Het groote gewicht der profetie

Ofschoon de ernstige studie der nog onvervulde profetieŽn des Bijbels, Gode zij dank! eenige vrienden in de Gemeente des Heeren telt, zoo is het toch zeer te betreuren, dat hun getal nog zoo gering is. Vele, overigens vrome christenen, zijn, hetzij uit onkunde of traagheid, hetzij uit valsche nederigheid of vooroordeel, geheel ongeneigd om de voorspellingen Gods te onderzoeken, en trachten zelfs anderen in hunne zienswijze te doen deelen. Of wanneer sommigen, verstaande, dat het geopenbaarde voor ons en onze kinderen is, (Deut. 29 : 29) beginnen met het bevel des Heeren: "Onderzoekt de Schriften" op te volgen, zoo laten zij zich toch spoedig door de velerlei moeilijkheden dezer studie afschrikken - moeilijkheden, die ten deele uit het gebrek aan overeenstemming tusschen de schrijvers, die de profetieŽn hebben verklaard, ten deele uit vrees van zich vergist te hebben, ontstaan. Zij vergeten daarbij het woord des apostels in Rom. 15 : 4: "Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der schriften, hoop zouden hebben.''

Eer ik daarom overga tot de beschouwing van de natuur, het verval en de opname der Gemeente, en van de gebeurtenissen die daarna volgen zullen, totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn zal, zij het mij vergund, waarde lezers! u op de verantwoordelijkheid, waarin wij tegenover het Woord Gods staan, opmerkzaam te maken. Het Woord Gods is de brief van onzen Vader in Christus, waarin Hij ons in juiste en treffende schilderingen, zoowel den toestand des menschen als zijne handelingen met dien mensch, zoowel het plan onzer verlossing en verzoening, als zijn raadsbesluit met betrekking tot de wereld, IsraŽl en de Gemeente mededeelt. Zoowel het een als het ander heeft God ons in zijne genade geopenbaard. Waarom? Voorzeker niet, opdat wij een groot gedeelte dezer openbaringen zouden overslaan, om ons slechts met datgene bezig te houden, wat naar onze meening het belangrijkste is. Hij gaf ons zijn Woord, opdat wij het geheel zouden onderzoeken. Hij gaf zijn Woord aan al zijne kinderen; en daarom is het zoo verkeerd, indien wij een gedeelte van dat Woord overlaten aan het onderzoek van geleerden. Ons allen is een talent gegeven om mede te woekeren, totdat de Heer komt. Het is een groot gebrek in de Gemeente van Christus, dat men eenige gedeelten van Gods Woord tot onderzoek en bespreking uitzoekt, onder voorwendsel, dat de anderen te diep zijn, en geen genoegzame aanleiding tot opbouwing geven. Maar leeft de mensch dan niet van alles, wat uit den mond Gods uitgaat? En is die ziel, die zich uitsluitend met datgene bezig houdt, wat zij in de Schrift vertroostend en voor hare bijzondere behoeften gepast vindt, wel doorgedrongen tot den geest en de volheid van die woorden van Jezus aan zijne discipelen: "Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb U VRIENDEN genoemd, want AL wat ik van mijnen Vader gehoord heb, heb ik u bekend gemaakt?" (Joh. 15:15) Geen enkele straal der hemelsche waarheid kan zonder onze schade onder een deksel geplaatst worden. En dit is vooral van toepassing op die openbaring van Jezus Christus - het voorwerp der oneindige liefde Gods - die God hem gaf, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten.

Om naar het beeld van Christus in gedaante veranderd te worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid, is een aanschouwen, een kennis zijner heerlijkheid noodzakelijk. Nu kan men zijne heerlijkheid slechts ten deele in het verledene aanschouwen. Uit het woord der profetie straalt zij ons met helderen glans tegen tot op den dag, waar zijne heerlijkheid zal geopenbaard worden, en alle vleesch haar zal zien; (Jes. 40 : 5) zoodat het onderzoek in de goddelijke openbaring in haren geheelen samenhang van zeer groot gewicht is; want zonder haar konden wij het schoon geheel en de wonderbare overeenstemming niet aanschouwen, die het werk des Heeren kenmerken.

