aan dat van Jezus gelijkvormig, blinkende van heerlijkheid en schoonheid. Op datzelfde oogenblik zullen al de duizenden geloovigen, die dan op aarde leven, veranderd worden; het verderfelijke zal de onverderfelijkheid, het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoen, de banden des stofs en des doods zijn verbroken, en de hemelsche heerlijkheid blinkt reeds op aller gelaat. Dan is de geheele Gemeente van Christus bij elkaar; dan heeft alle scheiding opgehouden; geen lid wordt er gemist; de bewoners van het Paradijs zijn met de geloovigen op aarde vereenigd; allen, van wie men hier voor een wijle gescheiden was geweest, heeft men dáár wedergevonden, en die men nog nooit had gezien, zal men dan aanschouwen. Alle tranen zijn van de oogen afgewischt; de smart en het lijden is vergeten; de eeuwige heerlijkheid begint. Doch niet op elkander zal het oog gericht zijn; neen! aller blik zal op één punt zijn geves­tigd, op den geliefden Bruidegom, den schoonsten onder de menschenkinderen, daar boven in de wolken, in de lucht. En door zijne schoonheid, door zijne oneindige liefde, door den glans van zijn goddelijk aangezicht aangetrokken, zal die gansche onafzienbare schaar, in één en hetzelfde oogenblik, gezamenlijk van de aarde verrijzen, om onder het gejuich der vele duizenden engelen Hem te gemoet te ijlen, en dan door Hem gebracht te worden in de vele woningen des Vaders, om dáár voor eeuwig met Hem te wonen, en tot verheerlijking van zijne nooit volprezen liefde het nieuwe lied der verlossing te zingen.

Ziedaar, de heerlijke openbaring van de wijze, waarop de opname der Gemeente zal plaats hebben. Staan wij nu een oogenblik stil bij de niet minder heerlijke voorstelling, die ons van de vervulling van Jezus' belofte gegeven wordt. In Openb. 4 en 5 wordt ons de Gemeente verheerlijkt in den hemel getoond. "Na dezen zag ik, en ziet een deur was geopend in den hemel" - zoo spreekt de gewijde profeet - "en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en ik zal u toonen hetgeen na dezen geschieden moet." Johan­nes kwam daarop in geestverrukking, en zag in den hemel een troon, waarop de Heere God, de Almachtige zat, en rondom dien troon zag hij vier en twintig troonen, en op die troonen vier en twintig ouderlingen, bekleed met witte kleederen, en met gouden kroonen op hunne hoofden. Deze vier en twintig ouderlingen zijn, naar mijne vaste overtuiging, de vertegenwoordigers van de Gemeente van Christus.[1] In hoofdstuk 5 : 9, 10 zingen zij een nieuw lied, zeggende: "Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; en gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heerschen op de aarde." Uit dit lied is het duidelijk, dat onder deze vier en twintig ouderlingen geen vier en twintig personen be­doeld worden, want dan zouden zij niet kunnen zijn uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie, aangezien er reeds meer dan vier en twintig volken op aarde zijn; zoodat zij moeten voorstellen een groote schaar van verlosten. Te­vens blijkt er uit, dat die groote schaar de Gemeente van Jezus Christus is, daar die alleen kan zingen: "Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed, … en Gij hebt ons uwen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.'' (Zie 1 Petr. 2 : 5, 9 en Openb. 1 : 6.) Dit komt geheel overeen met het karakter, waarin die ouderlingen zich aan ons vertoonen. Zij zijn bekleed met witte kleederen, hetwelk hunne priesterlijke waardigheid beduidt; zij hebben gouden kroonen op hunne hoofden, waardoor hunne koninklijke waardigheid wordt voorgesteld. Het getal vier en twintig herinnert ons aan de vier en twintig orden, die er onder de priesters in Israël bestonden; (1 Kron. 24.) zoodat de geheele voorstelling in overeenstemming is met het karakter der Gemeente.

Velen denken, dat deze vier en twintig ouderlingen de ontslapen heiligen voorstellen. Uit hetgeen wij reeds over de ontslapenen gezegd hebben, zal het ieder duidelijk zijn, dat dit onmogelijk is. Deze ouderlingen toch zijn rondom den troon Gods in den hemel geschaard; zij hebben reeds hunne nieuwe, heerlijke lichamen ontvangen, want zij zijn bekleed met witte kleederen en gekroond met gouden kroo­nen, zoodat zij reeds uit de dooden zijn opgestaan. En gelijk wij zagen, zal de opstanding der ontslapenen te gelijk plaats hebben met de verandering der levend overge­blevenen; zij zullen te zamen opgenomen worden den Heer te gemoet in de wolken, in de lucht, en gezamenlijk het huis des Vaders binnentreden. Het is derhalve onmogelijk, dat deze vier en twintig ouderlingen de ontslapen heiligen voorstellen; en daar het ook geen engelen zijn kunnen, aangezien die niet kunnen zingen: "Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed," en deze bovendien later afzonderlijk verschijnen, zoo kunnen zij alleen de vertegenwoordigers der geheele Gemeente van Christus zijn.