Maar, zal men misschien antwoorden, is dan de profetie zulk een noodzakelijke zaak, dat zij onze geheele opmerkzaamheid verdient? - Wij antwoorden, de Heer heeft niets overtolligs gedaan noch geopenbaard, en de profetie beslaat een zeer groote plaats in zijn Woord. - Wij willen ook God niet bedillen, zal men misschien zeggen, maar wij beweren alleen, dat de kennis der profetie niet eigenlijk tot onze zaligheid behoort. - Indien gij, die alzoo spreekt, nog onwedergeboren zijt, dan verstaan wij uwe taal, want de profetie is vaste spijze voor de volmaakten, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads; (Hebr. 5 : 14) maar wanneer gij u als met Christus gekruisigd, als met Hem opgestaan, als in Hem in den hemel gezet kunt beschouwen, dan moeten wij zeggen: welk een ongelukkige redeneering is dit! Is de Bijbel u dan alleen gegeven, opdat gij zoudt weten den toekomenden toorn te zijn ontvloden? of wordt ook gij niet vermaant, op te wassen in kennis voor God en immer meer in te zien de hoop van zijne roeping en den rijkdom der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen, en alles te weten, wat ons van God geschonken is? (Kol. 1 : 10; Efez. 1 : 18; 1 Kor. 2 : 12).

Voorwaar al de schatten in den Bijbel verborgen, zijn niet ontdekt, zoodra wij onze zaligheid gevonden hebben! Er zijn dingen, die geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen 's menschen hart zijn opgeklommen, die God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. En deze dingen heeft God ons geopenbaard door zijnen Geest, (1 Kor. 2 : 9) en zij, die bereid zijn, worden uitgenoodigd, ze tot blijdschap huns geloofs te doorgronden. Wij zijn geroepen met vreugde het water uit de fontein des heils te putten, en ons door het geloof met de goederen van het huis Gods te verzadigen in afwachting van die ure, waar wij ze in aanschouwen zullen genieten. De heerlijkheid is ons deel, heeft de Heer Jezus gezegd; (Joh. 17 : 22); en zouden wij dan onverschillig zijn omtrent de openbaring dier heerlijkheid ? O neen! dat zij verre! want iedere nieuwe schoonheid, die wij met behulp der Schrift aan haar ontdekken, zal ons hart verwarmen en verkwikken, en wij zullen ons verblijden, dat eenmaal de naam des Heeren op de gansche aarde zal verheerlijkt worden.

Laten wij niet vergeten, hetgeen in 1 Thess. 5 : 19, 20 geschreven staat. De twee vermaningen, "bluscht den Geest niet uit, veracht de profetieŽn niet," staan niet zonder bedoeling naast elkander; en wij gelooven dat zij elkander verklaren. Wanneer een christen de uitspraken des Heeren onderzoekt met de volle overtuiging, dat de geheele Schrift van God ingegeven en in haar geheel, zoowel als in hare deelen, de spiegel der heerlijkheid van Christus is, wanneer het verlangen deze heerlijkheid te aanschouwen er hem toe brengt om de schatten en rijkdommen, die God voor hem heeft weggelegd, te doorgronden, dan zal hij met vreugde de komst van dien dag te gemoet snellen, en het standpunt innemen van die dienstknechten, die de terugkomst van hunnen heer verwachten.