Uit dit alles volgt, dat ons in deze twee hoofdstukken de Gemeente, verheerlijkt in den hemel, wordt getoond. De Openbaring van Johannes spreekt niet van de opname der Gemeente, maar veronderstelt die als reeds geschied, en toont ons de Gemeente na hare opname door Jezus, in het huis des Vaders, voor den troon des almachtigen Gods. En niets is heerlijker en schooner dan de positie, die de Gemeente hier inneemt. Er wordt een tooneel in den hemel geschilderd. De almachtige God zit op den troon zijner heerlijkheid. Van dien troon gaan uit bliksemen en donderslagen en stemmen; hetwelk de zinnebeelden zijn van de oordeelen, die in hoofdst. 6-19 over de wereld komen. Hij, die op den troon zit, heeft een boek in zijne rechterhand, geschreven van binnen en van buiten[2], verzegeld met zeven zegelen. Dit is het boek des oordeels, hetgeen duidelijk blijkt uit het zesde hoofdstuk, waar bij het openen van elk. der zeven zegelen een nieuw oordeel over de aarde wordt uitgestort. Niemand is waardig dat boek te openen en zijne zegelen open te breken, dan het Lam, dat geslacht is. En wat is nu bij dit alles de posi­tie der Gemeente? Zij zit rustig en kalm op den troon der eere rondom God en het Lam. Bliksemen en dondersla­gen en stemmen gaan uit van den troon, en brengen de vreeselijkste oordeelen over de aarde - het boek des oor­deels, met de zeven zegelen verzegeld, wordt getoond en geopend - en in plaats van te vreezen, zingt zij het nieuwe lied der verlossing. En geen wonder! Door Jezus opgeno­men van de aarde en bekleed met het nieuwe, heerlijke lichaam, is er geen vlek of rimpel aan haar te zien; is alles, wat aan het verblijf op de aarde herinnert, geheel verdwenen. Aan Jezus gelijkvormig, kunnen de heldere stralen van Gods ontoegankelijk licht niets dan de rein­heid van haar kleed openbaren. Zij is ontheven van allen strijd, van elk oordeel; zij rust van haren arbeid, gelijk God rust van den zijne. Daarom kan noch het slingeren van den bliksem, noch het rollen van den donder, noch het geluid der stemmen haar bewegen op te staan van den troon, waarop zij is gezeten. Alleen dan, wanneer Hij die leeft in alle eeuwigheid, geloofd en geprezen wordt, dan staat zij op van haren troon, buigt zich in diepen eerbied neder voor Hem, en werpt hare kroon neder aan de voeten van den troon, zeggende: "Gij, Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen." (h. 4 : 1l).

Doch er is meer. Zij is niet alleen in veiligheid en rust, terwijl op aarde alles in onrust is; zij neemt ook de heerlijkste, de beste plaats in den hemel in. De Gemeente is het, die den eersten cirkel om den troon van God en van het Lam beschrijft; eerst daarna volgen de engelen, en eindelijk alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn. Zij is het dichst van allen bij den troon van God Zij heeft een beter en heerlijker plaats dan de engelen; want terwijl zij zelve tusschen God en de engelen staat, is er niemand tusschen God en haar. Welk een onuitsprekelijke heerlijkheid! Niemand kan God zóó goed leeren kennen en zóó goed aanschouwen als zij. Al de stralen zijner heerlijkheid vallen op haar het eerst; zijn goddelijk aangezicht wordt door haar het best gezien; zijne oneindige liefde kan door haar het meest worden genoten. En waarom dat? Omdat zij zingen kan: "Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed." Dat kan geen engel zeggen. Zij zijn nimmer gevallen, hebben altijd hun beginsel bewaard, en behoeven daarom ook niet als verloren zondaars verlost te worden; maar om die reden zijn zij dan ook niet ééne plant met Christus in zijn dood en opstanding, en Hem geenszins gelijkvormig. De engelen zijn dienstknechten, maar geen zonen, en dus geen erfgenamen van God en geen medeërfgenamen van Christus. Alleen verloste zondaars zullen die heerlijke plaats innemen; zij zijn zoo nabij mogelijk gebracht, en worden met de hoogste heerlijkheid gekroond. Voorwaar! wel zien wij hier bewaarheid die heerlijke woorden van Jezus: "Vader! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt."

Ziedaar de heerlijke hoop der Gemeente van Christus. Wanneer zal zij worden vervuld? Niemand kan het bepaalde oogenblik daarvan aangeven; doch omdat die opname niet afhankelijk is van de teekenen der tijden, noch van de vervulling der profetieën, maar alleen van het bereid zijn van de plaats in den hemel, zoo kan zij evengoed heden als morgen plaats hebben. Als heden het laatste lid aan de Gemeente wordt toegevoegd, dan komt de Heer heden terug om ons op te nemen in den hemel. Daarom verwachtte Paulus dagelijks de komst van Jezus; hij verlangde er naar, niet ontkleed, maar overkleed te worden; hij hoopte te behooren tot degenen, die niet stierven, maar levend overbleven tot de toekomst des Heeren. (2 Kor. 5; 1 Kor. 15; 1 Thess. 4.) Een gansche reeks van getuigen des Heeren roept het ons met luider stem toe, hoe gelukkig hunne harten waren in deze heerlijke verwachting. Bijna al de brieven der Apostelen zijn vol van getuigenissen dienaangaande. Doch, helaas! de christelijke kerk heeft de verwachting geheel verloren. Zij heeft gezegd: "Mijn heer vertoeft te komen," en zich met de wereld en hare dienst vereenigd. Eeuwen zijn voorbijgegaan, waarin niet een enkel woord over deze waarheid vernomen werd. Evenals de tien maagden is de kerk in slaap gevallen. Doch in zijne genade is de Heer begonnen haar uit dien slaap op te wekken. Het geroep: "De Bruidegom komt, gaat uit Hem te gemoet!" werd sedert eenige jaren vernomen, en heeft reeds in veler hart weerklank gevonden. Velen zijn opgestaan uit hunnen slaap, en hebben zich gereed gemaakt, den Bruidegom te ontmoeten. Heeft dat geroep reeds weerklank gevonden in uw hart, lezer? Zijt gij reeds opgewekt uit uwen slaap? Gelooft gij in de heerlijke hoop der Gemeente? Verlangt gij naar Jezus' komst? Leeft gij in de voortdurende verwachting, onzen hemelschen Bruidegom in de lucht te ontmoeten? Zoo niet, dan komt het geroep: "Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit Hem te gemoet!" door deze bladzijden tot u. Indien gij waarlijk in den Heere Jezus gelooft, o geloof dan ook in zijne spoedige komst; maak dan die komst tot de hoop uws harten, en ga Hem vrolijk tegen! Reeds te lang hebt gij geslapen, reeds te lang uwen Heer bedroefd door uwe onverschilligheid omtrent zijne komst. Geloof zijn Woord, en stem in met degenen, die reeds roepen: "Kom, Heere Jezus!" En wanneer gij u in zijne komst zult verblijden, dan zult gij den heerlijken invloed ondervinden, welke die hoop op hart en wandel uitoefent. De verwachting van Jezus' komst verblijdt het hart, reinigt het leven, geeft ons moed en kracht in den strijd, schenkt ons vol­harding gedurende het lijden, de moeielijkheden en teleur­stellingen van dit aardsche leven. Bij alles, wat er hier beneden gebeurt, is er dan slechts één gevoel in het hart aanwezig: Spoedig komt de Heer: dan is er aan alles, wat mij bedroeft, een einde gemaakt; dan zal ik uitrusten van mijnen arbeid, en mij voor eeuwig met Jezus verblijden in de reine, zalige woningen des Vaders! O, laten wij daarom, evenals de Thessalonicensen van de afgoden bekeerd zijnde tot den levenden God, zijnen Zoon uit de hemelen verwachten, en met vurig verlangen roepen: "Amen. Ja, kom Heere Jezus!"



[1] De vier dieren, waarover in dit hoofdstuk gesproken wordt, zijn, geloof ik, de vertegenwoordigers der levende wezens; - de leeuw is het hoofd der wilde, de os het hoofd der tamme dieren, het dier, met het aangezicht als een mensch, het hoofd der redelijke wezens en de arend het hoofd der vogelen. Tevens kunnen zij vier karakters voorstellen, waarin God het oordeel uitoefent, namelijk: met kracht - de leeuw, met volharding - de os, met verstand - de mensch, en met snelheid - de arend.

[2] Dat dit boek, van binnen en van buiten beschreven is, terwijl het boek aan Daniël vertoond, alleen van binnen beschreven was, duidt aan de overvloedige mate van het oordeel. Er was zóóveel te schrijven, dat het boek van binnen niet groot genoeg was.