Al de troost der ouden, die door het geloof getuigenis hebben bekomen (Hebr. 11 : 2), en bijgevolg hunne heiligmaking en afzondering van de wereld rustten grootendeels op de verwachting van toekomende goederen, die de profetische stem Gods hun te aanschouwen gaf. Ditzelfde is op de Gemeente des Heeren toepasselijk. Uit de profetie stroomt ook haar troost en kracht toe in de dagen harer vreemdlingschap, waarin verdrukking, vervolging en strijd haar deel is. Hadden wij niet de heerlijke hoop van de openbaring der heerlijkheid der kinderen Gods, van de verlossing van ons lichaam; (Rom. 8 : 23) hadden wij niet de zekerheid, dat de beproeving van ons geloof bevonden werd te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus (1 Petr. 1:7) - hoe zouden wij met volharding onze loopbaan kunnen voortzetten, hoe zouden wij zonder vrees de talrijke verzoekingen en gevaren op onzen langen pelgrimstocht kunnen wederstaan? Ja, het is juist de openbaring der toekomende dingen, die ons te midden der velerlei gevaren op onze reis een helderen gezichteinder doet zien, waardoor wij in staat gesteld worden met volhardenden moed onze schreden te vervolgen, totdat wij Hem aanschouwen, door wiens Geest ons de profetie is geschonken. Wanneer nu de christen uit de profetie kracht ontvangt, "om den tijd die overig is in het vleesch naar den wil van God te leven" (1 Petr. 4 : 2), zou hij dan, zonder tegen God te zondigen, kunnen nalaten in het boek des Heeren te onderzoeken, wat de Heer door zijne dienstknechten, de profeten, geopenbaard heeft aangaande de dingen, die na dezen geschieden moeten? (Openb. 1 : 19) En wanneer de Schrift ons de toekomst ontsluierd, en ons mededeelt, wat er met de schepping, met de wereld, met IsraŽl en met de Gemeente gebeuren zal, zouden wij het dan overtollig achten deze voorzeggingen te onderzoeken? Neen, geliefde broeders! dat kan de wil van God niet zijn; dat kan niet tot onzen zegen strekken. Waarom is er zoo weinig blijdschap? Waarom verheugt men zich zoo weinig met onuitsprekelijke en heerlijke vreugde? Waarom kunnen zoo weinigen den apostel Paulus nazeggen: "Onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid, dewijl wij zien op het onzichtbare en eeuwige?" O, is het niet, omdat zoo weinigen zich bezighouden met de toekomende dingen. Onze vrede kan niet voortdurend zijn, indien wij onzen blik niet vestigen op het kruis van Christus; ons vertrouwen kan niet Vast zijn, als wij het werk des Heeren niet geheel aannemen; en zoo kan ook onze hoop niet heerlijk en vertroostend zijn, als wij de toekomende dingen niet verstaan. Laten wij daarom de Schriften, die van deze dingen getuigen, onderzoeken en den heerlijken schat van vertroosting ons toeŽigenen!

Doch vertroosting is niet het eenige doel der profetie, ook de heiliging onzer ziel is het doel van God. "Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk hij rein is." (1 Joh. 3 : 3) En niets is natuurlijker dan dit. Indien de hoop der toekomende heerlijkheid ons hart vervult, zullen wij dan onszelven leven, en niet dien, die voor ons gestorven en opgestaan is? Indien wij naar de beloften Gods een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont, verwachten, zullen wij dan ons hart hechten aan de dingen dezer aarde, en ons geluk zoeken in hetgeen als een bloem des velds verwelkt? Voorzeker niet! Integendeel de studie der profetie, in de overtuiging aangevangen, dat "de opening zijner woorden licht geeft en de eenvoudigen verstandig maakt," (Ps. 119: 130) vertroost en verblijdt de ziel niet alleen, maar verheft tevens haren blik naar de dingen die boven zijn, en doet hare liefde zich verlustigen in de kanalen der goddelijke almacht.

Ja, de profetie is van uitnemend groot gewicht! Zij doet ons een blik slaan in de duistere toekomst, zoodat voor hem die gelooft, alles licht en helder wordt. "W ij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uwe harten; dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige mannen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken." (2 Petr. 1 : 19-21) Het is onmogelijk duidelijker te spreken. De toekomst is verborgen; zij is duister; niemand weet wat er gebeuren zal; doch daar komt de profetie, als de stem van God, en is een licht in die duistere toekomst; totdat de dag aanlichte, en de blinkende Morgenster (Openb. 22 : 16) opga om ons op te nemen in zijne heerlijkheid en onze harten door zijne tegenwoordigheid volmaakte vreugde te schenken. Een iegelijk, die deze profetie gelooft, kent de toekomst. Hij weet, wat er gebeuren zal, hij kent de gedachten en plannen van God, en zijn hart verlangt naar de openbaring dezer heerlijkheid. Is de Gemeente aan lijden en druk onderworpen, de profetie zegt ons, dat zij weldra in heerlijkheid bij Jezus zal zijn. Neemt de goddeloosheid en het ongeloof in de Christenheid toe, de profetie wijst ons op haar vreeselijk. einde. Zien wij IsraŽls stammen op aarde ronddolen, de profetie spreekt ons van hun heerlijk herstel. Zucht de schepping onder den vloek, de profetie verklaart, dat die vloek haast zal worden weggenomen. En zoo zouden wij kunnen voortgaan, en op al onze vragen zou de profetie een voldoend antwoord geven. Laten wij daarom die profetie bestudeeren, gedachtig aan de treffende en heerlijke woorden des Heeren:

"Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is: want de tijd is nabij." (Openb. 1 : 3)

Vervolg